
Jurisprudentie
BG9732
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801440/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801440/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 januari 2008 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200801440/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 januari 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2008, waar het college, vertegenwoordigd door L.J.M. Selen, werkzaam bij de Milieusamenwerking Regio Horst, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het beroep is volgens het college wegens het ontbreken van gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk. De enkele verwijzing naar het door [belanghebbenden] ingediende beroepschrift is volgens het college onvoldoende nu het beroep van laatstgenoemde personen bij uitspraak van de Afdeling van 11 april 2008, in zaak nr. 200801440/2, niet-ontvankelijk is verklaard.
Subsidiar stelt het college zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat betrekking heeft op stank- en geluidhinder omdat de beroepsgronden over deze aspecten geen betrekking hebben op het eigen belang van [appellanten]. Verder dient het beroep voor zover dat betrekking heeft op geluidhinder niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat de hierop betrekking hebbende beroepsgrond als zodanig niet in de zienswijzen naar voren is gebracht, aldus het college.
2.1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep.
Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.1.2. Door de enkele verwijzing in het aanvullende beroepschrift naar het door [belanghebbenden] ingediende beroepschrift is voldaan aan de eisen die artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht stelt, nu uit laatstgenoemd beroepschrift zonder meer valt af te leiden op welke gronden [appellanten] opkomen tegen het besluit van 18 december 2007. Dat het beroep van [belanghebbenden] nadien door de Afdeling wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk is verklaard maakt dit niet anders.
2.1.3. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.
[appellanten] wonen op zodanige afstand van de inrichting dat aannemelijk is dat zij milieugevolgen kunnen ondervinden van de inrichting. Zij kunnen derhalve als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden beschouwd. Dat [appellanten] niet opkomen voor hun eigen belang maakt dit niet anders nu in de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat in het kader van de beoordeling of hun belang wordt geraakt door het bestreden besluit betekenis zou toekomen aan de argumenten op grond waarvan [appellanten] zich met het bestreden besluit niet kunnen verenigen.
2.1.4. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.
[appellanten] hebben zienswijzen naar voren gebracht over geluidhinder. De beroepsgrond dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te hoog zijn heeft eveneens betrekking op geluidhinder. Er bestaat derhalve geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.
2.1.5. Gezien het vorenstaande is het beroep van [appellanten] ontvankelijk.
2.2. [appellanten] betogen dat de door het college gemaakte beoordeling of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt niet aan de te stellen eisen voldoet omdat niet overeenkomstig artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer samen met bijlage III van richtlijn 85/337/EEG, aandacht is besteed aan het totaal aantal te houden dieren binnen de inrichting en de cumulatie met een in de omgeving van de inrichting gelegen varkenshouderij. In het kader van de cumulatie had het college volgens hen rekening moeten houden met de door het college bij besluit van 20 maart 2007 vergunde uitbreiding van deze varkenshouderij.
2.2.1. Vast staat dat het hier een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 aangewezen activiteit betreft ten aanzien waarvan krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moet worden beoordeeld of vanwege belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college krachtens dit artikel beslist dat het maken van een milieu-effectrapport niet nodig is.
2.2.2. Ingevolge het vierde lid van artikel 7.8b, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt rekening houden met de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG aangegeven omstandigheden. Daarin staan onder meer genoemd: de omvang van het project en de cumulatie met andere projecten.
2.2.3. Het college heeft in zijn beoordeling of een milieu-effectrapport nodig is onder meer de omvang van het project en de cumulatie met andere projecten in overweging genomen. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG aangegeven omstandigheden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten tijde van het besluit van 9 mei 2006 de door [appellanten] genoemde uitbreiding van de varkenshouderij niet aan de orde was.
De beroepsgrond faalt.
2.3. [appellanten] betogen dat het college bij toetsing aan de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) een op het perceel Pilmus 5 staand gebouw ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens hen dient dit gebouw, dat planologisch als woning is bestemd, als een voor stank gevoelig object categorie IV te worden aangemerkt. In dat geval kan volgens [appellanten] niet aan de op grond van de bijlage bij de Wet stankemissie minimaal aan te houden afstand worden voldaan, zodat de vergunning ten onrechte is verleend.
2.3.1. Vast staat dat de Wet stankemissie van toepassing is op de inrichting.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, onder d, van de Wet stankemissie wordt onder voor stankgevoelig object categorie IV verstaan: een woning, behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn, en verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.
2.3.2. Niet in geschil is dat, indien het door [appellanten] bedoelde gebouw als stank gevoelig object moet worden beschouwd, het als een categorie IV-object in de zin van de Wet stankemissie moet worden aangemerkt. Verder is niet in geschil dat, indien het door [appellanten] bedoelde gebouw niet als stankgevoelig object categorie IV dient te worden aangemerkt, aan de op grond van de bijlage bij de Wet stankemissie minimaal aan te houden afstanden wordt voldaan en deze wet niet aan vergunningverlening in de weg staat.
2.3.3. Voorop moet worden gesteld dat bij de toepassing van de Wet stankemissie voor de vraag of een bepaald object als stankgevoelig object in de beoordeling moet worden betrokken, de feitelijke situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepalend is. De planologische bestemming is niet doorslaggevend. Verder kan uitsluitend bebouwing die wordt bewoond of waarin met wonen gelijk te stellen verblijf plaatsvindt als 'verspreid liggende niet-agrarische bebouwing' in de zin van artikel 1, tweede lid, onder d, van de Wet stankemissie worden aangemerkt.
Vast staat dat het door [appellanten] bedoelde gebouw niet als woonruimte wordt gebruikt, maar uitsluitend deels als hobbyruimte en schilderatelier. Niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van het gebouw zodanig is dat moet worden gesproken van met wonen gelijk te stellen verblijf. Het desbetreffende gebouw is daarom geen stankgevoelig object categorie IV in de zin van de Wet stankemissie. Het college heeft dit gebouw bij de beoordeling van de stankhinder dan ook terecht niet als zodanig aangemerkt.
De beroepsgrond faalt.
2.4. [appellanten] voeren aan dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) te hoog zijn. Volgens hen dienen grenswaarden te worden gesteld die overeenkomen met de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) opgenomen richtwaarden voor een landelijke omgeving.
2.4.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft het college onder meer voorschrift 2.1 aan de vergunning verbonden. In dit voorschrift zijn ter plaatse van woningen van derden of andere geluidgevoelige objecten grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) gesteld van 45, 40 en 35 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.4.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.4.3. Het college heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.
In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.
2.4.4. Niet in geschil is dat het in dit geval gaat om een landelijke omgeving waarvoor richtwaarden gelden van 40, 35 en 30 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. In afwijking van deze richtwaarden heeft het college in het bestreden besluit geluidgrenswaarden gesteld van 45, 40 en 35 dB(A). Ten aanzien van de overschrijding van de richtwaarden heeft hij in aanmerking genomen dat in de omgeving van de inrichting meerdere andere bedrijven aanwezig zijn en dat van De Cocq van Haeftenstraat, waaraan de inrichting is gelegen, veelvuldig gebruik wordt gemaakt door verkeer. De Afdeling ziet geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de door het college aan zijn beslissing ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden en acht het aannemelijk dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse 45 dB(A) bedraagt. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van onaanvaardbare geluidhinder.
De beroepsgrond faalt.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Leeuwen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009
373.