Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG5715

Datum uitspraak2008-11-25
Datum gepubliceerd2008-12-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.015.713/01
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer


Indicatie

Daargelaten of hoger beroep tegen een tussenbeslissing als de onderhavige (strekkende tot aanhouding van de beslissing) in zijn algemeenheid mogelijk is, overweegt het hof dat met betrekking tot een beslissing op een verzoek tot schorsing slechts beroep mogelijk is in de in artikel 38 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet (verder: Gdw) genoemde gevallen, te weten in geval door de kamer een beslissing is genomen tot schorsing van een gerechtsdeurwaarder of van een beslissing tot verlenging van een zodanige schorsing en van een besluit tot opheffing van een schorsing. In dat geval kent artikel 38 lid 6 Gdw aan de Minister van Justitie en aan de betrokken gerechtsdeurwaarder de bevoegdheid toe om – binnen dertig dagen na de mededeling als bedoeld in artikel 38 lid 2 Gdw – beroep in te stellen bij dit hof. Hoewel zeer goed denkbaar zou zijn dat de KBvG als beroepsorganisatie gelet op haar wettelijke taak eveneens bevoegd zou zijn tot het indienen van onderhavige verzoeken, heeft de wetgever daar kennelijk niet voor gekozen. Nu de beslissing waarvan beroep niet is een beslissing in de zin van artikel 38 lid 2 Gdw en dit beroep bovendien niet is ingesteld door een van de aldaar genoemden, dient de KBvG in het door haar ingestelde hoger beroep reeds op die grond niet ontvankelijk te worden verklaard.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 25 november 2008 in de zaak onder nummer 200.015.713/01 van: KONINKLIJKE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS, gevestigd te ‘s-Gravenhage, APPELLANTE, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, t e g e n [naam], gerechtsdeurwaarder te [plaats] GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 7 oktober 2008 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - namens appellante, verder te noemen de KBvG, waarbij zij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing onder nummer 405.2008 van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 26 september 2008. 1.2. De kamer heeft bij die beslissing, op het verzoek tot schorsing iedere beslissing tot dinsdag 20 januari 2009 pro forma aangehouden en voorts is op de klacht iedere verdere beslissing aangehouden. 1.3. Bij beslissing van dit hof van 4 november 2008 is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris mr A.L.G.A. Stille ter mondelinge behandeling. 1.4. Daarop is de zaak door de aangewezen rechter-commissaris op 5 november 2008 behandeld ter openbare terechtzitting van het hof. De KBvG, in de persoon van haar voorzitter de heer mr. J.M. Wisseborn, en de beide gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van de KBvG heeft zijn pleitnotitie aan het hof overgelegd. 2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1. Namens de KBvG is aangevoerd dat zij in haar beroep ontvankelijk is op grond van het bepaalde in artikel 45 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna ook aan te duiden met Gdw), aangezien die bepaling de mogelijkheid opent tot het instellen van beroep tegen iedere beslissing van de kamer. Bovendien – aldus de KBvG – ziet artikel 38 lid 6 Gdw niet op de mededeling in artikel 36 lid 2 Gdw. De kamer weigert op het verzoek van de KBvG tot schorsing van de gerechtsdeurwaarder bij wege van ordemaatregel een beslissing te nemen en een schorsing op grond van 38 lid 1 Gdw staat zo dicht bij de klacht dat ook op die grond artikel 45 Gdw te dezen toepasselijk is. 2.2. De gerechtsdeurwaarder heeft de ontvankelijkheid van de KBvG om in appel te komen van de beslissing van 26 september 2008 gemotiveerd bestreden. 