Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG6144

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01886/07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewijsklacht t.a.v. veroorzaken van gevaar op de weg. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het betoogt dat het uit de inhoud van bwm 9 blijkende gevaar voor de in desbetreffende verklaring genoemde X niet is veroorzaakt door het rijgedrag van verdachte, zoals dat is bewezenverklaard. Dat rijgedrag zou daaraan voorafgaand hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft aan dat bwm evenwel kennelijk niet meer ontleend dan het gegeven dat zich t.t.v. het bewezenverklaarde rijgedrag ander verkeer ter plaatse bevond.


Conclusie anoniem

Nr. 01886/07 Mr. Vellinga Zitting: 2 december 2008 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 2. "Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 4 "Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot (voor de feiten bewezenverklaard onder 1 en 2) vier maanden gevangenisstraf en (voor het onder 4 bewezenverklaarde) één week hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden. 2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld. Alle middelen zijn gericht tegen hetgeen onder 4 is bewezenverklaard. 3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de grondslag van het onder 4 tenlastegelegde heeft verlaten door bewezen te verklaren dat de verdachte heeft gereden op de "openbare" weg. 4. Onder 4 was aan de verdachte tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 15 september 2005 te Maasdijk, gemeente Westland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Van den Rijnstraat en/of de Nassaustraat en/of de Korte Kruisweg, meerdere malen, - slingerende van links naar rechts en/of - (daarbij) tegen stoepranden aanreed en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;" 5. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat: "hij op 15 september 2005 te Maasdijk, gemeente Westland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de openbare weg, - slingerende van links naar rechts en - tegen stoepranden aanreed door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt." 6. Art. 1 lid 1 aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) luidt als volgt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...) b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;" Het Hof heeft in de bewezenverklaring het woord "openbare" toegevoegd vóór het woord "weg". Daarmee heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat met "weg" was bedoeld de voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van art. 1 WVW1994. In aanmerking genomen dat onder de tenlastelegging staat vermeld dat de daarin gebruikte termen en uitdrukkingen, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht worden in dezelfde betekenis te zijn gebezigd als in die wet, heeft het hof dusdoende de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. 7. Het middel faalt. 8. Het tweede middel bevat de klacht dat op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het ernstige vermoeden rijst dat de verdachte aan het bewezenverklaarde feit geen schuld heeft, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleedt. Daartoe wordt er op gewezen dat het Hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verbalisanten [verbalisant 1 en 2] de achterbanden van verdachtes auto hebben laten leeglopen, welke vaststelling grond zou bieden voor het ernstige vermoeden dat de verdachte aan het slingerend en botsend rijden geen schuld heeft. 9. De bewezenverklaring onder 1 berust onder meer op het volgende bewijsmiddel: 4. Het proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005323361-2, d.d. 16 september 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1 t/m 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: "als relaas van deze opsporingsambtenaren: Op 15 september 2005 tussen 06.15 uur en 08.00 uur werd een onderzoek ingesteld, waarbij het volgende is bevonden: Naar aanleiding van een inbraak aan de Korte Kruisweg 99 te Maasdijk (gemeente Naaldwijk) begaven wij ons naar de Van Rijnstraat te Maasdijk, alwaar een personenauto, merk Honda, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], geparkeerd zou staan met daarin in de achterbak een aantal sloffen sigaretten die vermoedelijk van die inbraak afkomstig zouden zijn. Ter plaatse troffen wij in de Van Rijnstraat deze personenauto aan. Wij zagen dat in de kofferbak diverse sloffen sigaretten lagen van het merk Marlboro. Het is ons ambtshalve bekend dat deze personenauto eigendom is