
Jurisprudentie
BG4795
Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01562/07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01562/07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bewijs steunfraude. In aanmerking genomen dat niet meer bewezen is verklaard dan dat verdachte “houder” is geweest van 2 auto’s en dat zij beschikking heeft gehad over “een bankrekening”, is – mede gelet op hetgeen door en namens verdachte is aangevoerd – zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk waarom de omstandigheid dat verdachte geen “inkomsten” heeft gemeld, kan leiden tot bewezenverklaring van het in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten gegevens te verstrekken.
Conclusie anoniem
Nr. S 01562/07
Mr. Bleichrodt
Zitting 18 november 2008 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft de verdachte op 26 januari 2007 ter zake van het "in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte is tijdig cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt over een ontoereikend gemotiveerde bewezenverklaring, in het bijzonder voor wat betreft het bewezenverklaarde opzet. In dat verband wordt aangevoerd dat het Hof niet voldoende heeft gereageerd op een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het opzet.
3.2.1 Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat:
"zij in de periode van 18 juli 2003 tot en met 1 februari 2005 te Utrecht meermalen, - telkens - in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, immers heeft verdachte toen daar - telkens - opzettelijk geen opgave gedaan dat zij, verdachte:
- in de periode voornoemd de beschikking had over een bankrekening bij [A] (rekeningnummer [001]) en
- in de periode van 18 juli 2003 tot 2 april 2004 houder was van en de beschikking had over een personenauto Mercedes, kenteken [AA-00-BB] (welke personenauto op 2 april 2004 een waarde had van ongeveer 23.500 euro) en
- in de periode van 1 april 2004 tot en met 25 januari 2005 de houder was van en de beschikking had over een personenauto, merk Mercedes, kenteken [CC-00-DD] (welke personenauto op 25 januari 2005 een waarde had van ongeveer 25.000 euro)."
3.2.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende in 's Hofs aanvulling op het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen:
"Voor zover in de hierna opgesomde bewijsmiddelen wordt verwezen naar het stamprocesverbaal wordt hiermee verwezen naar het door [verbalisant 1], sociaal rechercheur tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd SRU/20050089, gesloten en ondertekend op 17 augustus 2005 te Utrecht.
1. Het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant - zakelijk weergegeven- :
Verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], ontving vanaf 12 augustus 1997 tot en met 31 maart 2005 een bijstandsuitkering krachtens de Awb/WWB, van de gemeente Utrecht, naar de norm van alleenstaande ouder met 20% toeslag. Ingevolge art. 65 lid 2 van de Awb wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan belanghebbende, maandelijks voor de verstrekking van gegevens, formulieren (lVs) verstrekt. Zo ook aan [verdachte]. Om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen moesten op de IV's vragen beantwoord en/of veranderingen aangegeven worden met betrekking tot o.a. gezins-, woon-, arbeids- en inkomstenomstandigheden. Naar aanleiding van binnengekomen informatie, werd door mij, [verbalisant 1], onderzoek ingesteld naar de digitaal vastgelegde IV's ten name van verdachte. Hierbij zag ik, dat door de verdachte geen opgaaf was gedaan van enige vorm van inkomsten. Ik heb vervolgens een nader onderzoek ingesteld.
Uit onderzoek binnen de bestandgegevens van de RDW zag ik dat verdachte twee mercedessen op naam heeft gehad.
Uit de gegevens van de autotelex 2004 - 2 bleek de Mercedes, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] op 02-04-2004 een waarde te hebben van ongeveer € 23.500,
De Mercedes-Benz, SL 320 roadster, met het kenteken [CC-00-DD] zou op 25-01-2005 een waarde kunnen hebben van ongeveer € 25.000=.
Op 04-04-2005 heb ik nader onderzoek ingesteld naar de verzekeringsgegevens van de voertuigen met de kentekens [CC-00-DD] en [AA-00-BB]. De polis staat op naam van [verdachte]. Ik zag dat het jaarlijkse bedrag voor de autoverzekering bedraagt €1.593,63. In de administratie staat bankrekeningnummer [001] als het rekeningnummer van [verdachte] vermeld. Uit gegevens van de belastingdienst bleek dat door verdachte houderschapsbelasting is betaald voor de voertuigen voorzien van de kentekens [AA-00-BB] en [CC-00-DD].
Bij de betaling van deze belasting is onder andere gebruik gemaakt van de bankrekeningnummers [001].
Door mij werd op 19 april 2005 nader onderzoek ingesteld bij de woningbouwvereniging, genaamd [B]. Ik zag daar dat door verdachte vanaf 09-02-2004 een garage werd gehuurd op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Ik zag dat door verdachte [verdachte] een enkele keer betaald is via [A], met als bankrekeningnummer [001].
Uit onderzoek bij Interpay Nederland bleek dat bankrekeningnummer [001] een nummer is welke gevoerd wordt bij [A]. Deze rekening staat op naam van [verdachte]. Door [A] werd medegedeeld dat dit rekeningnummer op 31 oktober 1994 is geopend.
2. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, genummerd SRU/20050089, gesloten en getekend op 27 juli 2005 te Utrecht, als bijlage (p.23-25) gevoegd bij het stamproces-verbaal, inhoudende de verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven-:
Ik ontving van september 1997 tot februari 2005 een bijstandsuitkering van de gemeente Utrecht. Om elke maand in aanmerking te komen voor deze uitkering moest ik een door de sociale dienst van de gemeente Utrecht verstrekt inlichtingenformulier invulle[re]n. Ik weet wel dat door de wijze waarop ik deze formulieren invul het recht op en de hoogte van de uitkering wordt bepaald.
De formulieren die u mij toont herken ik. Ik herken de formulieren aan mijn handtekening en handschrift.
U vraagt mij naar twee mercedessen met de kentekens [AA-00-BB] en [CC-00-DD], welke op mijn naam hebben gestaan. Het klopt dat deze op mijn naam hebben gestaan van 18 juli 2003 tot en met 25 januari 2005.
Met de rekening met nummer [001] heb ik inderdaad wel eens rekeningen van die auto's betaald. Het geld welke ik van mijn relatie kreeg stortte ik op deze rekening en vervolgens werden de verzekering en wegenbelasting betaald. Ik heb de bankrekening bij [A] niet opgegeven aan de sociale dienst.
3. De verklaring van verdachte/getuige, afgelegd ter terechtzitting van het Gerechtshof Arnhem op 12 januari 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -:
Ik heb de auto's ook niet gemeld.
4. Schriftelijk bescheiden, zijnde inkomstenverklaringen (IV) Awb, verdachte betreffende, als bijlage (p. 167-p.187) gevoegd bij het stamproces-verbaal, betrekking hebbende op respectievelijk de perioden
a 01 juli 2003 - 31 juli 2003
b 01 augustus 2003 - 31 augustus 2003
c 01 september 2003 - 30 september 2003
d 01 oktober 2003 - 31 oktober 2003
e 01 november 2003 - 30 november 2003
f 01 december 2003 - 31 december 2003
g 01 januari 2004 - 31 januari 2004
h 01 februari 2004 - 29 februari 2004
i 01 maart2004 - 31 maart 2004
j 1 april 2004 - 30 april 2004
k 01 mei 2004 - 31 mei 2004
I 01 juni 2004 - 30 juni 2004
m 01 juli 2004 - 31 juli 2004
n 01 augustus 2004 - 31 augustus 2004
o 01 september 2004 - 30 september 2004
p 01 oktober 2004 - 31 oktober 2004
q 01 november 2004 - 30 november 2004
r 01 december 2004 - 31 december 2004
s 01 januari 2005 - 31 januari 200
t 01 februari 2005 - 28 februari 2005
u 01 maart 2005 - 31 maart 2005
en telkens inhoudende als de door verdachte ondertekende verklaring:
Ik heb niets verzwegen. Ik weet dat omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitkering direct aan SoZawe moeten worden gemeld.
5. Schriftelijke bescheiden, zijnde kentekeninformatie van het Centrum voor Vervoertechniek en Informatie (RDW) te Veendam, verdachte betreffende, als bijlage (p.105-106) gevoegd bij hat stamproces-verbaal, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -:
Kenteken: [AA-00-BB]
Merk: Mercedes-Benz
Type: C 230; sedan
Datum tenaamstelling: 18-07-2003
Naam: [verdachte]
Einde tenaamstelling: 02-04-2004
Kenteken: [CC-00-DD]
Merk: Mercedes-Benz
Type: SL 320 roadster
Datum tenaamstelling: 01-04-2004
Naam: [verdachte]
Einde tenaamstelling: 25-01-2005
6. Een schriftelijk bescheid, zijnde de bevindingen van een administratief vooronderzoek, verdachte betreffend, opgemaakt door [verbalisant 2], bijstandsconsulente afdeling West, als bijlage (p.8-12) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - :
Belanghebbende gaf toe dat ze de Mercedes-Benz op haar naam heeft staan. Hierbij vertelde ze het verhaal dat ze deze auto van haar vriend heeft gekregen. Belanghebbende wilde graag wat mobieler zijn. Haar dochter zit aan de andere kant van de stad op school en daarom is het makkelijker met een auto haar dochter naar school te brengen.
7. Een schriftelijk bescheid, zijnde een melding met rapportage van een verkeersongeval uit het Bedrijfsprocessen systeem van de politie, regio Utrecht, gemuteerd op 6 oktober 2003 verdachte betreffend, als bijlage (p.119-120) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -:
In de nacht van 4 oktober 2003 werd door een motorvoertuig diverse auto's beschadigd.
Betrokkene [verdachte] heeft aangifte gedaan. Betreft een Mercedes kleur paars, voorzien van kenteken [AA-00-BB]. Naam en adres eigenaar/houder: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] d.d. [geboortedatum] 1968."
3.2.3 Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt het proces-verbaal ter terechtzitting van 12 januari 2007 in, als verklaring van verdachte:
"De bankrekening bij [A] stond op mijn naam. De twee Mercedessen stonden ook op mijn naam. De twee auto's waren van [betrokkene 1]. Ik was de minnares van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] was getrouwd. Die [A]rekening is mijn eigen rekening, ik betaalde daar diverse zaken van (...).
Ik herinner me dat een van de auto's eens schade had. Ik heb toen contact gehad met de politie. Op pagina 120 van het dossier staat dat ik eigenaar ben van de auto. Het is logisch dat ik dat heb opgegeven, ik kon het moeilijk naar [betrokkene 1] doorsturen. Ik mocht de auto immers gebruiken"
De raadsman van verdachte heeft, voor zover hier relevant, ter terechtzitting het volgende aangevoerd:
"Zolang de verdachte een uitkering heeft gehad, heeft zij altijd alles volgens de regels gedaan en van alles opgave gedaan. Op een enig moment krijgt verdachte een relatie met [betrokkene 1]. Hij biedt haar een auto ter gebruik aan, maar [betrokkene 1] is getrouwd met een ander en zet om die reden de auto op naam van verdachte. Alle kosten werden betaald door [betrokkene 1]. Omdat de auto niet van verdachte was heeft zij de waarde van de auto niet opgegeven(..) Of verdachte opzet op het tenlastegelegde feit heeft gehad is mijns inziens onvoldoende onderbouwd. Er kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. (..) Betekent het niet opgeven van de [A]rekening en de auto's automatisch dat verdachte opzet hiertoe had en dat zij daarom kan worden veroordeeld? Volgens mij niet!"
3.3. De tenlastelegging is toegespitst op art. 227b Sr. Die bepaling houdt in:
"Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met (...).
3.4 De strekking van het aan verdachte gemaakte verwijt is kennelijk, kort gezegd, dat verdachte, die een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), onderscheidenlijk de Wet werk en bijstand (Wwb) ontving, opzettelijk niet aan de desbetreffende instantie heeft medegedeeld dat zij in het bezit was gekomen van een of meerdere vermogensbestanddelen, te weten een auto (die later is vervangen door een andere auto, welke auto's beide een aanzienlijke waarde hadden) en een bankrekening, welke vermogensbestanddelen van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op bijstand. Een en ander terwijl zij wist(1) dat die gegevens voor de vaststelling van haar uitkering van belang waren.
3.5 Dat het aangevoerde moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het (ontbreken van) opzet bij verdachte, lijkt mij voor betwisting vatbaar. Dat het Hof wat was betoogd niet als zodanig heeft aangemerkt, vind ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.
Iets anders is of het opzet, waaraan het Hof geen nadere bewijsoverweging heeft gewijd, uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Opmerking verdient dat de door het Hof tot het bewijs gebezigde 'inkomstenverklaringen' (bewijsmiddel 4) geen vragen bevatten met betrekking tot het vermogen, zodat de telkens tot het bewijs gebruikte slotzin daarvan naar het mij voorkomt niet kan meewerken voor het bewijs dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten relevante gegevens met betrekking tot haar vermogen aan de Sociale Dienst te verschaffen.
3.6 In de eerste plaats rijst echter de vraag of 's Hofs vaststelling dat van een op een wettelijk voorschrift gebaseerde inlichtingenplicht sprake was, mede in aanmerking genomen het gevoerde verweer, toereikend is gemotiveerd. In dit verband is tegenwoordig van belang art. 17 Wwb, waarin de op een uitkeringsgerechtigde rustende verplichting wordt omschreven, inhoudende dat deze aan het College van burgemeester en wethouders - op verzoek of uit eigen beweging - mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Dat aan de uitkeringsgerechtigde toebehorend of gedurende de bijstandperiode verkregen vermogen van invloed kan zijn op zijn recht op bijstand vloeit voort uit artikel 19 lid 1 onder b Wwb. Daaruit volgt immers dat slechts recht op (algemene) bijstand bestaat indien er "geen in aanmerking te nemen vermogen" is. Bij algemene bijstand gaat het om een voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 34 Wwb zet uiteen wat er onder het begrip 'vermogen' moet worden verstaan en welke vrijstellingen ter zake gelden (het zogenaamde vrijgelaten bescheiden vermogen).(2)
3.7 Met betrekking tot de auto's is door de verdediging gemotiveerd aangevoerd dat deze, hoewel de kentekens van die auto's op naam van verdachte stonden, niet het eigendom van verdachte zijn geweest, maar dat deze auto's aan haar enkel in gebruik zijn gegeven door haar vriend [betrokkene 1]. Daarbij is het kenteken (en de verzekering) telkens op naam van verdachte gesteld om de echtgenote van [betrokkene 1] in het ongewisse te laten en zijn de (aldus op het adres van verdachte binnenkomende) rekeningen van de verzekering en aanslagen wegenbelasting en/of andere kosten met betrekking tot die auto's door [betrokkene 1] betaald. In deze lezing behoren de auto's dus niet tot het vermogen van verdachte, maar tot dat van genoemde [betrokkene 1]. Verdachte is slechts houder van de auto's geweest.
3.8 Opmerkelijk is dat het Hof niet bewezen heeft verklaard dat verdachte "(mede) eigenaar was", zoals dat in de eerste plaats was tenlastegelegd, maar dat zij houder was van de auto's. Maar zaken die men slechts als houder onder zich heeft, behoren niet tot het vermogen van de uitkeringsgerechtigde. Daartoe behoren immers alleen de bezittingen, onderscheidenlijk de vermogensbestanddelen waarover de betrokken alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (art. 51 Abw respectievelijk art. 31 Wwb). Wat dat redelijkerwijs kunnen beschikken betreft, dat ziet op situaties waarin de betrokkene weliswaar niet de feitelijke beschikking heeft over het vermogensbestanddeel, maar dat van hem gevergd kan worden dat hij de betreffende middelen opeist. Als voorbeeld kan gedacht worden aan een (andere) uitkering waarop hij aanspraak kan doen gelden of aan een direct opeisbare vordering.(3)
Het voorgaande brengt mee dat ten aanzien van die zaken die men slechts als houder onder zich heeft geen wettelijke verplichting tot het verstrekken van gegevens bestaat. Zo bezien is de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig.
3.9 Het voorgaande wordt niet anders indien het Hof het begrip "houder" in de tenlastelegging zou hebben uitgelegd als kentekenhouder. Een kenteken kan immers ook zijn afgegeven aan een ander dan de eigenaar (art. 36 jo art. 1, eerste lid onder o WVW 1994).
Ter zijde merk ik hier op dat het vaste jurisprudentie is van de Centrale Raad van Beroep dat wanneer een kenteken op de naam van een betrokkene staat dat de veronderstelling rechtvaardigt dat de auto een bestanddeel is van het vermogen waarover hij de beschikking heeft en dat het aan de betrokkene is om aan te tonen dat het tegendeel het geval is.(4) In de onderhavige zaak is, zoals gezegd, door betrokkene gemotiveerd aangevoerd dat zij geen eigenaar was. In een strafrechtelijke context zal niet van de betrokkene mogen worden gevraagd aan te tonen dat zij geen eigenaar was.(5) Naar mijn mening had het Hof naar aanleiding van dat verweer een onderzoek moeten instellen en na moeten gaan of het aangevoerde aannemelijk was geworden en van dat onderzoek in zijn arrest blijk hebben moeten geven. Dat is niet gebeurd. In ieder geval vindt bedoeld verweer zijn weerlegging niet in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, ook niet
(i) in de omstandigheid dat toen een van die auto's bij een aanrijding betrokken raakte de politie in een rapportage van het ongeval heeft vermeld: "Naam en adres eigenaar/houder: [verdachte]" en
(ii) in de onder 2 als bewijsmiddel gebezigde verklaring van verdachte, voor zover inhoudende dat zij het geld dat zij van haar relatie kreeg op de bankrekening stortte en dat daarvan vervolgens de verzekering en wegenbelasting werden betaald, nu dit onderdeel van verdachtes verklaring voor zover daaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] alle kosten met betrekking tot de auto's betaalde, de lezing van de verdediging eerder ondersteunt.
3.10 Als zou moeten worden aangenomen dat het Hof bij vergissing in de uitgestreepte tenlastelegging "houder" in plaats van "(mede-)eigenaar" heeft laten staan en dus de bewezenverklaring verbeterd moet worden gelezen in die zin dat verdachte eigenaar was, is aan vernietiging van het bestreden arrest ook niet te ontkomen. Naar uit het voorgaande volgt is bij die lezing de bewezenverklaring op dit punt immers niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.11 Voor wat betreft de bankrekening bij [A] het volgende. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals hierboven onder 3.2.2 weergegeven, vloeit enkel voort dat verdachte de beschikking had over de bankrekening en van die rekening wel eens gebruik maakte, doch niet hoeveel geld er in de bewezenverklaarde periode op die bankrekening heeft gestaan. Daaruit kan dus niet volgen dat voor wat betreft die rekening sprake is geweest van enig in aanmerking te nemen vermogen. Dat hier sprake zou zijn van een feit of omstandigheid waarvan betrokkene redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij van invloed kunnen zijn op haar recht op bijstand, en dat er daarom sprake was van een informatieplicht als bedoeld in art. 65 Abw, onderscheidenlijk art. 17 Wwb, blijkt dus niet. Uit de bewijsmiddelen kan ook in zoverre niet worden afgeleid dat gehandeld is in strijd met een op een wettelijk voorschrift berustende verplichting tot het verschaffen van gegevens.
3.12 Aan de klacht met betrekking tot de motivering van het bewezenverklaarde opzet kom ik dus eigenlijk niet toe. Ik volsta met de opmerking dat voor wat betreft het "opzettelijk nalaten" de Memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 227b Sr inhoudt:
"De dader moet hebben beseft welke gegevens op welk tijdstip op een bepaalde plaats behoorden te worden verstrekt, terwijl hij zich eveneens van zijn nalatigheid aan de verplichting te voldoen bewust moet zijn geweest." (6)
Aangenomen zal echter moeten worden dat voorwaardelijk opzet voldoende is.(7)
Nog afgezien van het feit dat, zoals hiervoor betoogd, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat van een wettelijke verplichting zoals tenlastegelegd sprake was, zal ook wanneer een nader onderzoek zou uitwijzen dat een zodanige verplichting wel kan worden aangenomen, nog bewezen moeten worden dat opzettelijk nagelaten is aan die verplichting te voldoen. Voor het bewijs daarvan leveren de door het Hof in het bestreden arrest gebruikte bewijsmiddelen, naar het mij voorkomt, onvoldoende steun. Zoals eerder opgemerkt, kan bewijsmiddel 4, betrekking hebbende op inkomstenverklaringen daartoe in elk geval niet dienen.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Alternatief was tenlastegelegd "althans redelijkerwijze moest vermoeden", maar het Hof heeft het weten bewezen verklaard.
2 Ook de Algemene Bijstandswet die tijdens een deel van de bewezenverklaarde periode van toepassing was, kende een verplichting om spontaan of op verzoek inlichtingen te verschaffen met betrekking tot gegevens die voor de verlening en voortzetting van de bijstand relevant kunnen zijn (art. 65 Abw). Onder de werking van die wet was het vermogen ook van belang en werd dat betrokken bij de zogenaamde middelentoets (art. 51-54 Abw). Zie ook F.W. Noordam, De Algemene bijstandswet in hoofdlijnen, 1996, blz. 33 t/m 36, 63. J.J.M. Schell, De Algemene Bijstandswet, 1995, blz. 167 e.v., 292, 293. F.M. Noordam en S. Klose, Sociale zekerheidsrecht, 9e, 2008, blz. 447, 448.
3 F.M. Noordam t.a.p. blz. 33; Schell t.a.p blz. 167, 168.
4 Zie bijvoorbeeld CRvB 19 september 2006, nr. 05/4643 WWB, JWWB 2006, 305 en CRvB 20 februari 2007, nr. 06/1545 WWB, LJN AZ9363.
5 Waarbij ik overigens aanteken dat [betrokkene 1], een autohandelaar, in eerste aanleg als getuige is gehoord en de lezing van verdachte heeft bevestigd.
6 Kamerstukken II, 1994-1995, 23993, nr. 3 blz. 13
7 Zo ook A.J.A. van Dorst in NLR aantek. 4 op art. 227b.
Uitspraak
20 januari 2009
Strafkamer
nr. 01562/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 26 januari 2007, nummer 21/001035-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 18 juli 2003 tot en met 1 februari 2005 te Utrecht meermalen, -telkens- in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand
immers heeft verdachte toen daar -telkens- opzettelijk geen opgave gedaan dat zij, verdachte:
- in de periode voornoemd de beschikking had over een bankrekening bij [A] (rekeningnummer [001]) en
- in de periode van 18 juli 2003 tot 2 april 2004 houder was van en de beschikking had over een personenauto Mercedes, kenteken [AA-00-BB] (welke personenauto op 2 april 2004 een waarde had van ongeveer 23.500 euro) en
- in de periode van 1 april 2004 tot 25 januari 2005 de houder was van en de beschikking had over een personenauto, merk Mercedes, kenteken [CC-00-DD] (welke personenauto op 25 januari 2005 een waarde had van ongeveer 25.000 euro)."
2.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van een buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], ontving vanaf 12 augustus 1997 tot en met 31 maart 2005 een bijstandsuitkering krachtens de Awb/WWB, van de gemeente Utrecht, naar de norm van alleenstaande ouder met 20% toeslag.
Ingevolge art. 65 lid 2 van de Awb wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan belanghebbende, maandelijks voor de verstrekking van gegevens, formulieren (IV's) verstrekt. Zo ook aan [verdachte]. Om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen moesten op de IV's vragen beantwoord en/of veranderingen aangegeven worden met betrekking tot o.a. gezins-, woon-, arbeids- en inkomstenomstandigheden.
Naar aanleiding van binnengekomen informatie, werd door mij, [verbalisant 1], onderzoek ingesteld naar de digitaal vastgelegde IV's ten name van verdachte. Hierbij zag ik, dat door de verdachte geen opgaaf was gedaan van enige vorm van inkomsten. Ik heb vervolgens een nader onderzoek ingesteld.
Uit onderzoek binnen de bestandgegevens van de RDW zag ik dat verdachte twee Mercedessen op naam heeft gehad.
Uit de gegevens van de autotelex 2004 - 2 bleek de Mercedes, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] op 02-04-2004 een waarde te hebben van ongeveer € 23.500,=.
De Mercedes-Benz, SL 320 roadster, met het kenteken [CC-00-DD] zou op 25-01-2005 een waarde kunnen hebben van ongeveer € 25.000,=.
Op 04-04-2005 heb ik nader onderzoek ingesteld naar de verzekeringsgegevens van de voertuigen met de kentekens [CC-00-DD] en [AA-00-BB]. De polis staat op naam van [verdachte]. Ik zag dat het jaarlijkse bedrag voor de autoverzekering bedraagt € 1.593,63. In de administratie staat bankrekeningnummer [001] als het rekeningnummer van [verdachte] vermeld.
Uit gegevens van de belastingdienst bleek dat door verdachte houderschapsbelasting is betaald voor de voertuigen voorzien van de kentekens [AA-00-BB] en [CC-00-DD].
Bij de betaling van deze belasting is onder andere gebruik gemaakt van de bankrekeningnummers [001].
Door mij werd op 19 april 2005 nader onderzoek ingesteld bij de woningbouwvereniging, genaamd [B]. Ik zag daar dat door verdachte vanaf 09-02-2004 een garage werd gehuurd op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Ik zag dat door verdachte [verdachte] een enkele keer betaald is via [A], met als bankrekeningnummer [001].
Uit onderzoek bij Interpay Nederland bleek dat bankrekeningnummer [001] een nummer is welke gevoerd wordt bij [A]. Deze rekening staat op de naam van [verdachte]. Door [A] werd medegedeeld dat dit rekeningnummer op 31 oktober 1994 is geopend."
b. een proces-verbaal van een buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"Ik ontving van september 1997 tot februari 2005 een bijstandsuitkering van de gemeente Utrecht. Om elke maand in aanmerking te komen voor deze uitkering moest ik een door de sociale dienst van de gemeente Utrecht verstrekt inlichtingenformulier invullen. Ik weet wel dat door de wijze waarop ik deze formulieren invul het recht op en de hoogte van de uitkering wordt bepaald.
De formulieren die u mij toont, herken ik. Ik herken de formulieren aan mijn handtekening en handschrift.
U vraagt mij naar twee Mercedessen met de kentekens [AA-00-BB] en [CC-00-DD]. Het klopt dat deze op mijn naam hebben gestaan van 18 juli 2003 tot en met 25 januari 2005.
Met de rekening met nummer [001] heb ik inderdaad wel eens rekeningen van die auto's betaald. Het geld welke ik van mijn relatie kreeg stortte ik op deze rekening en vervolgens werden de verzekering en wegenbelasting betaald. Ik heb de bankrekening bij [A] niet opgegeven aan de sociale dienst."
c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
"Ik heb de auto's ook niet gemeld."
d. inkomstenverklaringen (IV) Awb betreffende de verdachte over een aaneengesloten periode - één inkomstenverklaring per maand - van 1 juli 2003 tot 31 maart 2005, telkens inhoudende als de door de verdachte ondertekende verklaring:
"Ik heb niets verzwegen. Ik weet dat omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitkering direct aan SoZawe moeten worden gemeld."
e. kentekeninformatie van de Rijksdienst voor het wegverkeer, voor zover inhoudende:
"Kenteken: [AA-00-BB]
Merk: Mercedes-Benz
Type: C 230; sedan
Datum tenaamstelling: 18-07-2003
Naam: [verdachte]
Einde tenaamstelling: 02-04-2004
Kenteken: [CC-00-DD]
Merk: Mercedes-Benz
Type: SL 320 roadster
Datum tenaamstelling: 01-04-2004
Naam: [verdachte]
Einde tenaamstelling: 25-01-2005"
f. de bevindingen van een administratief vooronderzoek die de verdachte betreffen, opgemaakt door een bijstandsconsulent, voor zover inhoudende:
"Belanghebbende gaf toe dat ze de Mercedes-Benz op haar naam heeft staan. Hierbij vertelde ze het verhaal dat ze deze auto van haar vriend heeft gekregen. Belanghebbende wilde graag wat mobieler zijn. Haar dochter zit aan de andere kant van de stad op school en daarom is het makkelijker met een auto haar dochter naar school te brengen."
g. een ongevalsmelding uit een bedrijfsprocessensysteem van de politie, regio Utrecht, van 6 oktober 2003, voor zover inhoudende:
"In de nacht van 4 oktober 2003 werd door een motorvoertuig diverse auto's beschadigd. Betrokkene [verdachte] heeft aangifte gedaan. Betreft een Mercedes kleur paars, voorzien van kenteken [AA-00-BB]. Naam en adres eigenaar/houder: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] d.d. [geboortedatum] 1968."
2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
"De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
De bankrekening bij [A] stond op mijn naam. De twee Mercedessen stonden ook op mijn naam.
De twee auto's waren van [betrokkene 1]. Ik was de minnares van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] was getrouwd. Die [A]rekening is mijn eigen rekening, ik betaalde daar diverse zaken van.
Ze hebben niet gevraagd naar die bankrekening bij [A], maar volgens mij had ik die rekening nog niet toen ik opgave moest doen. Ze vroegen op de formulieren alleen maar: 'heeft u werk? Heeft u inkomen? Heeft u bezittingen?' Het antwoord op deze vragen was telkens 'nee'. Ik heb de auto's ook niet gemeld.
Ik herinner me dat één van de auto's eens schade had. Ik heb toen contact gehad met de politie. Op pagina 120 van het dossier staat dat ik eigenaar ben van die auto. Het is logisch dat ik dat heb opgegeven, ik kon het moeilijk naar [betrokkene 1] doorsturen. Ik mocht die auto immers gebruiken.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert onder meer aan:
Het is een wonderlijk verhaal. Zolang als verdachte een uitkering heeft gehad, heeft zij altijd alles volgens de regels gedaan en van alles opgave gedaan. Op een enig moment krijgt verdachte een relatie met [betrokkene 1]. Hij biedt haar een auto ter gebruik aan, maar [betrokkene 1] is getrouwd met een ander en zet om die reden de auto op naam van verdachte. Alle kosten werden betaald door [betrokkene 1]. Omdat de auto niet van verdachte was, heeft zij de waarde van de auto niet opgegeven. Ze heeft wel rondgereden in de auto, maar dat is wat anders dan de boel opzettelijk verzwijgen. Haar eigen auto had ze zelf ook opgegeven.
Verdachte heeft ontzettend veel problemen gekregen met haar uitkering en met haar huurwoning.
Of verdachte opzet op het tenlastegelegde feit heeft gehad is mijns inziens onvoldoende onderbouwd. Er kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Zeker gelet op alle problemen die ze al heeft gehad.
Betekent het niet opgeven van de [A]rekening en de auto's automatisch dat verdachte opzet hiertoe had en dat zij daarom kan worden veroordeeld? Volgens mij niet! Er moet gekeken worden naar het verleden van verdachte en pas dan moet de hele situatie worden beoordeeld.
(...)"
2.5. In aanmerking genomen dat niet meer bewezen is verklaard dan dat de verdachte "houder" is geweest van twee auto's en dat zij de beschikking heeft gehad over "een bankrekening", is - mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk waarom de omstandigheid dat de verdachte blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen geen "inkomsten" heeft gemeld, kan leiden tot de bewezenverklaring van het in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten gegevens te verstrekken.
2.6. Het middel treft dus doel.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 20 januari 2009.