2.3. Daargelaten of hoger beroep tegen een tussenbeslissing als de onderhavige (strekkende tot aanhouding van de beslissing) in zijn algemeenheid mogelijk is, overweegt het hof dat met betrekking tot een beslissing op een verzoek tot schorsing slechts beroep mogelijk is in de in artikel 38 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet (verder: Gdw) genoemde gevallen, te weten in geval door de kamer een beslissing is genomen tot schorsing van een gerechtsdeurwaarder of van een beslissing tot verlenging van een zodanige schorsing en van een besluit tot opheffing van een schorsing. In dat geval kent artikel 38 lid 6 Gdw aan de Minister van Justitie en aan de betrokken gerechtsdeurwaarder de bevoegdheid toe om – binnen dertig dagen na de mededeling als bedoeld in artikel 38 lid 2 Gdw – beroep in te stellen bij dit hof. Hoewel zeer goed denkbaar zou zijn dat de KBvG als beroepsorganisatie gelet op haar wettelijke taak eveneens bevoegd zou zijn tot het indienen van onderhavige verzoeken, heeft de wetgever daar kennelijk niet voor gekozen. Nu de beslissing waarvan beroep niet is een beslissing in de zin van artikel 38 lid 2 Gdw en dit beroep bovendien niet is ingesteld door een van de aldaar genoemden, dient de KBvG in het door haar ingestelde hoger beroep reeds op die grond niet ontvankelijk te worden verklaard. Het beroep van de KBvG op artikel 45 lid 1 Gdw treft geen doel, nu die bepaling ziet op beslissingen van de kamer inzake een tegen een gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar als bedoeld in artikel 37 lid 2 Gdw. Mede gelet op de verwijzing in artikel 45 lid 1 Gdw naar de mededeling als omschreven in artikel 43 lid 6 Gdw brengt een redelijke uitleg van artikel 45 lid 1 Gdw met zich dat laatstgenoemde bepaling slechts ziet op beslissingen als bedoeld in artikel 43 Gdw. 2.4. Dit leidt tot de volgende beslissing. 3. De beslissing Het hof: - verklaart appellante kennelijk niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L. Verheij en L.J. Saarloos en uitgesproken op dinsdag 25 november 2008 door de rolraadsheer. Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beslissing van 26 september 2008 als bedoeld in artikel 38 lid 1 en artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderwet in klacht met zaaknummer 405.2008 van: DE KONINKLIJKE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS, gevestigd te ‘s-Gravenhage, klaagster, gemachtigde mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde, gemachtigde [ ], advocaat te [ ]. Verloop van de procedure Bij brief van 5 september 2008 heeft het bestuur van klaagster een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder, tevens houdende een verzoek om de gerechtsdeurwaarder in afwachting van een beslissing daarop te schorsen. Bij aangetekende brief met bericht van ontvangst van 9 september 2008 is de gerechtsdeurwaarder opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van 16 september 2008 teneinde te worden gehoord op het verzoek van klaagster tot toepassing van artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Het schorsingsverzoek is behandeld ter zitting van 16 september 2008, alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder, evenals de gemachtigde van klaagster vergezeld door de voorzitter van klaagster zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is de behandeling aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen onderling nader overleg te voeren. Partijen dienden uiterlijk 23 september 2008 schriftelijk mede te delen of voorzieningen getroffen kunnen worden als alternatief voor de gevraagde schorsing. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden. a) De gerechtsdeurwaarder oefent een gerechtsdeurwaarderspraktijk met als vestigingsplaatsen [ ] en [ ]. b) Met ingang van 1 september 2008 is een waarnemer benoemd op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. c) Bij brief van 5 september 2008 heeft klaagster een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder en tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet. d) Op 11 september 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder voor zichzelf en als (middellijk) bestuurder van zijn vennootschappen, de heer [ ] een algemene volmacht verstrekt om samengevat zijn zaken te beheren, zijn belangen waar te nemen, voor zijn rechte op te komen en hem daarbij te vertegenwoordigen. e) De gerechtsdeurwaarder is op 17 september 2008 vertrokken naar het buitenland teneinde een medische behandeling te ondergaan. Bij brief van 18 september 2008 heeft de raadsman van klaagster de raadsman van de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat zijn cliënte onder na te melden voorwaarden bereid is om het verzoek tot onmiddellijke schorsing voor onbepaalde tijd aan te houden. 