van [verdachte], geboren [geboortedatum]1984 te [geboorteplaats]. Het was ons eveneens bekend dat deze personenauto gekentekend [AA-00-BB] op 15 september 2005 omstreeks 03:00 uur is gecontroleerd in Maassluis, en dat [verdachte] in de auto zat. Omstreeks 06:30 uur hebben wij post gevat. Om te voorkomen dat de gebruiker van deze auto, onnodig weg zou rijden hebben wij de twee achterbanden leeg laten lopen. Omstreeks 07:35 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1 en 2], dat er een Peugeot 205, door de Van Rijnstraat reed. Wij zagen dat er in deze auto drie jongens zaten van Marokkaanse afkomst. Wij zagen dat de ons ambtshalve bekende [verdachte] in de auto gekentekend [AA-00-BB] stapte. Vervolgens zagen wij dat [verdachte] de Honda uit het parkeervak reed en op ons af reed. Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb de auto tot op drie meter kunnen naderen en ik herkende [verdachte] voor de volle honderd procent als de bestuurder van het motorvoertuig." De bewezenverklaring onder 4 berust op de volgende bewijsmiddelen: "8. Het proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005323361-10, d.d. 20 september 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1 en 2]. Dit procesverbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze opsporingsambtenaren: Op 15 september, 2005, omstreeks 07.30 uur, stonden wij, op de openbare weg, de Van den Rijnstraat te Maasland. Wij stonden daar de personenauto, merk Honda, type Civic, gekentekend [AA-00-BB], af te posten. Dit voertuig stond op naam van: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]. Wij zagen, omstreeks 07.40 uur, dat er een personenauto van het merk Peugeot type 205 aan kwam rijden. Wij zagen dat zich in deze personenauto drie mannen bevonden. Een van deze personen herkenden wij als zijnde de eerder genoemde kentekenhouder van de Honda Civic: [verdachte]. Wij zagen dat [verdachte] uit de Peugeot 205 stapte en naar de Honda Civic toe liep. Wij zagen verder dat [verdachte] met een sleutel de bestuurdersdeur van de Honda Civic opende en achter het stuur ging zitten. Hierop zagen en hoorden wij dat [verdachte] de motor van de auto startte. Wij zagen dat [verdachte] het parkeervak uit reed. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], teneinde de doorgang te belemmeren het dienstmotorvoertuig dwars op de weg gezet. De eerder genoemde Honda Civic kwam vervolgens op ongeveer een meter van ons dienstmotorvoertuig tot stilstand. Vervolgens ben ik verbalisant, [verbalisant 2], uit het dienstmotorvoertuig gestapt en in de richting van de Honda Civic gerend teneinde [verdachte] aan te houden. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag vervolgens dat [verdachte] mij op dat moment recht in mijn ogen aan keek. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat [verdachte] sterk accelererend en met een hoog toerental achteruit weg reed te Maasdijk, gemeente Westland. Wij zagen verder dat [verdachte] terwijl hij achteruit reed verschillende malen met zijn achterwielen tegen stoepranden aan reed. Verder zagen wij dat [verdachte] van links naar rechts over de weg slingerde. Wij hoorden en zagen dat de verdachte tot aan de Nassaustraat achteruit bleef rijden met een hoog toerental. Wij zagen dat de personenauto vervolgens met doorslippende banden en sterk accelererend optrok in de richting van de Korte Kruisweg. Wij hebben de achtervolging voortgezet. Wij reden op dat moment op ongeveer 30 meter afstand van de eerder genoemde Honda Civic. Wij zagen dat de personenauto de Korte Kruisweg op reed. Wij hoorden een luide knal en zagen dat de personenauto tot stilstand kwam tegen een aldaar geparkeerd staande auto. Wij zagen dat [verdachte] uit de personenauto stapte en wegrende. 9. Het proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005323361-11, d.d. 20 september 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 20 september 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 1]: Op 15 september 2005, omstreeks 07.45 uur, ben ik getuige geweest van een bijna aanrijding, waarbij mijn vriendin, genaamd [betrokkene 1], bijna onder een auto terecht was gekomen. In Maasdijk reed ik samen met [betrokkene 1] over de Korte Kruisweg. Wij wilden de kruising oversteken toen wij van achteren een luid getoeter van een auto hoorden die met hoge snelheid ons naderde. [Betrokkene 1] probeerde achter mij te komen om de auto er langs te kunnen laten. Toen kwam de auto langs [betrokkene 1] en mij. Ik kon [betrokkene 1] nog net wegtrekken. De auto scheurde langs [betrokkene 1] en mij. De auto probeerde te remmen. Ik zag dat de auto begon te slippen. Vervolgens gleed de auto over de vluchtheuvel en gleed verder over de kruising. Ik zag dat de auto vervolgens door gleed naar een geparkeerd staande grijze auto. Daar kwam die auto tot stilstand. Ik zag dat de man in de auto uitstapte en hard wegliep." 10. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het ernstig vermoeden rijst dat de verdachte niet, zoals bewezen is verklaard, de veiligheid op de weg in gevaar heeft gebracht door zijn rijgedrag maar dat dit zou moeten worden toegeschreven aan de omstandigheid dat de achterbanden van de auto leeg waren. Aan die opvatting wordt de stelling ten grondslag gelegd dat het van algemene bekendheid is dat een personenauto gaat slingeren en niet meer onder controle te houden is wanneer daarvan de achterbanden leeg zijn. Dat laatste zou ik niet zonder meer als van algemene bekendheid durven aannemen. De verdachte had zijn voertuig toch onder controle kunnen houden en eventueel brengen toen hij tijdens het achteruit rijden merkte dat deze - zoals in de stelling besloten ligt - niet normaal reageerde. Die mogelijkheid heeft hij niet benut. Daarbij teken ik aan dat niet goed voorstelbaar is dat de verdachte niet meteen toen hij achteruit reed heeft gemerkt dat er met de achterbanden iets mis was. 11. Ook anderszins doet genoemde omstandigheid niet het ernstig vermoeden rijzen dat de verdachte door de bewezenverklaarde wijze van rijden de veiligheid op de weg niet in gevaar heeft gebracht. Ook indien inderdaad van algemene bekendheid zou zijn dat een voertuig met lege achterbanden achteruitrijdend gaat slingeren en niet onder controle is te houden, dan neemt dit niet weg dat de verdachte, zodra hij merkte dat hij zijn voertuig niet onder controle had, niet - zoals hij ter voorkoming van verder gevaar had moeten doen - is gestopt maar met hoog toerental achteruit is blijven rijden en dusdoende het aanvankelijk aan de lege achterbanden veronderstellenderwijs toe te schrijven gevaar in stand heeft gehouden. 12. Het middel faalt. 13. Het derde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wordt er op gewezen dat het Hof heeft bewezenverklaard dat door de gedragingen van de verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt en niet dat daardoor gevaar kon worden veroorzaakt. Voorts wordt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt door slingerend te rijden en tegen stoepranden te botsen. 14. Art. 5 WVW'94 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt (...)." 15. Het middel miskent dat van het in gevaar brengen als bedoeld in art. 5 WVW1994 sprake kan zijn wanneer de rijwijze van de verdachte, zoals in het onderhavige geval, getuigt van het onvoldoende onder controle hebben van het voertuig; zie HR 5 maart 1968, NJ 1969, 71, m.nt. Enschedé ten aanzien van in een slip raken (art. 25 WVW oud(1), waarin evenals in art. 5 WVW1994 mede wordt gesproken van het in gevaar kunnen brengen(2)). HR 6 november 1990, NJ 1991, 257 (eveneens ten aanzien van art. 25 WVW oud) maakt dit niet anders omdat daar juist van een gecontroleerde gedraging sprake was waarvan de bestuurder kon kiezen deze te verrichten onder zodanige omstandigheden - wanneer ter plaatse niet regelmatig verkeer aanwezig placht te zijn - dat door die gedraging - in casu rijden door rood licht - de veiligheid op de weg niet in gevaar wordt gebracht. 16. Gelet op de in de bewezenverklaring beschreven wijze van rijden waardoor het gevaar is veroorzaakt, is bewijsmiddel 9, dat niet van links naar rechts slingeren en tegen stoepranden aanrijden beschrijft, overbodig. Hierover wordt echter niet geklaagd. 17. Het middel faalt. 18. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. 19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie over de twijfel van de wetgever aan de noodzaak aan de tekst van de wet toe te voegen dat de veiligheid op de weg in gevaar kan worden gebracht Gevaar en schuld op de weg Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1979, p. 46 e.v. 2 Omdat de wetgever niet heeft laten blijken met deze rechtspraak ten aanzien van art. 25 WVW te willen breken meen ik dat deze rechtspraak niet is achterhaald. Zo ook J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht, p. 156 e.v. Krabbe (A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe, De Wegenverkeerswet 1994, Een strafrechtelijk commentaar, 2e, p. 91) acht voortzetting van deze rechtspraak gelet op de tekst van art. 5 WVW1994, met name gezien het naast elkaar strafbaar stellen van hinder veroorzaken en hinder kunnen veroorzaken, niet vanzelfsprekend.


