
Jurisprudentie
BG5616
Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-04-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/11483
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/11483
Statusgepubliceerd
Indicatie
Conclusie AG o.m. over voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. HR: 81 RO.
Conclusie anoniem
Nr. 07/11483
Mr Machielse
Zitting 25 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 14 september 2004 heeft het hof Amsterdam verdachte op 27 september 2006 voor "medeplegen van zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 355 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf, bestaande in een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Mr. Y.W.G. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Ambtshalve merk ik op dat de zaak ter terechtzitting van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 voor de eerste maal is behandeld hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen (op 4 oktober 2006) van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4.1. Het middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde onvoldoende met redenen heeft omkleed. Met name zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, nu uit die bewijsmiddelen onder meer niet zou volgen tegen welke delen van het lichaam van het slachtoffer verdachte zou hebben geschopt; dat hij het slachtoffer zou hebben geschopt op het moment dat het slachtoffer op de grond lag en ook niet dat verdachte zich er van bewust was dat een ander het slachtoffer eerder zwaar lichamelijk letsel zou hebben toegebracht.
Bovendien klaagt het middel dat het hof de feiten onvolledig heeft weergegeven, nu in het arrest van het hof te 's-Gravenhage van 16 mei 2003 onder de bewijsmiddelen is opgenomen dat het slachtoffer met een honkbalknuppel is geslagen, waardoor aan hem zwaar lichamelijk letsel zou zijn toegebracht en dit geen onderdeel meer uitmaakt van het in 's hofs arrest van 27 september 2006, na verwijzing door de Hoge Raad, vastgestelde feitencomplex.
4.2. Bedoeld arrest van de Hoge Raad houdt als beslissing in dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het hof (Amsterdam) heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat hij:
"op 26 september 1999 te Rijswijk tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een aantal aangezichtsbreuken en een snijwond over het hoofd en schedelletsel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen tegen het hoofd te slaan en te schoppen."
4.3. De aanvulling bewijsmiddelen houdt het volgende in:
"1. Een proces-verbaal met nummer PL1561/1999/20798-78 van 4 oktober 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina's 183-184).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 oktober 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:
Ik ben op 26 september 1999 omstreeks 01.00 uur gebeld door [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1]). Deze vertelde mij dat hij problemen had met de apparatuur bij het verzorgen van de muziek op een feest bij [A] in Rijswijk. Ik ben vervolgens samen met [betrokkene 2] naar het feest gereden. Ik heb alles geïnstalleerd en ben weer weggegaan. Ik werd omstreeks 05.00 uur die dag gebeld om te helpen met opruimen. Wij hebben de spullen in de bus geladen. Ik was toen samen met [betrokkene 1], mijn neefje [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 2] en [betrokkene 5]. Ik zag dat [betrokkene 3] door een man werd geslagen in zijn gezicht. Ik ben naar de man gelopen die [betrokkene 3] sloeg en ik vroeg aan hem, waarom hij hem sloeg. Ik heb de eerste klap gekregen bij de kantine. Dit was door de man die ook [betrokkene 3] had geslagen. Toen ik van hem wegdraaide sloeg hij mij op de achterkant van mijn hoofd. Ik ben een stukje weggerend, maar ik kon niet meer vluchten voor de ongeveer 15 mannen die achter mij aan kwamen. Ik werd vervolgens door de mannen geslagen en geschopt en viel op de grond. Ik voelde dat dit schoppen en slaan veel pijn deed. Ik weet ook nog dat de mannen mij beetpakten en versleepten. Zij hebben mij half opgetild en in mijn gezicht geslagen en, toen ik weer op de grond lag, geschopt over mijn gehele lichaam.
Ik heb ook nu nog pijn aan de linkerzijkant van mijn borst en aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik heb ook hoofdpijn. Ik heb een plaat in mijn onderkaak zitten.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1561/1999/20798-19 van 26 september 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina's 79-8 1).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 september 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Op 26 september 1999 heb ik [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 1]) gebeld en hem gevraagd of hij wilde gaan kijken bij voetbalvereniging [A] te Rijswijk. Omstreeks 01.30 uur arriveerden [betrokkene 3] en ik bij voetbalvereniging [A]. Vlak voor 05.00 uur gaf [betrokkene 6] mij fl. 250,=. Hij vertelde mij dat ik maandag langs moest komen voor de rest van het geld. Hij vroeg mij toen of wij nog een uur langer konden spelen. Ik gaf aan dat wij dat niet zouden doen. Ik merkte toen dat er wrijving ontstond. Hij vroeg heel kwaad zijn geld terug. Ik zag dat om 05.00 uur de verlichting van de kantine werd ontstoken ten teken dat het feest afgelopen was.
[Betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 4] (het hof begrijpt [betrokkene 4]) en ik besloten om als razenden de spullen in te pakken en weg te wezen. Ik was bezig om de spullen in mijn auto te laden, toen ik zag dat [slachtoffer 1] aan kwam lopen. [Betrokkene 3], [slachtoffer 1], [betrokkene 5] en ik zijn teruggelopen om normaal met die mensen te praten en ze te bewegen het geld te geven. Ik zag en hoorde dat iemand uit die groep aan [betrokkene 3] vroeg of hij zijn geld wilde hebben terwijl hij hem met zijn vlakke hand in zijn gelaat sloeg. Wij hadden toen door dat het echt fout zou gaan. Ik zag dat het duwen werd. Wij zijn toen snel naar de auto gelopen. Ik zag dat [betrokkene 3] in wilde stappen. Ik zag toen dat hij door iemand van achter werd neergeslagen. Ik zag dat [slachtoffer 1] er tussen ging staan om de boel te sussen. Ik zag dat [slachtoffer 1] in de problemen zat. Ik zei tegen [slachtoffer 1]: kom we gaan. Het was zo heftig, dat wij geen kans meer zagen om in de bus te komen. Ik moedigde [slachtoffer 1] aan te blijven rennen want ik zag dat een menigte van ongeveer 15 personen achter ons aankwam. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] riep: "[betrokkene 1], ik kan niet meer." Ik zag dat [slachtoffer 1] te grazen werd genomen door de aanstormende groep personen. Ik zag dat men hem omlaag naar de grond trok. Ik zag dat men hem sloeg. Ik zag ook dat hij werd geschopt. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] om mij riep. Ik was niet bij machte om hem te ontzetten. Ik was een stukje verder gerend om de politie te bellen. Ik zag dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment opstond en mijn kant op kwam lopen. Ik zag dat hij toen begon te rennen. Ik hoorde halverwege het grasveld dat [slachtoffer 1] riep dat hij niet meer kon. Ik besloot toch verder te rennen om de politie nogmaals te bellen. Ik heb [slachtoffer 1] op het grasveld zien liggen terwijl hij voor de tweede keer in elkaar werd geslagen en geschopt. Korte tijd later zag ik dat de politie kwam. Ik zag dat [slachtoffer 1] langs de kant van de weg lag.
3. Een proces-verbaal van 27 september 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina's 99-101).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Op 27 september 1999 confronteerden wij middels een confrontatiespiegel in het bureau van politie de getuige [betrokkene 1], met de verdachte [verdachte], geboren [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats].
en als de op 27 september 1999 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
De persoon herken ik voor 100%. Ik heb deze jongen naar [slachtoffer 1] zien schoppen. Ik zag hem meerdere malen schoppen. Ik heb deze jongen ook achter ons aan zien rennen nadat [slachtoffer 1] was opgestaan. Ik heb deze jongen [slachtoffer 1] ook zien schoppen toen [slachtoffer 1] de tweede keer op de grond werd geslagen.
4. Een proces-verbaal met nummer PL 1561/1999/20798-49 van 28 september 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina's 126-128).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 september 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
Om 05.00 uur stopten wij met de muziek. Veel feestgangers waren behoorlijk onder invloed. Wij hebben onze geluidsapparatuur zo snel mogelijk in de bestelbus gezet. Het leek het beste zo snel mogelijk te vertrekken. Toen ik de spullen in de bus stond te laden, zag ik dat [slachtoffer 1] in een auto kwam aanrijden. Met hem was afgesproken dat hij om 05.00 uur weer terug zou komen om ons te helpen opruimen. Toen we alles hadden ingepakt, hoorde ik dat [betrokkene 3] om zijn geld vroeg en hoorde ik dat een man zei: ''Wat geld, je krijgt niets".
[Betrokkene 3] begon te rijden. Ik zag en hoorde dat er meerdere malen tegen de bus werd geschopt en geslagen. Ik zag dat [slachtoffer 1] in het gras op de grond lag, nabij het hek. Ik zag een groep mannen op [slachtoffer 1] inslaan en schoppen.
5. Een proces-verbaal met nummer PL 156 1/1999/20798-7 van 26 september 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerde pagina's 44-45).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Wij verbalisanten, hebben op 26 september 1999 te Rijswijk, Van Vredenburchweg aangehouden:
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]1961
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Op 26 september 1999 kregen wij, verbalisanten, de melding van de meldkamer Den Haag te gaan naar het Kruisvaarderspark te Rijswijk. Ter plaatse gekomen werden wij aangesproken door de opvallende surveillance van de politie Rijswijk. Deze collega's wezen ons een man die gewond op de grond lag. Deze man zou door een groep personen zijn mishandeld. De daders waren weggelopen naar de kantine van de sportvereniging. Wij zagen dat er uit de richting van deze sportvereniging een witte BMW kwam gereden. Wij spraken de inzittenden van dit voertuig aan met de vraag of zij iets hadden gezien van de eerder plaatsgevonden mishandeling.