1. [ ] verzoekt het Ministerie binnen een dag na heden gerechtsdeurwaarder [ ] uit [ ] voor onbepaalde tijd aan te stellen als zijn waarnemer. 2. [ ] (althans zijn holding) treedt binnen een dag na heden af als (middellijk) bestuurder van zijn praktijkvennootschappen [ ] B.V. en werkt mee aan de benoeming van de heer [ ] tot (tijdelijk) directeur van die vennootschappen (met alle bevoegdheden) en aan inschrijving daarvan bij de Kamer van Koophandel. 3. De door de heer [ ] in redelijkheid te maken kosten, komen voor rekening van de vennootschappen waarvan hij als bestuurder zal optreden. 4. [ ] levert de sleutels van zijn kantoren en alle bankpassen en betaalmiddelen met betrekking tot de rekeningen van zijn kantoren in bij de heer [ ]. 5. [ ] zal zich zolang deze situatie voortduurt onthouden van het benaderen van medewerkers van zijn kantoren. Wel zal de gerechtsdeurwaarder actief meewerken aan alles wat nuttig en nodig is voor de voortzetting van zijn kantoren. Hij zal de heer [ ] alle benodigde informatie en gegevens verstrekken. Ook zal de gerechtsdeurwaarder actief meewerken aan het desgevraagd verstrekken van informatie over de financiële situatie van zichzelf en zijn holding aan het Bureau Financieel Toezicht. 6. [ ] dient zich tegenover derden onthouden van alles wat schadelijk kan zijn voor zijn kantoren en voor het ambt van gerechtsdeurwaarder. Tevens dient hij zich te onthouden van kritiek op zijn waarnemer, zijn personeelsleden en de gang van zaken. 7. Deze situatie kan niet op enkel initiatief van [ ] worden beëindigd. De heer [ ] bepaalt - in overleg met cliënte - het moment waarop hij zal terugtreden als waarnemer en bestuurder. 8. [ ]zal zich niet ontrekken aan de medische behandeling van zijn [ ] probleem en zal deze pas laten beëindigen zodra dit volgens de behandelaars verantwoord is. 9. Indien [ ] niet met deze voorwaarden instemt, zich daar niet aan zal houden of zich op een andere wijze zal gedragen in strijd met de intentie van deze regeling, zal cliënte de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders daarover onverwijld informeren en verzoeken om alsnog onmiddellijke schorsing uit te spreken. Met het bovenstaande heeft cliënte geen andere intentie dan het creëren van de meest veilige voorwaarden voor het voortbestaan van de kantoren en de terugkeer van de gerechtsdeurwaarder. f) Bij brief van 19 september 2008 heeft de raadsman van de gerechtsdeurwaarder de raadsman van klaagster onder meer het volgende medegedeeld. 1. Aanstaande maandag, derhalve 22 september 2009, zal door [ ] worden meegewerkt aan benoeming van [ ] voor onbepaalde tijd als waarnemer. 2. De door [ ] in redelijkheid te maken kosten komen voor rekening van de vennootschappen. 3. De heer [ ] levert de sleutels van de kantoren, de bankpassen en de betaalmiddelen, betrekking hebbende op de kantoorvoering in bij de heer [ ]. Deze zal in overleg met [ ] treden. 4. Als vanzelfsprekend zal de heer [ ] zich onthouden van het benaderen van medewerkers van de kantoren en, voor zover vereist, meewerken aan al datgene wat noodzakelijk is om de kantoren draaiende te houden. Daarbij zal als vanzelfsprekend de benodigde informatie en gegevens worden verstrekt. Voorts zal alle medewerking worden verleend aan het BFT. 5. Alinea 6 van uw telefax is als vanzelfsprekend akkoord. Ditzelfde geldt echter ook voor medewerkers en de KBvG. 6. Met betrekking tot alinea 7 denk ik dat slechts in overleg kan worden gekomen tot beëindiging van deze situatie. Wij dienen echter wel vast te leggen wanneer dat overleg kan worden geopend en wat de criteria voor dit overleg zullen zijn. 7. Artikel 8 is vanzelfsprekend akkoord. 