Uitspraak

20 januari 2009 Strafkamer nr. 01886/07 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 december 2006, nummer 22/003895-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wondende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 2. Beoordeling van het derde middel 2.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. 2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 4 bewezenverklaard dat: "hij op 15 september 2005 te Maasdijk, gemeente Westland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de openbare weg, - slingerde van links naar rechts en - tegen stoepranden aanreed door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt." 2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen: "Op 15 september, 2005, omstreeks 07.30 uur, stonden wij, op de openbare weg, de Van den Rijnstraat te Maasland. Wij stonden daar de personenauto, merk Honda, type Civic, gekentekend [AA-00-BB], af te posten. Dit voertuig stond op naam van: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]. Wij zagen, omstreeks 07.40 uur, dat er een personenauto van het merk Peugeot type 205 aan kwam rijden. Wij zagen dat zich in deze personenauto drie mannen bevonden. Een van deze personen herkenden wij als zijnde de eerder genoemde kentekenhouder van de Honda Civic: [verdachte]. Wij zagen dat [verdachte] uit de Peugeot 205 stapte en naar de Honda Civic toe liep. Wij zagen verder dat [verdachte] met een sleutel de bestuurdersdeur van de Honda Civic opende en achter het stuur ging zitten. Hierop zagen en hoorden wij dat [verdachte] de motor van de auto startte. Wij zagen dat [verdachte] het parkeervak uit reed. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], teneinde de doorgang te belemmeren het dienstmotorvoertuig dwars op de weg gezet. De eerder genoemde Honda Civic kwam vervolgens op ongeveer een meter van ons dienstmotorvoertuig tot stilstand. Vervolgens ben ik verbalisant, [verbalisant 2], uit het dienstmotorvoertuig gestapt en in de richting van de Honda Civic gerend teneinde [verdachte] aan te houden. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag vervolgens dat [verdachte] mij op dat moment recht in mijn ogen aan keek. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat [verdachte] sterk accelererend en met een hoog toerental achteruit weg reed te Maasdijk, gemeente Westland. Wij zagen verder dat [verdachte] terwijl hij achteruit reed verschillende malen met zijn achterwielen tegen stoepranden aan reed. Verder zagen wij dat [verdachte] van links naar rechts over de weg slingerde. Wij hoorden en zagen dat de verdachte tot aan de Nassaustraat achteruit bleef rijden met een hoog toerental. Wij zagen dat de personenauto vervolgens met doorslippende banden en sterk accelererend optrok in de richting van de Korte Kruisweg. Wij hebben de achtervolging voortgezet. Wij reden op dat moment op ongeveer 30 meter afstand van de eerder genoemde Honda Civic. Wij zagen dat de personenauto de Korte Kruisweg op reed. Wij hoorden een luide knal en zagen dat de personenauto tot stilstand kwam tegen een aldaar geparkeerd staande auto. Wij zagen dat [verdachte] uit de personenauto stapte en wegrende." b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]: "Op 15 september 2005, omstreeks 07.45 uur, ben ik getuige geweest van een bijna aanrijding, waarbij mijn vriendin, genaamd [betrokkene 1], bijna onder een auto terecht was gekomen. In Maasdijk reed ik samen met [betrokkene 1] over de Korte Kruisweg. Wij wilden de kruising oversteken toen wij van achteren een luid getoeter van een auto hoorden die met hoge snelheid ons naderde. [Betrokkene 1] probeerde achter mij te komen om de auto er langs te kunnen laten. Toen kwam de auto langs [betrokkene 1] en mij. Ik kon [betrokkene 1] nog net wegtrekken. De auto scheurde langs [betrokkene 1] en mij. De auto probeerde te remmen. Ik zag dat de auto begon te slippen. Vervolgens gleed de auto over de vluchtheuvel en gleed verder over de kruising. Ik zag dat de auto vervolgens door gleed naar een geparkeerd staande grijze auto. Daar kwam die auto tot stilstand. Ik zag dat de man in de auto uitstapte en hard wegliep." 2.4. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het betoogt dat het uit de inhoud van bewijsmiddel 9, hiervoor weergegeven onder 2.3 sub b, blijkende gevaar voor in de desbetreffende verklaring genoemde [betrokkene 1] niet is veroorzaakt door het rijgedrag van de verdachte, zoals dat is bewezenverklaard. Dat rijgedrag zou daaraan voorafgaand hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft aan dat bewijsmiddel evenwel kennelijk niet meer ontleend dan het gegeven dat zich ten tijde van het bewezenverklaarde rijgedrag ander verkeer ter plaatse bevond. 3. Beoordeling van de overige middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 januari 2009.