Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG9728

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200803347/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 20 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) geweigerd aan [appellant A] vrijstelling te verlenen ter legalisering van het strijdige gebruik dat plaatsvindt op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200803347/1. Datum uitspraak: 14 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellante B], waarvan de vennoten zijn [appellant A] en [vennoot], gevestigd te [plaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 maart 2008 in zaak nr. 07/1545 in het geding tussen: [appellant A] en [appellante B] en het college van burgemeester en wethouders van Vught. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) geweigerd aan [appellant A] vrijstelling te verlenen ter legalisering van het strijdige gebruik dat plaatsvindt op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college [appellante B] en [appellant A] onder oplegging van dwangsommen gelast het strijdige gebruik in de voormalige agrarische bebouwing op de percelen kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […] en […], ten opzichte van de bestemming Woondoeleinden respectievelijk Agrarisch gebied met landschappelijke waarde, alsmede het strijdige gebruik van die percelen voor de stalling van motorvoertuigen ten behoeve van autoreparatie, -onderhoud en -handel te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het college het door [appellant A] tegen het besluit van 20 september 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Voorts heeft het college bij het besluit van 26 maart 2007 de door [appellant A] en [appellante B] tegen het besluit van 18 oktober 2005 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, de last gewijzigd, in dier voege dat [appellante B] is gelast reparaties en onderhoud aan auto's in de voormalige agrarische bebouwing te beëindigen en beëindigd te houden voor zover dat meer dan vier auto's per week betreft en voorts de handel in motorvoertuigen te beëindigen en beëindigd te houden, en het besluit voor het overige in stand gelaten. Bij uitspraak van 25 maart 2008, verzonden op 31 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 juni 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant A] en [appellante B] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door W. Donckers en D.N. Bastin, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het perceel en de daarop aanwezige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zijn in gebruik ten behoeve van een garage- en autoverkoopbedrijf (hierna: garagebedrijf). Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" (hierna: het bestemmingsplan), dat op 1 december 2000 onherroepelijk is geworden, rusten op het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde - Alw -" en "Woondoeleinden - W -". [appellant A] en [appellante B] hebben het college verzocht vrijstelling te verlenen voor het gebruik, voor zover dit niet op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Het college heeft dat geweigerd. 2.2. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren. Daartoe voeren zij aan dat legalisering op grond van het beleid voor voormalige agrarische bedrijfslocaties in het Streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in Balans" (hierna: het streekplan) en de provinciale Nota Buitengebied in Ontwikkeling mogelijk is. Voorts stellen zij dat het reconstructieplan De Meierij (hierna: het reconstructieplan) aanleiding geeft vrijstelling te verlenen voor het gebruik. Het college heeft volgens hen bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Voorts beroepen zij zich op het gelijkheidsbeginsel en wijzen daartoe op een nabijgelegen grootschalig caravanbedrijf en de voorgenomen aanleg van een 18-holes golfbaan op het naburige perceel. 2.2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het college heeft vestiging van een garagebedrijf in het buitengebied in redelijkheid ongewenst kunnen achten en daarbij terecht betrokken dat ook het in het streekplan opgenomen beleid voor voormalige agrarische bedrijfslocaties geen grond biedt voor het verlenen van vrijstelling. Daarbij is van belang dat voormeld beleid ziet op agrarische bedrijven die beëindigd worden. Nu bij de vaststelling van het bestemmingsplan de agrarische functie van het perceel reeds is gewijzigd in een woonfunctie is thans geen sprake van een agrarisch bedrijf dat beëindigd wordt. Voorts volgt uit de omstandigheid dat het gebied waarin het perceel is gelegen in het reconstructieplan is aangewezen als overig extensiveringsgebied niet dat het college vestiging van het onderhavige bedrijf op deze plek uit dien hoofde had moeten toestaan. Dat de garageactiviteiten op grond van het overgangsrecht in beperkte mate mogen worden voortgezet biedt geen grond voor een ander oordeel. Die omstandigheid doet er niet aan af dat het college een intensivering van dat gebruik in redelijkheid als onwenselijk heeft mogen aanmerken. Over het door [appellant A] en [appellante B] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat de door hen bedoelde situaties niet zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan legalisering van de bedrijfsactiviteiten. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat het caravanbedrijf reeds in het bestemmingsplan "Buitengebied 1981" als zodanig is bestemd. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de voorgenomen aanleg van een golfbaan in overeenstemming is met de doelstellingen voor recreatieve ontwikkelingen in het streekplan en met de doelstellingen van het reconstructieplan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat voormeld beroep niet kan slagen. Het betoog faalt. 2.3. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bevoegd was hen door middel van een dwangsom te gelasten het volledige gebruik te staken en de bedrijfsvoorraad te verwijderen, heeft miskend dat het college uitsluitend bevoegd was handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik voor zover dat niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt en dat ook het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de garageactiviteiten ten dele daaronder vallen. 2.3.1. Het betoog is terecht voorgedragen, doch leidt niet tot het ermee beoogde doel, nu het college in de last, zoals aangepast bij het besluit op bezwaar, rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het gebruik gedeeltelijk mag worden voortgezet op grond van het overgangsrecht. 2.4. Nu vaststaat dat het gebruik, voor zover dit niet mag worden voortgezet op grond van het overgangsrecht, in strijd is met het bestemmingsplan, kon het college ter zake handhavend optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.5. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.2.1. is overwogen volgt dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat in dit geval geen concreet zicht op legalisering bestaat. 2.6. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde last ten aanzien van het beëindigen en beëindigd houden van reparaties en onderhoud aan auto's in de voormalige agrarische bebouwing op het perceel voor zover dat meer dan vier auto's betreft in strijd is met de rechtszekerheid en tot benadeling leidt omdat deze onduidelijk is geformuleerd. Voorts stellen zij dat handhaving van de last niet mogelijk is. 2.6.1. In het besluit op bezwaar heeft het college [appellante B] onder meer gelast het verrichten van reparaties en onderhoud aan auto's in de voormalige agrarische bebouwing te beëindigen en beëindigd te houden voor zover dat meer dan vier auto's per week betreft. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de inhoud van de opgelegde last onduidelijk is. Uit de formulering van de last blijkt duidelijk wat van [appellante B] wordt verwacht teneinde overtreding te voorkomen, in aanmerking genomen dat volgens het algemeen spraakgebruik onder reparatie het herstellen van wat kapot is en onder onderhoud het in goede staat houden wordt verstaan. Voor het oordeel dat de last niet handhaafbaar is, heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat controle kan plaatsvinden door inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en door het regelmatig brengen van controlebezoeken. Het betoog faalt. 2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Hanrath voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009 392.