8. Met betrekking tot artikel 9 heb ik moeite met de omschrijving de intentie van deze regeling. Wij dienen duidelijkheid te scheppen omtrent de situatie, en, zoals u ongetwijfeld bekent, wordt een groot deel van de procedures bij de Rechtbanken gevoerd omtrent intenties. Ik zou hier derhalve een duidelijkere omschrijving van willen. g) Bij brief van 22 september 2008 heeft de raadsman van de gerechtsdeurwaarder de Kamer en de raadsman van klaagster onder meer het volgende medegedeeld: "Binnen het kader van de voorwaarden, zoals die zijn gesteld door de KBvG, kan de heer [ ], zelfs als zou hij de machtiging aan de heer [ ] intrekken, geen contact kan hebben met zijn personeel, noch hen op enigerlei wijze opdrachten geven. Daarbij teken ik aan dat, indien en voor zover zulks wel het geval zou zijn, het vanzelfsprekend is, zoals ik ter terechtzitting ook aan u heb medegedeeld dat alsdan alsnog tot schorsing zou kunnen worden, indien en voor zover de heer [ ] zich niet aan de voorwaarden houdt. Het benoemen van een derde tot bestuurder van de vennootschappen brengt ook praktische problemen met zich mee, in verband met de bijvoorbeeld thans bestaande onbekendheid met onder andere de statuten van de vennootschappen, de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschappen en ik teken daarbij aan dat de risico’s voor een nieuwe bestuurder, bij aanvaarding van zijn benoeming zonder dat deze zich heeft kunnen inwerken in de situatie van de vennootschappen, aanzienlijk zijn." h) Bij brief van 23 september 2008 heeft de raadsman van klaagster de Kamer onder meer medegedeeld dat zijn cliënte eraan hecht dat [ ] zal aftreden als bestuurden van zijn vennootschappen omdat het anders mogelijk blijft dat hij derden namens de vennootschappen opdrachten verstrekt en dat hij zijn medewerkers zal instrueren. Klaagster acht dat absoluut onwenselijk en wil dat risico uitsluiten, zowel in het belang van de beroepsgroep, als in het belang van het kantoor en de heer [ ] zelf. Als de heer [ ] weigert deze voorwaarden te accepteren, handhaaft de klaagster haar verzoek om onmiddellijke schorsing. 2. De klacht en het verzoek 2.1 In haar brief van 5 september 2008 heeft klaagster naar voren gebracht dat twee aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder verbonden kandidaat-gerechtsdeurwaarders zich schriftelijk tot klaagster hebben gewend. In die brief hebben de gerechtsdeurwaarders verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat de gerechtsdeurwaarder een [ ]verslaving heeft en niet langer kan functioneren als een goed gerechtsdeurwaarder betaamt. Gezien de door de kandidaat-gerechtsdeurwaarders afgelegde verklaringen is er een ernstig vermoeden gerezen dat de gerechtsdeurwaarder handelingen en of verzuimen heeft gepleegd als omschreven in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Op grond daarvan wordt een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder wegens het handelen in strijd met artikel 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels. Klaagster verzoekt de Kamer de in de brief van de kandidaat-gerechtsdeurwaarders omschreven gedragingen te onderzoeken. 2.2 Gezien de ernst van de feiten verzoekt klaagster de Kamer tevens haar in artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet gegeven bevoegdheid toe te passen en de gerechtsdeurwaarder met onmiddellijke ingang te schorsen in afwachting van een beslissing op de tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht. 2.3 Klaagster acht de situatie ernstig. Indien de aan het adres van de gerechtsdeurwaarder geuite beschuldigingen juist blijken te zijn, lijkt er alle reden om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder nog de bevoegdheid heeft om ambtshandelingen te verrichten, over (derden-) gelden te beschikken of anderszins beschikkingshandelingen te verrichten. 