Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9729

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800560/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de handel in tweedehands kleding en de inkoop, opslag, ompakking en verkoop van consumentenvuurwerk gelegen aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op dinsdag 4 december 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200800560/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Almere, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de handel in tweedehands kleding en de inkoop, opslag, ompakking en verkoop van consumentenvuurwerk gelegen aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op dinsdag 4 december 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij het college ingekomen op 8 januari 2008, beroep ingesteld. Het college heeft het beroepschrift doorgezonden aan de Afdeling, alwaar het op 22 januari 2008 is ingekomen. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 februari 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2008, waar [appellanten], van wie [naam een der appellanten] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.F. van Stek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], in persoon, verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De bij besluit van 23 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) verleende vergunning heeft onder meer betrekking op de opslag van maximaal 4.387 kilogram consumentenvuurwerk. 2.2. [appellanten] vrezen dat het college de veiligheidsrisico's die vestiging van een inrichting voor vuurwerkopslag met zich meebrengt onvoldoende heeft onderkend. Zij voeren dat niet wordt voldaan aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden die ingevolge bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit in acht moeten worden genomen. Volgens [appellanten] gaat het college er bovendien aan voorbij dat zich boven de inrichting een Chinese school bevindt. 2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de inrichting voldoet aan alle in het Vuurwerkbesluit opgenomen eisen. 2.2.2. Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer draagt - voor zover hier van belang - het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet. Het Vuurwerkbesluit is een krachtens de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur. Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vuurwerkbesluit nemen burgemeester en wethouders de in bijlage 3 bij dat besluit gestelde afstanden in acht bij het verlenen of wijzigen van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Ingevolge bijlage 3, onderdeel A, aanhef en onder c, van het Vuurwerkbesluit wordt onder veiligheidsafstand in voorwaartse richting verstaan de afstand in zowel horizontale als verticale richting, gemeten in bolvorm vanaf het middelpunt van de deuropening van een ruimte in de richting, zoals aangegeven in figuur 1, onder a, van het Vuurwerkbesluit; In bijlage 3, onderdeel B, voorschrift 1.2, onder a, van het Vuurwerkbesluit is bepaald dat bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht moet worden genomen. In bijlage 3, onderdeel B, voorschrift 1.2, onder b, van het Vuurwerkbesluit is bepaald dat binnen de veiligheidsafstand in voorwaartse richting, het vrijwaringsgebied daaronder niet begrepen, in afwijking van onderdeel a een kwetsbaar object aanwezig of geprojecteerd mag zijn, indien tussen de deuropening van de (buffer)bewaarplaats en dat object een scheidingsconstructie aanwezig is: 1° waarvan de brandwerendheid niet lager is dan 60 minuten; 2° waarin zich geen opening, raam of deur bevindt; 3° die, voor zover het een verticale scheidingsconstructie betreft, vervaardigd is van metselwerk, beton of cellenbeton. 2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op de eerste verdieping van het pand waarin de inrichting is gevestigd in twee lesruimten Chinese les wordt gegeven (hierna: de Chinese school). Het college heeft hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening gehouden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Chinese school geen kwetsbaar object is omdat zij deel uitmaakt van de inrichting. Uit de aanvraag blijkt echter niet dat de Chinese school deel uitmaakt van de inrichting. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat de Chinese school een kwetsbaar object is. 2.2.4. Het college heeft aangevoerd dat geen Chinese les wordt gegeven als er vuurwerk in de inrichting is opgeslagen. Hieraan kan echter niet de door het college gewenste betekenis toekomen, nu de bij het bestreden besluit verleende vergunning toestaat dat gedurende het gehele jaar vuurwerk in de inrichting wordt opgeslagen. 2.2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voornoemde lesruimten zich deels bevinden boven de (buffer-)bewaarplaats waarin het consumentenvuurwerk wordt opgeslagen. Vast staat dat aldus voor een deel van voornoemde lesruimten niet wordt voldaan aan de aan te houden veiligheidsafstand in voorwaartse richting van ten minste 8 meter. 2.2.6. Het college heeft aangevoerd dat, indien de Chinese school moet worden aangemerkt als kwetsbaar object, weliswaar niet wordt voldaan aan de veiligheidsafstand in voorwaartse richting, maar dat dit niet bezwaarlijk is nu tussen de deuropening van de (buffer-)bewaarplaats en de lesruimten van de Chinese school op de verdiepingsvloer een scheidingsconstructie aanwezig is als bedoeld in bijlage 3, onderdeel B, voorschrift 1.2, onder b, van het Vuurwerkbesluit. De Afdeling stelt evenwel vast dat het college tekeningen heeft overgelegd, waaruit blijkt dat ter hoogte van de eerste verdieping naast de lesruimten een vide is gesitueerd die in open verbinding staat met de begane grond. 2.2.7. Gelet op het overwogene onder 2.2.3 tot en met 2.2.6 moet worden geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de in bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit voorgeschreven afstanden in acht worden genomen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid. 2.2.8. De onder 2.2 weergegeven beroepsgrond slaagt. 2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. 2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 23 november 2007, kenmerk WM06006; III. gelast dat de gemeente Almere aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Taal voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 325-576.