Wij zagen dat een man (het hof begrijpt: verdachte), welke achter in de auto zat uit de auto stapte. Wij zagen dat de broek van deze man aan de onderzijde geheel besmeurd was met modder. Wij zagen dat de man een witte blouse droeg die geheel onder het bloed zat. Wij hoorden dat de man zei: "Ik heb net gevochten, vandaar het bloed op mijn blouse". Vervolgens, hielden wij de man aan.
6. Een proces-verbaal met nummer PL1561/1999/20798-13 van 26 september 1999, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina 46).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 september 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:
Ik was betrokken bij de vechtpartij.
7. Een aanvraagformulier medische informatie, inhoudende een verzoek van de politie Haaglanden van 20 oktober 1999 om medische informatie over [slachtoffer 1], geboren 19 maart 1967, en inhoudende voor zover van belang als verklaring van E.E.O. Hagebeuk, neuroloog, van 8 november 1999 (doorgenummerde pagina 357):
Omschrijving van het letsel:
a. uitwendig waargenomen letsel:
schedelletsel, snijwond midden over hoofd, meerdere aangezichtsbreuken
Bijzondere mededelingen:
I.v.m. meerdere aangezichtsbreuken werd [slachtoffer 1] geopereerd, controle door kaakchirurg.
I.v.m. schedelletsel observatie afdeling neurologie.
8. De verklaring van de getuige [slachtoffer 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 mei 2006.
Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Na het voorval kan ik niet veel meer onthouden.
Het hiervoor vermelde bewijsmiddel 7, wordt slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen."
4.4. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het hof de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad heeft afgedaan, nu immers de beslissing van de Hoge Raad inhoudt dat de rechter na verwijzing geacht wordt terug te keren in de toestand dat het onderzoek op een ontvankelijk te achten hoger beroep opnieuw aanvangt.(1) Het hof heeft niet bewezen geacht dat het slachtoffer met een honkbalknuppel is geslagen, hetgeen het hof vrij stond, gelet op de waarderings- en selectievrijheid van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal van de feitenrechter. Deze omstandigheid staat voorts aan de bewezenverklaring van (het medeplegen van) de zware mishandeling niet in de weg, zoals zal blijken uit het hierna volgende.
4.5. Het gaat in casu om een vechtpartij die, nadat het slachtoffer [slachtoffer 1] door een persoon achter op zijn hoofd is geslagen en weggerend is, onder te verdelen is in twee fasen, waarbij in eerste instantie op [slachtoffer 1] door vijftien mannen gezamenlijk geweld is uitgeoefend in de vorm van schoppen en slaan, waarbij [slachtoffer 1] naar de grond is gewerkt en toen nog steeds werd geslagen en geschopt, en welke geweldstoepassing, wederom bestaande uit het schoppen en slaan van het slachtoffer, verder is gegaan toen het slachtoffer een stuk verderop in het grasveld op de grond lag.
Omtrent het aandeel van verdachte aan deze vechtpartij houden de bewijsmiddelen in dat hij door getuige [betrokkene 1] voor 100% herkend is als de persoon die hij in de eerste fase - meerdere malen - naar [slachtoffer 1] heeft zien schoppen, die hij achter hen ([betrokkene 1] en [slachtoffer 1]) aan heeft zien rennen nadat [slachtoffer 1] was opgestaan en die hij [slachtoffer 1] ook heeft zien schoppen toen deze voor de tweede keer op de grond werd geslagen (bewijsmiddelen 2 en 3). Net na de vechtpartij was de broek van verdachte aan de onderzijde geheel besmeurd met modder en zat zijn witte blouse geheel onder het bloed. Verdachte heeft op dat moment tegenover de politie verklaard dat hij 'net gevochten had, vandaar het bloed op mijn blouse' (bewijsmiddel 5) en voorts 'dat hij betrokken was bij de vechtpartij' (bewijsmiddel 6).
4.6. Het hof heeft geen bijzondere overweging aan het bewezenverklaarde opzet gewijd. Daarom zal minstgenomen uit de gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken dat er bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
4.7. Hierbij is van belang hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, m.nt. YB, rov. 3.6:
"Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (...) is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard."
4.8. De bewijsmiddelen houden niets in omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan. Daarom zijn met name de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang.
Nadat het slachtoffer van een persoon de eerste klap achter op zijn hoofd heeft gekregen is hij een stukje weggerend maar hij kon niet meer vluchten voor de vijftien man die achter hem aan kwamen. [slachtoffer 1] riep nog: '[betrokkene 1], ik kan niet meer', maar hij werd door de aanstormende groep personen te grazen genomen; hij werd geslagen en geschopt en hij werd door die personen omlaag naar de grond getrokken. Dit slaan en schoppen deed volgens hem veel pijn en hij riep wederom om [betrokkene 1].