3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder 3.1 De gerechtsdeurwaarder heeft samengevat aangevoerd dat klaagster veel te snel is geweest met de indiening van het verzoek tot schorsing en de klacht. Zij heeft de zaak te formeel behandeld. Er is door klaagster geen zelfstandig nader onderzoek gedaan naar de juistheid van de gestelde feiten. Er is geen hoor en wederhoor toegepast. Dit geldt temeer omdat het Bureau Financieel Toezicht onderzoek heeft gedaan op 9 september 2008. Dat onderzoek heeft tot nu toe geen feiten naar boven gebracht op basis waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de bedrijfsvoering op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden. Op grond van het ontbreken van feitelijke vaststellingen omtrent de bedrijfsvoering kan geen schorsing worden uitgesproken . 3.2 Bovendien doet zich de situatie voor dat in onderling overleg met de gerechtsdeurwaarder door de Minister van Justitie een waarnemer is aangesteld om de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid te stellen zijn gezondheidsituatie weer op orde te brengen en de bedrijfsvoering van het kantoor te verzekeren. Het vreemde van deze situatie is dat kort daarna onderhavige klacht wordt ingediend. De klagers moeten al langer op de hoogte zijn geweest van de problemen van de gerechtsdeurwaarder met zijn gezondheid. Probleem daarbij is dat de feiten zoals die in de klachtbrieven van de kandidaat-gerechtsdeurwaarders naar voren zijn gebracht, door andere personeelsleden grotendeels worden ontkend. Door ander personeel van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder is telefonisch medegedeeld dat een aantal door de kandidaat-gerechtsdeurwaarders naar voren gebrachte feiten en omstandigheden uit zijn verband zijn gehaald en geen weergave zijn van de werkelijkheid. Gezien de ontstane situatie was dit personeel niet bereid hun namen te noemen, doch het ligt op de weg van klaagster om, alvorens een dergelijk verzoek te doen, zich ervan te vergewissen dat de klachtbrieven ook daadwerkelijk zijn gebaseerd op verifieerbare feiten. 3.3 Er zijn momenteel geen urgente financiële problemen bekend die een schorsing rechtvaardigen. De derdenrekening van het kantoor is gedekt en er zijn voor zover bekend geen urgente problemen met de normale financiële bedrijfsvoering. Zoals uit het overleg tussen het personeel en de gerechtsdeurwaarder is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder zich ervan bewust is dat hij een tijd nodig heeft om zijn gezondheidssituatie weer op orde te brengen. Hij is inmiddels afgereisd naar een kliniek in [ ]. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder een algehele volmacht verstrekt aan de heer [ ] die zijn zaken kan waarnemen. De beste oplossing zou zijn om op grond van de door de gerechtsdeurwaarder verstrekte onherroepelijke volmacht over te gaan tot benoeming van een onafhankelijke waarnemer op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder die in nauw overleg met [ ] de zaken kan waarnemen. Daarmee zou de noodzaak van een schorsing komen te vervallen en zou de adequate bedrijfsvoering van het kantoor zijn verzekerd en behoeft ook geen aandacht te worden besteed aan eventuele andere belangen, die binnen het kader van de onderhavige klachtprocedure naar voren zouden kunnen komen. De gerechtsdeurwaarder heeft een groot persoonlijk en zakelijk belang bij dat geen schorsing wordt uitgesproken in zijn situatie. Zijn persoonlijke omstandigheden en zijn carrière staan op het spel. Door een schorsing zou de gerechtsdeurwaarder dubbel worden getroffen. Dat kan niet de bedoeling zijn mede gezien hetgeen is gesteld met betrekking tot de onderbouwing van het verzoek, het gebrek aan onderzoek door klaagster en de maatregelen die de gerechtsdeurwaarder zelf heeft getroffen. Verzocht wordt het verzoek af te wijzen danwel aan te houden totdat nader onderzoek meer duidelijkheid heeft geschapen omtrent de gestelde feiten. De noodzaak aan het verzoek tot schorsing ontbreekt omdat de gerechtsdeurwaarder alle medewerking zal verlenen aan maatregelen van klaagster. 