Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9736

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802024/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: het perceel).


Uitspraak

200802024/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/228 van de rechtbank Dordrecht van 8 februari 2008 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: het perceel). Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 november 2006 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2006 vernietigd en bepaald dat het college binnen 10 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt. Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 2 augustus 2005 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 april 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. van der Ploeg en mr. L.M.B. van den Konink, ambtenaren in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door C.M. Pelikaan, gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan voorziet in het uitbreiden van de woning op het perceel met 15,5 m². De hoogte van de uitbreiding bedraagt 5,5 m. 2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor het bouwplan te verlenen. Daartoe voert zij aan dat als gevolg van het bouwplan haar uitzicht wordt beperkt, de bezonning en daglichttoetreding op haar perceel afneemt en de waarde van haar woning daalt. 2.2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat beperkt verlies van uitzicht in een stedelijke omgeving tot de normale maatschappelijke risico's behoort. Het college heeft in het besluit op bezwaar voorts vermeld dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Sandeling, 4e uitwerking" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel een uitbreiding toestaat met een hoogte van de eerste bouwlaag van de woning, te weten 3 m. De rechtbank heeft, dit in aanmerking genomen, terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verlies van uitzicht niet zodanig is dat dit zou moeten leiden tot weigering van de gevraagde vrijstelling. Daarbij is van belang, dat het college bij de bevoegdheid om al dan niet vrijstelling te verlenen over een ruime mate van beslissingsruimte beschikt. Het door [appellante] overgelegde advies van ir. C.M. Lovisa van architectenbureau Van de Graaf, Lammens en Van der Zwart B.V. van 27 september 2007 doet aan het standpunt van het college niet in betekenende mate af, nu in dit advies niet op kenbare wijze rekening is gehouden met de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. 2.2.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de schaduwwerking als gevolg van het bouwplan op het perceel van [appellante] acceptabel is. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan op het perceel een uitbreiding toestaat met een hoogte van de eerste bouwlaag van de woning, te weten 3 m. Bij de door [appellante] overgelegde schaduwberekeningen van het architectenbureau Van de Graaf, Lammens en Van der Zwart B.V. is geen rekening gehouden met de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college vanwege de schaduwwerking als gevolg van het bouwplan niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. 2.2.3. De beroepsgrond betreffende waardedaling heeft [appellante] niet in beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet al voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellante] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven en kan hij reeds daarom niet slagen. 2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie van de stichting Dorp, Stad & Land (hierna: de welstandscommissie) groter gewicht mag toekennen dan aan het door haar overgelegde tegenadvies van ir. C.M. Lovisa van architectenbureau Van de Graaf, Lammens en Van der Zwart B.V. van 27 september 2007. Daartoe voert zij aan dat in dit tegenadvies eveneens rekening is gehouden met de eisen in de welstandsnota "Hendrik-Ido-Ambacht" (hierna: de welstandsnota). 2.3.1. Gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet in samenhang met artikel 12, eerste lid, van die wet staat slechts ter beoordeling de vraag of het college in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Het college mag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De welstandscommissie heeft op 11 december 2006 aan de hand van de welstandsnota een gemotiveerd positief advies omtrent het bouwplan gegeven. In het besluit op bezwaar heeft het college zich op dit advies gebaseerd. Naar aanleiding van het door [appellante] overgelegde tegenadvies heeft de welstandscommissie op 15 oktober 2007 haar standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met de welstandsnota nader toegelicht. De omstandigheid dat ook in voormeld tegenadvies rekening is gehouden met de welstandsnota, betekent niet dat het college niet heeft kunnen volstaan met het onderschrijven van de reactie van 15 oktober 2007, die immers voldoende inzicht geeft omtrent het positieve oordeel van de welstandscommissie. Evenmin is gebleken dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. 2.4. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte bouwvergunning voor het bouwplan heeft verleend. 2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat. w.g. Polak w.g. Sloots lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 499.