Toen het slachtoffer opstond en een stukje gelopen had riep hij halverwege het grasveld weer dat hij niet meer kon. Hij is op het grasveld voor de tweede keer in elkaar geslagen en geschopt. Het slachtoffer herinnert zich dat de mannen hem beetpakten en versleepten; zij hebben hem half opgetild en in zijn gezicht geslagen en toen hij weer op de grond lag, geschopt over zijn hele lichaam. Als gevolg van de vechtpartij heeft [slachtoffer 1] schedelletsel opgelopen, een snijwond midden over het hoofd en meerdere aangezichtsbreuken waarvoor hij is geopereerd, terwijl hij na het voorval niet meer veel kan onthouden.
4.9. Zoals reeds opgemerkt is gezien dat verdachte meerdere malen [slachtoffer 1] heeft geschopt nog vóór dat [slachtoffer 1] was opgestaan na de eerste geweldsaanval. Verdachte maakte dus in ieder geval op enig moment deel uit van de vijftien personen die gericht geweld uitoefende op het slachtoffer en heeft niet één, maar meermalen en dus gedurende in ieder geval enige tijd het slachtoffer geschopt. Toen [slachtoffer 1], nadat hij naar de grond was gewerkt en daar in elkaar was geslagen en geschopt, was opgestaan heeft verdachte zich nog steeds niet gedistantieerd van het gevecht, maar is hij achter [slachtoffer 1] (en [betrokkene 1]) aangerend, hetgeen toch ook enige tijd in beslag moet hebben genomen, en heeft hij, toen voor de tweede keer de aanval werd ingezet en [slachtoffer 1], inmiddels weer ter aarde gwerkt, over zijn hele lichaam door een groep mannen werd geschopt en geslagen, hieraan opnieuw zijn bijdrage geleverd door [slachtoffer 1] te schoppen. Terwijl het slachtoffer nog langs de kant van de weg lag, heeft verdachte zich reeds als één van de inzittenden in een voertuig geprobeerd uit de voeten te maken.
Aldus heeft verdachte deelgenomen aan een getalsmatig en in fysiek opzicht onevenwichtig gevecht, door niet alleen in een eerste fase het slachtoffer meermalen te schoppen maar tevens, na te hebben gezien - want dat kan niet anders, gelet op de bewijsmiddelen - hetgeen en in welke mate het slachtoffer werd aangedaan, opnieuw de gezamenlijke aanval in te zetten. De gedragingen van verdachte onder bovengenoemde omstandigheden kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, te weten het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Hieraan doet dan ook niet af dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (nog) nauwkeuriger volgt dan nu het geval is, waar en hoe verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt.
4.10. Dat er bij verdachte ten tijde van bedoelde gedragingen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan, kan derhalve uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is op dit punt naar behoren met redenen omkleed.
5. Tot slot geef ik nog mijn mening over enige overgeschoten onderdelen van de schriftuur.
In tegenstelling tot wat de steller van het middel betoogt onder 1 op blz. 4 van de schriftuur hoefde het hof het aandeel van verdachte in het geweld niet nader te specificeren.(2) Wat in het middel onder 3 te berde wordt gebracht geeft blijk van een verkeerde lezing van het aangevulde arrest omdat de bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten bieden voor het bewijs dat verdachte zelf ook heeft geschopt en geslagen. Een verkeerd begrip van medeplegen blijkt uit 5. Ingeval van een nauwe en volledige samenwerking hoeft niet te worden vastgesteld welk handelen van welke medepleger het gevolg heeft teweeggebracht. De medeplegers zijn over en weer verantwoordelijk voor de handelingen van de ander.(3) Dat een verdachte ontkent (6 in de schriftuur) hoeft aan een veroordeling niet in de weg te staan. Het hof heeft kennelijk de herkenning zoals opgenomen in bewijsmiddel 3, de wijze waarop verdachte is aangetroffen en de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd voldoende betrouwbaar geoordeeld voor een veroordeling. Dat is niet onbegrijpelijk. Onder 8 stelt het middel eisen die geen steun vinden in het recht of formuleert het vragen die niet relevant zijn. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte nauw en volledig heeft samengewerkt in alle fasen van de geweldpleging tegen het slachtoffer. Het bezwaar in 9 genoemd geeft blijk van een ontoereikende lezing van de bewijsmiddelen.
5. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en strekt ertoe dat de Hoge Raad deze straf zal verminderen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie onder meer HR 4 februari 1997, NJ 1997, 308, rov. 3.5.
2 HR 6 juli 2004, NJ 2004, 443.
3 HR 17 mei 1943, NJ 1943, 576.
Uitspraak
20 januari 2009
Strafkamer
nr. 07/11483
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 september 2006, nummer 23/003905-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van deze straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 228 uren bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 20 januari 2009.