
Jurisprudentie
BG5476
Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01591/07 P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01591/07 P
Statusgepubliceerd
Indicatie
De schriftuur bevat geen middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Betrokkene niet-ontvankelijk.
Conclusie anoniem
Nr. 01591/07 P
Mr Machielse
Zitting 25 november 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene = verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft op 17 januari 2007 verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16. 979-- (zestienduizendnegenhonderdnegenenzeventig euro) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Verdachte heeft tijdig en regelmatig cassatie ingesteld. Mr. T.P. Klaassen, advocaat te Helden, heeft een schriftuur ingezonden.
3. De schriftuur houdt - na er op gewezen te hebben dat de Hoge Raad bij arrest van 11 december 2007(1) de uitspraak van het hof Arnhem in de bijbehorende strafzaak onder meer wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3, 5 en 7 tenlastegelegde en de strafoplegging heeft vernietigd - niet meer dan het volgende in:
"Indien het Gerechtshof te Arnhem na nieuwe behandeling tot de uitspraak komt dat het sub 3, 5, en 7 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is te achten dan vervalt daarmee ook de grondslag voor de ontnemingsvordering en -veroordeling terzake die feiten sub 3 (32.630,=/4), 5 en 7 (7.286,=/4) en kan die veroordeling niet in stand blijven."
4. Van een middel in de zin van art. 437 lid 2 Sv kan slechts worden gesproken indien dat een (stellige en duidelijke) klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.(2)
Deze schriftuur bevat niets wat als een klacht in deze zin kan worden aangemerkt. De raadsman wijst de Hoge Raad er slechts op dat (een gedeelte van) het arrest in de ontnemingszaak niet in stand kan blijven indien voor de onderliggende feiten in de hoofdzaak waarover nog niet onherroepelijk is beslist, (uiteindelijk) geen veroordeling volgt.(3)
5. Wellicht ten overvloede wijs ik op art. 511i Sv:
"Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat."(4)
6. Nu de verdachte niet binnen de door art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie heeft doen indienen, kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 11 december 2007, LJN BB7127, nr. 00556/07.
2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 85 en de daarin besproken jurisprudentie waaronder HR 13 maart 2001, NJ 2001, 296 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 605.
3 HR 22 oktober 2002, NJ 2003, 154.
4 Zie onder meer HR 14 april 1998, NJ 1999, 75, m. nt. Kn.
Uitspraak
20 januari 2009
Strafkamer
nr. 01591/07 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 januari 2007, nummer 21-004097-05, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. T.P. Klaassen, advocaat te Helden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
2.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 januari 2009.