Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9730

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800722/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een veehouderij met runderen, schapen en biologische varkens, gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 18 december 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200800722/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen, 2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een veehouderij met runderen, schapen en biologische varkens, gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 18 december 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2008, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, [appellanten sub 2] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door drs. S.F.M. Anzion, werkzaam bij adviesbureau Milcura B.V., en ing. M. Betzema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, als belanghebbende gehoord. 2. Overwegingen Ontvankelijkheid 2.1. [vergunninghouder] stelt dat [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] moeten worden geacht geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren te hebben gebracht, zodat hun beroepen niet-ontvankelijk zijn. Aan deze stelling legt [vergunninghouder] ten grondslag dat de termijn voor het indienen van zienswijzen liep tot en met 10 september 2007, terwijl de zienswijzen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] volgens hem bij brieven op 12 september 2007, en dus te laat bij het college zijn ingekomen. Het college en [vergunninghouder], deze laatste voor zover de schriftelijke zienswijzen zouden moeten worden geacht tijdig te zijn ingediend, stellen dat [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] geen zienswijzen hebben ingebracht met betrekking tot geluidhinder, ammoniak en bodemverontreiniging, zodat de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk zijn. 2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd. 2.1.2. Vast staat dat het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd op 31 juli 2007. Eveneens staat vast dat van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is kennisgegeven in een lokaal huis-aan-huisblad, alsmede bij brieven aan omwonenden van de inrichting, waaronder alle appellanten. Zowel in de desbetreffende publicatie als in deze brieven is vermeld dat tot en met 11 september 2007 zienswijzen kunnen worden ingebracht. 2.1.3. Gelet op artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Awb, eindigde de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen op 10 september 2007. Op basis van verklaringen ter zitting van het college en van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] is het aannemelijk dat namens [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3], anders dan [vergunninghouder] veronderstelt, bij het college op 11 september 2007 schriftelijke zienswijzen zijn afgegeven. Geconcludeerd moet worden dat de schriftelijke zienswijzen buiten de wettelijke termijn doch binnen de gepubliceerde termijn naar voren zijn gebracht. Het inbrengen van zienswijzen buiten de wettelijke termijn doch binnen de gepubliceerde termijn kan in beginsel verschoonbaar worden geacht. De conclusie is daarom dat [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] verschoonbaar buiten de wettelijke termijn zienswijzen naar voren hebben gebracht. 2.1.4. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] hebben evenwel geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geluidhinder, ammoniak en bodemverontreiniging. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten omdat de kennisgeving van het ontwerpbesluit, onder meer wat de aanduiding van de inrichting betreft, niet de juiste inhoud had en voorts omdat het college hen ten onrechte niet de gelegenheid heeft gegeven hun schriftelijke zienswijzen toe te lichten en daarbij mondelinge zienswijzen naar voren te brengen, overweegt de Afdeling het volgende. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit niet de zakelijke inhoud van dit besluit weergeeft zoals dat ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is vereist. Ook is er geen aanleiding voor het oordeel dat de kennisgeving niet voldoet aan de daarvoor overigens ingevolge artikel 3:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldende eisen. Verder is niet gebleken dat [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om, naast de door hen schriftelijk ingediende zienswijzen, ook mondelinge zienswijzen naar voren te brengen. Voor zover door hen tijdens gesprekken met vertegenwoordigers van het college mondelinge zienswijzen zouden zijn geuit, heeft het college die terecht buiten beschouwing gelaten omdat, zo moet worden vastgesteld, deze gesprekken buiten de termijn voor het indienen van zienswijzen hebben plaatsgevonden. Nu aldus niet is gebleken dat [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht over geluidhinder, ammoniak en bodemverontreiniging, zijn de door hen ingediende beroepsgronden die hierop betrekking hebben niet-ontvankelijk. Vergunningsituatie 2.2. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 26 april 2000 een revisievergunning verleend voor het houden van 45 melk- en kalfskoeien, 34 stuks vrouwelijk jongvee, 104 vleesvarkens, 6 kraamzeugen, 12 guste en dragende zeugen en 60 gespeende biggen. Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend die betrekking heeft op onder meer een wijziging van het veebestand tot 49 melk- en kalfskoeien, 34 stuks vrouwelijk jongvee, 30 schapen, 1 dekbeer en het op biologische wijze houden van 364 vleesvarkens, 220 gespeende biggen, 52 guste en dragende zeugen, 12 kraamzeugen. Aanvraag 2.3. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag onjuist dan wel onvolledig is. Hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Deze beroepsgrond faalt. Revisievergunning 2.4. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat het college een oprichtingsvergunning had moeten verlenen in plaats van een revisievergunning, gelet op de ingrijpendheid van de wijzigingen die de inrichting blijkens de aanvraag zal ondergaan. Aangevraagd is een uitbreiding van de veehouderijactiviteiten. Niet valt in te zien waarom het college in zoverre geen revisievergunning heeft kunnen verlenen. Deze beroepsgrond faalt. Aspecten van ruimtelijke ordening 2.5. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen voor de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke Ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgronden falen. Naleving voorschriften 2.6. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. Natuurbeschermingswet 1998 2.7. Voor zover [appellanten sub 1] beroepsgronden aanvoeren die betrekking hebben op de procedure tot vergunningverlening krachtens de Natuurbeschermingswet 1998, overweegt de Afdeling dat deze in de huidige procedure tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer niet aan de orde kunnen komen. Waardedaling 2.8. Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat zijn woning in waarde zal dalen als gevolg van de vergunde uitbreiding van de activiteiten in de inrichting, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond faalt. Algemeen toetsingskader 2.9. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. Beste beschikbare technieken 2.10. De Afdeling verstaat het beroep van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] aldus dat zij aanvoeren dat in de inrichting, wat de daarin aanwezige stallen voor de varkens betreft, niet de beste beschikbare technieken worden toegepast. 2.10.1. Ter zitting is gebleken dat de voor de varkens vergunde traditionele stalsystemen, in aanmerking genomen dat deze dieren blijkens de aanvraag op biologische wijze worden gehouden, als gangbare systemen moeten worden beschouwd. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat in de inrichting in zoverre niet de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Deze beroepsgrond faalt. Geurhinder vanwege de dierenverblijven 2.11. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat moet worden gevreesd voor geurhinder vanwege de dierenverblijven. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen, onder verwijzing naar een in hun opdracht opgesteld onderzoeksrapport van Buro Blauw BV van 1 februari 2008 met kenmerk BL2008.4153.01A (hierna: het onderzoeksrapport), dat de berekening die het college heeft gemaakt ten behoeve van de bepaling van de geurbelasting vanwege de dierenverblijven onjuist is doordat voor gebouw 3 een onjuist emissiepunt is gehanteerd. Bij hantering van het juiste emissiepunt, dat zich volgens hen ten opzichte van het door het college gehanteerde punt op 15 meter in zuidwestelijke richting bevindt wordt de grenswaarde van 8,0 odour units per kubieke meter lucht, zo is in het onderzoeksrapport vermeld, ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] wellicht overschreden. 2.11.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt de vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht. 2.11.2. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat ook indien het door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] als juist beschouwde emissiepunt voor gebouw 3 in de berekening van de geurbelasting wordt gehanteerd, de grenswaarde van 8,0 odour units per kubieke meter lucht ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] - anders dan [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen - niet wordt overschreden. Derhalve faalt deze beroepsgrond. Geurhinder vanwege mestopslag 2.12. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] voeren verder aan - samengevat weergegeven - dat moet worden gevreesd voor geurhinder vanwege het transport en de opslag van mest. Volgens hen zijn nadere voorschriften nodig. 2.12.1. In de inrichting wordt mest opgeslagen in mestkelders, in een mestsilo en, voor zover het vaste mest betreft, op een mestplaat. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden die strekken tot onder meer het voorkomen van geurhinder vanwege het transport en de opslag van mest. Zo is in voorschrift 7.32 bepaald dat bij verwijdering van mest en gier de omgeving niet mag worden verontreinigd en dat transport van dunne mest en gier moet geschieden in volledig gesloten tankwagens. Ingevolge voorschrift 7.35 moeten dunne mest en gier uit de stallen worden afgevoerd naar de hiervoor bestemde mestdichte opslagruimten. Indien deze opslagruimten niet onder de stallen zijn gelegen, moet het transport geschieden door middel van gesloten en mestdichte riolen of een daaraan gelijkwaardige voorziening. In de voorschriften 7.36 en 7.37 is bepaald dat de opslagruimten, behoudens tijdens het legen, gesloten moeten worden gehouden door middel van goed sluitende deksels, luiken of een daaraan gelijkwaardige voorziening en dat de mestopslag geen direct verdampend oppervlak in de buitenlucht mag hebben. Uit voorschrift 7.40 volgt onder meer dat vaste mest moet worden opgeslagen op de mestplaat die mestdicht moet zijn. 2.12.2. In hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om onaanvaardbare geurhinder vanwege het transport en de opslag van mest te voorkomen. Hinder van insecten 2.13. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat moet worden gevreesd voor hinder van insecten. Volgens hen zullen met name de mestopslagen en de uitloop van de varkens insecten aantrekken. 2.13.1. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.4 moet het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte worden voorkomen en moet zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Verder strekken de in 2.12.1 genoemde voorschriften ook tot het voorkomen van hinder van insecten. 2.13.2. In hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voornoemde voorschriften toereikend zijn ter voorkoming van hinder van insecten. Onduidelijkheid voorschriften 2.14. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat in het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.25 een onjuiste verwijzing is opgenomen en verder dat het voorschrift, in samenhang bezien met voorschrift 7.24, dubbelzinnig is. 2.14.1. Uit het samenstel van de voorschriften 7.24 en 7.25 volgt ondubbelzinnig dat autobanden en (afval)landbouwplastic, anders dan kunststoffolie, jerrycans en sjorbanden, buiten de bedrijfsgebouwen mogen worden opgeslagen, mits de afstand van dit materiaal tot de erfgrens minimaal 3 meter bedraagt en het zodanig is vastgezet dat het niet buiten de inrichting kan geraken. In zoverre kan deze beroepsgrond niet slagen. In voorschrift 7.25 is abusievelijk verwezen naar voorschrift 7.23. Mede gezien het vorenstaande kan er evenwel geen twijfel over bestaan dat bedoeld is te verwijzen naar voorschrift 7.24. Deze kennelijke verschrijving leidt dan ook niet tot rechtsonzekerheid. Ook in zoverre kan deze beroepsgrond niet slagen. Slotoverwegingen 2.15. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk voor zover die betrekking hebben op geluidhinder, ammoniak en bodemverontreiniging; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] voor het overige en het beroep van [appellant sub 3] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 431.