4. De beoordeling van het verzoek 4.1 Bij de beoordeling van dit verzoek geldt als uitgangspunt dat de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders bevoegd is, een gerechtsdeurwaarder tegen wie een ernstig vermoeden is gerezen dat hij een van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen heeft gepleegd, in afwachting van een beslissing hierover te schorsen voor een periode van ten hoogste zes maanden. Blijkens de memorie van toelichting op artikel 30 (thans 38) van de Gerechtsdeurwaarderswet kan, ingeval er ernstige bezwaren tegen een gerechtsdeurwaarder zijn gerezen, het aangewezen zijn hem met onmiddellijke ingang te schorsen teneinde het aanzien van het ambt te beschermen. Het betreft hier een autonome bevoegdheid van de Kamer. Een schorsing heeft alleen betrekking op de ambtelijke taken (art. 50 Gdw). Met betrekking tot de niet-ambtelijke werkzaamheden heeft de schorsing geen effect . 4.2 Op grond van alle omstandigheden van het geval en gezien de gestelde voorwaarden en de reactie daarop van de raadsman van de gerechtsdeurwaarder komt de Kamer het geraden voor de behandeling van het schorsingsverzoek en de klacht aan te houden tot de hierna te melden pro forma datum. De Kamer acht hiermee het met de schorsingsbevoegdheid beschermde belang (de bescherming van het aanzien van het ambt) voldoende gewaarborgd. De Kamer heeft daarbij meegewogen dat ter zitting is medegedeeld dat uit het onderzoek van het BFT niet gebleken is dat er thans financiële problemen zijn, en dat het financiële toezicht op het kantoor is verscherpt. 4.3 Het verzoek wordt aangehouden onder de voorwaarde dat de gerechtsdeurwaarder zich houdt aan de voorwaarden waarmee hij akkoord is gegaan en zoals hiervoor omschreven onder 1.f. Voor wat betreft de voorwaarde om de heer [ ] tot waarnemer te benoemen geldt, dat de gerechtsdeurwaarder daarvoor uiteraard afhankelijk is van een beslissing van de Minister van Justitie. Indien één van de voorwaarden niet wordt nagekomen, zal de Kamer op eerste verzoek van klaagster, na wederhoor van de raadsman van de gerechtsdeurwaarder, onmiddellijk op het verzoek tot schorsing van de gerechtdeurwaarder beslissen. Indien op genoemde datum blijkt dat nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan, zal het verzoek nogmaals kunnen worden aangehouden. 5. De klacht De datum van behandeling van de klacht zal worden bepaald op de genoemde pro forma datum. De Kamer is voornemens de klacht uiterlijk in het voorjaar 2009 te behandelen. Om de gerechtsdeurwaarder in staat te stellen persoonlijk de behandeling van de klacht bij te wonen is het bepalen van een datum op dit moment nog niet mogelijk, nu nog niet bekend is hoelang zijn verblijf [ ] in het buitenland zal duren. Partijen worden al wel opgedragen de feiten waarop de klacht gebaseerd is en het verweer daartegen nader te onderbouwen. De gerechtsdeurwaarder wordt tevens opgedragen de door het BFT opgemaakte rapportage van de gehouden controle tijdig voorafgaande aan de behandeling van de klacht over te leggen. 6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders: Op het verzoek tot schorsing: ? Houdt iedere verder beslissing aan tot dinsdag 20 januari 2009 (pro forma). De meest gerede partij dient de Kamer vooraf op de hoogte te brengen van de stand van zaken, met betrekking tot de naleving van de voorwaarden waarmee de gerechtsdeurwaarder akkoord is gegaan; Op de klacht: ? Houdt iedere verdere beslissing aan; ? Draagt klaagster op de in de brieven van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder gestelde feiten en omstandigheden nader te onderbouwen; ? Draagt de gerechtsdeurwaarder op zijn verweer nader te onderbouwen . ? Draagt de gerechtsdeurwaarder op de door het BFT naar aanleiding de gehouden controle op zijn kantoor opgemaakte rapportage over te leggen. Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2008 in tegenwoordigheid van de secretaris. Coll.: