Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG1662

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12443
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 592a Sv draagt de rechter op, indien een b.p. zich in het geding heeft gevoegd, een beslissing te geven over de kosten die door de b.p. en verdachte zijn gemaakt en t.b.v. de tenuitvoerlegging nog zijn te maken. Nu het in 1e aanleg door de b.p. overgelegde voegingsformulier inhoudt dat de kosten van rechtsbijstand € 655,93 bedragen, is ’s Hofs oordeel dat de door de b.p. gemaakte en nog gemaakte kosten worden begroot op nihil, niet zonder meer begrijpelijk.


Conclusie anoniem

Nr. 07/12443 Mr Machielse Zitting 21 oktober 2008 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 2007 voor "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" en "mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof als bijzondere voorwaarde gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland stelt en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook indien dit deelname aan een behandeling inhoudt bij de forensische polikliniek "De Waag" gericht op agressieregulatie, of een andere door de reclassering aan te wijzen instelling. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van EUR 713,29 en en schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van EUR 1.161,62 toegewezen en eveneens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Namens de verdachte heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft mr. J. Nijssen, eveneens advocaat te Amsterdam een schriftuur ingezonden en daarin twee middelen van cassatie voorgesteld. 3.1. Het namens de verdachte voorgestelde eerste middel klaagt dat het hof het door de verdediging gedane beroep op noodweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de verwerping van het beroep op noodweer onbegrijpelijk is. 3.2. Ten laste van verdachte heeft het hof ten aanzien van het onder 1 meer subsidiar ten laste gelegde bewezenverklaard dat: "hij op 16 juli 2006 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [benadeelde partij 1] hard tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel (een hersenschudding en een gebroken kaak en een oogkasfractuur en een jukbeenfractuur en een voorhoofdfractuur heeft bekomen en pijn heeft ondervonden." 3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkorte arrest weergegeven bewijsmiddelen: 1. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2007 heeft afgelegd, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende: Op 16 juli 2006 heb ik te Amsterdam opzettelijk [benadeelde partij 1] met mijn vuist hard tegen het gezicht geslagen, waardoor [benadeelde partij 1] op de grond viel. 2. Een proces-verbaal met nummer 2006184849-16 van 18 juli 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], agent van regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijden 7 tot en met 9) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde partij 1]: Op 16 juli 2006 was ik op de Zeilstraat te Amsterdam. Ik zag [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Ik ken hem. Vanuit het niets kreeg ik van hem een klap op mijn gezicht. Ik voelde een hevige pijn aan de rechterkant van mijn gezicht en ik viel. De klap was zo hard. Ik heb een operatie ondergaan van drie uur. Er zit nu een metalen plaat in mijn hoofd. 3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een kopie van een medische verklaring van het VU Medisch Centrum te Amsterdam, afdeling mondziekten en kaakchirurgie, van 17 augustus 2006. Dit geschrift (als laatste bijlage bij verhoor van getuigen door rechter-commissaris) houdt in, voor zover hier van belang: Op 17 juli 2006 werd op de afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie van ons ziekenhuis opgenomen [benadeelde partij 1] in verband met een factuur van de os zygomaticum rechts met dislocatie en een sinus frontalis voorwand fractuur. 4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een geneeskundige verklaring van het VU Medisch Centrum te Amsterdam van 24 juli 2006 van de arts C.G. Griëntschnig van de afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie. Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang: Betreft: [benadeelde partij 1]. Bij patiënt was er sprake van een jukboog fractuur rechts en een voorhoofdsholte voorwand fractuur links en een hersenschudding. Patiënt is geopereerd aan de jukboog fractuur. 3.4. Blijkens de bij het Hof overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd: "Aangever [benadeelde partij 1] en cliënt komen elkaar toevallig tegen in de Zeilstraat, waar [benadeelde partij 1] op de hem kenmerkende manier cliënt ter verantwoording roept voor zijn mishandeling van diens ex, tevens schoonzus van [benadeelde partij 1]. Als cliënt daarop antwoordt dat '[...] een dooie is' slaan bij [benadeelde partij 1] de stoppen door en geeft cliënt een kopstoot, die overigens niet vol is aangekomen, ook daar kunnen we helder over zijn. Cliënt, die vanwege zijn fiets niet in staat is zich snel uit de voeten te maken, ziet zich genoodzaakt de agressor van het lijf te houden door hem een dreun te verkopen. Die is wel goed raak, ook dat is helder. Dat de klap van cliënt wel vol in het gelaat is, terwijl de kopstoot van [benadeelde partij 1] kennelijk minder teweegbrengt, acht ik overigens volstrekt irrelevant voor de beantwoording van de juridisch doorslaggevende kwestie. Cliënt stond door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van [benadeelde partij 1] volstrekt in zijn recht zijn eigen lijf te verdedigen. Dat blijkt uit de getuigenverklaringen, de persoon van aangever en de logica. Cliënt dient daarom voor het eerste feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging." 3.5. Het hof heeft ten aanzien van het beroep op noodweer door de verdediging onder de kop 'strafbaarheid van het bewezengeachte' het volgende overwogen: " Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is onder meer het volgende naar voren gekomen. Verdachte bevond zich op de stoep van de Amstelveenseweg te Amsterdam op de bagagedrager van zijn fiets, met een been aan elke kant van zijn fiets. Hij was aan het telefoneren toen - naar zijn zeggen - [benadeelde partij 1] op hem afkwam en hem de woorden toevoegde: "I kill you". [Benadeelde partij 1] bevond zich toen op een afstand van ongeveer 5 meter van verdachte vandaan. Verdachte zag dat [benadeelde partij 1], toen deze vlak bij hem stond, een voorwaartse beweging met zijn hoofd in de richting van zijn hoofd maakte. Verdachte kon de kopstoot die [benadeelde partij 1] hem kennelijk wilde geven gedeeltelijk ontwijken, maar kon niet voorkomen dat hij door [benadeelde partij 1] werd geraakt tegen zijn hoofd. Als reactie haalde verdachte met zijn linkerarm meteen hard uit naar [benadeelde partij 1] en raakte hij hem met zijn gebalde vuist tegen zijn gezicht. Het slachtoffer viel op de grond. Indien wordt uitgegaan van het standpunt van verdachte werd hij weliswaar geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, maar van dit gedrag kan niet gezegd worden dat verdachte zich daardoor in een zodanige situatie bevond die rechtvaardigde om [benadeelde partij 1] meteen een harde vuistslag tegen zijn gezicht te geven. Maar zelfs al zou dit anders zijn geweest, dan nog kan het beroep op noodweer niet slagen, nu de reactie van verdachte op een wijze zoals in casu is komen vast te staan buiten proporties was en niet aannemelijk is dat er voor verdachte feitelijke belemmeringen bestonden de confrontatie verder uit de weg te gaan. Noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht deed zich dan ook niet voor. Het hof verwerpt het beroep op noodweer." 3.6. Voorop staat dat hetgeen in feitelijke aanleg aan het beroep op noodweer ten grondslag is gelegd, vraagt om afwegingen en waarderingen van feitelijke aard die in cassatie maar zeer ten dele ten toets kunnen komen. 3.7. Het hof overweegt ten aanzien van het door de verdediging gedane beroep op noodweer, uitgaande van de lezing van verdachte, dat de vuistslag van verdachte niet gerechtvaardigd was, ondanks dat er vanuit verdachtes lezing bezien sprake zou zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Hier doelt het hof kennelijk op het vereiste van de subsidiariteit. De eis van subsidiariteit brengt mee dat, indien er meer middelen bestaan die tot het beoogde doel kunnen leiden - het doen beëindigden van de wederrechtelijke aanranding -, de minst ernstige vorm (van geweld) moet worden gekozen. De overweging van het hof moet aldus worden verstaan dat het hof het niet aannemelijk acht dat er geen andere, minder vergaande mogelijkheden tot verweer waren. Dit is niet onbegrijpelijk gelet op verdachtes bokservaring. Ik wijs er overigens in dit verband op dat niet is aangevoerd noch door het hof vastgesteld dat [benadeelde partij 1] na zijn mislukte kopstoot nog aanstalten maakte om verdachte opnieuw aan te vallen. Daarnaast overweegt het hof dat de reactie van verdachte bovendien buiten proporties was. Daarmee doelt het hof op het proportionaliteitsvereiste dat inhoudt dat het door de verdediging toegebrachte nadeel in een redelijke verhouding staat met het nadeel dat dreigt van de kant van de aanrander. Kennelijk is het hof subsidiair van oordeel dat er sprake was van een wanverhouding tussen het voorzienbare gevolg van het handelen van verdachte en het gevaar dat van de ander uitging. Ook deze overweging is niet onbegrijpelijk. Uit het voorgaande volgt dat het hof het beroep op noodweer op toereikende gronden heeft verworpen. 4.1. Het tweede middel klaagt dat de door het hof tot bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde p[benadeelde partij 1] niet redengevend is voor het bewijs van het tenlastegelegde en de uitspraak mitsdien onvoldoende met redenen is omkleed. Volgens de steller van het middel heeft het hof onder de kop 'strafbaarheid van het bewezengeachte' een aantal zaken feitelijk vastgesteld die niet overeenkomen met de verklaring van [benadeelde partij 1] die voor het bewijs is gebezigd. 4.2. Het hof heeft onder de kop 'Strafbaarheid van het bewezengeachte' in de eerste twee onderdelen daarvan geen feitelijkheden vastgesteld, maar is voor de beoordeling van het verweer uitgegaan van de lezing van verdachte omtrent de omstandigheden waaronder hij het tenlastegelegde heeft begaan. Dat het hof het standpunt van verdachte heeft weergegeven valt op te maken uit het begin van het derde deel van deze overwegingen. Van een tegenstrijdigheid tussen de vaststelling van de feiten onder het kopje 'Strafbaarheid van bewezengeachte' en de inhoud van de voor het bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde partij 1] is geen sprake. 5. Beide middelen falen. 6.1. Het namens de benadeelde partij voorgestelde eerste middel klaagt erover dat het hof ten onrechte heeft verzuimd een uitspraak te doen over de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. 6.2. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] het volgende in: "De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde. Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 12883,38, zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd. De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij heeft gehandeld uit noodweer. Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij, wat betreft de posten onder de nummer 5, 6, 8, 9 en 11 zal dan ook worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren. BESLISSING Het hof: (...) Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], wonende te [plaats], rekeningnummer [001], een bedrag van EUR 1.161,62 (duizend honderdeenenzestig euro en tweeënzestig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen." 6.3. In de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een "voegingsformulier" van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]. Dit formulier bevat de opgave van schade met een totaalbedrag van € 12.883,38, verdeeld over verschillende schadeposten, te weten: 1. ambulancevervoer € 524,40 2. ziekenhuis € 4.825,70 3. fysiotherapie € 675,- 4. apotheek € 20,78 5. aangepaste voeding € 97,- 6. toiletartikelen ziekenhuis € 16,30 7. fotorolletje € 19,95 8. benzinekosten € 24,42 9. parkeerkosten € 23,90 10. toekomstige operaties € 5.000,- 11. immateriële schade € 1.000,- 12. kosten rechtsbijstand € 655,93 6.4. In de toelichting van het middel wordt ten aanzien van de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand een bedrag van € 1.393,85 vermeld. Dit bedrag blijkt echter niet uit het voegingsformulier en ook uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat een bedrag van een dergelijke omvang aan kosten voor rechtsbijstand is gevorderd. De advocaat van de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet over de kosten van de rechtsbijstand uitgelaten. 6.5. Ingevolge art. 592a Sv dient de rechter, indien zich een benadeelde partij in het geding heeft gevoegd, een beslissing te geven over de kosten die door de benadeelde partij en de verdachte zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zullen worden gemaakt, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Het hof heeft ten aanzien van deze kosten verdachte veroordeeld tot betaling van een geldbedrag "(...) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil." Gelet daarop heeft het hof in zijn overweging kennelijk abusievelijk verzuimd in het gebezigde tekstblok het kennelijk voorgedrukte woordje "nihil" te vervangen door het namens de benadeelde partij in het voegingsformulier onder de omschrijving "kosten voor rechtsbijstand" vermelde bedrag, te weten € 655,93. De Hoge Raad kan de beslissing lezen met verbetering van de misslag van het hof.(1) 7.1. Het tweede namens de benadeelde partij ingestelde cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de benadeelde partij in een gedeelte van haar vordering niet ontvankelijk heeft verklaard, waarbij het met name gaat om de materiële schadeposten. 7.2. Vooropgesteld dient te worden dat de vordering van de benadeelde partij eenvoudig van aard moet zijn (art. 361 lid 3 Sv). Vanwege het eenvoudsvereiste kan de rechter zich beperken tot beslissingen over vorderingen waarover volstrekte duidelijkheid bestaat, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte ervan, of waarover de gewenste duidelijkheid op eenvoudige wijze kan worden verkregen. Een vordering die betwist wordt en slechts door een grondig onderzoek met behulp van getuigen en deskundigen beoordeeld kan worden, is niet eenvoudig van aard.(2) De ingewikkelde schade zal de benadeelde partij aan de civiele rechter moeten voorleggen. Dit is niet alleen van belang voor zaken waarin een deel van de schade moeilijk te bewijzen is, maar ook voor zaken waarin de hoogte van sommige schadeposten nog niet vaststaat, bijvoorbeeld als er bij letsel nog geen medische eindtoestand is ingetreden. De strafrechter kan bij zijn uitspraak de vordering splitsen: het eenvoudige deel kan worden toegewezen, voor het overige deel kan de rechter de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren. 7.3. Het hof heeft geoordeeld dat niet alle posten van de vordering van zo eenvoudige aard zijn dat dit zich leent voor behandeling in de strafzaak. Meer specifiek gaat het daarbij om kosten van het ambulancevervoer (post 1), de ziekenhuiskosten (post 2), kosten voor fysiotherapie (post 3), apotheekkosten (post 4), de kosten van een fotorolletje (post 7) en de kosten van toekomstige operaties (post 10). Volgens de motivering van het hof leent dit gedeelte van de vordering zich niet voor een behandeling in de strafzaak omdat het niet van een dusdanig eenvoudige aard is. Nu een gedeelte van deze vordering verzekeringstechnisch kennelijk complex wordt geacht daar de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in [plaats] is verzekerd(3) (posten 1, 2, 3 en 4), het rechtstreekse verband tussen het bewezenverklaarde en de kosten van het fotorolletje kennelijk niet aanstonds vastgesteld kan worden (post 7) en de hoogte van de schadepost met betrekking tot toekomstige operaties klaarblijkelijk nog niet vaststaat (post 10), getuigt dit oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit niet onbegrijpelijk. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 8. De voorgestelde middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. 9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 zie HR 3 november 1992, NJ 1993, 196 m.n.t. ThWvV. 2 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 11. 3 Zoals blijkt uit bijlage 1 van het voegingsformulier.


Uitspraak

20 januari 2009 Strafkamer 07/12443 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 maart 2007, nummer 23/005378-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Groot Bankenbosch" te Veenhuizen. 1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft mr. J. Nijssen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van de schriftelijke commentaren van de raadsvrouwe van de verdachte en van de advocaat van de benadeelde partij op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 2. Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3. Beoordeling van het eerste namens de benadeelde partij voorgestelde middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft nagelaten te beslissen over de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. 3.2. Voor zover het middel beoogt te klagen dat het Hof ten onrechte de in hoger beroep gemaakte proceskosten niet heeft toegewezen, mist het feitelijke grondslag aangezien niet blijkt dat die kosten in hoger beroep zijn gevorderd. 3.3. De bestreden uitspraak houdt het volgende in: "BESLISSING Het hof: (...) Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]: Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], rekeningnummer 499649, een bedrag van EUR 1.161,62 (duizend honderdeenenzestig euro en tweeënzestig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil." 3.4. Art. 592a Sv draagt de rechter op, indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, een beslissing te geven over de kosten die door de benadeelde partij en de verdachte zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken. Het in eerste aanleg door de benadeelde partij overgelegde voegingsformulier houdt in dat de kosten voor rechtsbijstand € 655,93 bedragen. Het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gemaakte en nog te maken kosten worden begroot op nihil is dan ook niet zonder meer begrijpelijk. Het middel slaagt. 4. Beoordeling van het tweede namens de benadeelde partij voorgestelde middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]; wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 januari 2009. Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.