Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG0959

Datum uitspraak2008-10-16
Datum gepubliceerd2008-10-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 08/11
Statusgepubliceerd


Indicatie

Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 08/11 16 oktober 2008 20330 Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant van een tuchtuitspraak van C van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen (hierna: tuchtgerecht). 1. De procedure Bij uitspraak van C met zaaknummer D, aan appellant toegezonden bij brief van gelijke datum, heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellant tegen zijn eerdere uitspraak van E en die uitspraak bevestigd. Bij brief van 3 januari 2008, bij het College binnengekomen op 7 januari 2008, heeft appellant beroep ingesteld tegen die uitspraak. Bij brief van 22 januari 2008 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College. Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2008. Appellant is niet verschenen en heeft desgevraagd telefonisch aangegeven niet in de gelegenheid te zijn de zitting bij te wonen. Ter zitting zijn verschenen mr. O.D. van der Vliet en ir. ing. A. Waterink, beiden werkzaam bij het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: HPA). 2. Het wettelijk kader In de Verordening HPA bestrijding knolcyperus 2004 (hierna: Verordening) is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 4 1. Door de ondernemer, aan wie een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid is opgelegd dan wel de gebruiker van een met een teeltverbod belast perceel, dienen maatregelen te worden genomen ter voorkoming van de verspreiding van knolcyperus. Deze maatregelen betreffen: (…) d. de verplichting de op de in gebruik zijnde grond voorkomende knolcyperus te verwijderen en te vernietigen. 2. Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde maatregelen geschiedt door de secretaris, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer". " Artikel 6 De ondernemer aan wie een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid is opgelegd, is verplicht de maatregelen als bedoeld in de artikelen 4 en 5 uit te voeren en toe te passen, zodanig dat de knolcyperus zich niet verder op het perceel verspreid, dan wel dat omringende percelen besmet worden”. De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 luidt, voorzover hier van belang, als volgt: " Artikel 2 1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn: (…) b. geldboete; (…) Artikel 4 1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-. (…) " 3. De tuchtuitspraken Het tuchtgerecht heeft bij uitspraak van E appellant een geldboete opgelegd van € 400,--. Daarbij is vastgesteld dat op het perceel van appellant knolcyperus is geconstateerd in een meer dan lichte hoeveelheid. Het tuchtgerecht is van oordeel dat de maatregelen die appellant heeft genomen om de knolcyperus te bestrijden niet afdoende waren nu gebleken is dat het perceel vanaf 1995 besmet is en de besmetting nog steeds aanwezig is in een meer dan lichte hoeveelheid. Bij de aangevallen uitspraak van C op het verzet tegen de uitspraak van E heeft het tuchtgerecht overwogen dat het verzetschrift en hetgeen betrokkene ter zitting naar voren heeft gebracht geen nieuwe feiten of omstandigheden geven die het tuchtgerecht tot een andere beslissing doen komen dan de eerdere uitspraak. Ter zake van het procesverloop, de beoordeling van de overtreding en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de aangevallen uitspraken, die in afschrift aan deze uitspraak en als hier ingelast worden beschouwd. 4. Het standpunt van appellant Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij het niet eens is met het oordeel van het tuchtgerecht dat hij te weinig aan de bestrijding van knolcyperus heeft gedaan. Appellant meent dat het HPA zelf niet weet hoe knolcyperus effectief kan worden bestreden en daarom onmogelijk kan zeggen dat appellant het verkeerd doet. Bovendien is appellant steeds verkeerd voorgelicht over het hoe en wat te doen voor de bestrijding van knolcyperus. Appellant heeft er tevens op gewezen dat hij niet de eigenaar van de grond in kwestie is. 5. De beoordeling van het beroep 5.1 Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 juni 2008 inzake AWB 07/325 en 07/326 (www.rechtspraak.nl, LJN BD5270) houdt de verplichting van artikel 4, eerste lid, onder d, van de Verordening geen resultaatsverplichting in, doch slechts een inspanningsverplichting ter zake van de verwijdering en de vernietiging van knolcyperus. In die uitspraak heeft het College bovendien overwogen dat in artikel 6 van de Verordening evenmin een resultaatsverplichting terzake van de verwijdering en vernietiging van knolcyperus kan worden gelezen. In de aangevallen uitspraak is ook het tuchtgerecht ervan uitgegaan dat het hier gaat om een op de betrokken ondernemer rustende inspanningsverplichting. Anders dan het tuchtgerecht vervolgens heeft geconcludeerd, is het College evenwel van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant de bedoelde inspanningsverplichting met betrekking tot het verwijderen en vernietigen van knolcyperus niet is nagekomen. De ter zake ingediende grief van appellant slaagt derhalve. Hiertoe heeft het College het volgende van belang geacht. 5.2 Allereerst overweegt het College, wederom onder verwijzing naar evengenoemde uitspraak, dat uit de constatering op 21 september 2006 door een toezichthouder van het HPA – welke constatering is opgenomen in het signaleringsrapport van 16 januari 2007 en overgenomen in het berechtingsrapport van 9 maart 2007 – dat op het perceel van appellant knolcyperus is aangetroffen “in meer dan lichte hoeveelheid (Gemiddeld meer dan 1 plant per are op het teeltverbod)” niet zonder meer tot de conclusie leidt dat appellant zich niet voldoende zou hebben ingespannen ten aanzien van de verwijdering en vernietiging van knolcyperus om verspreiding daarvan te voorkomen. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat bij gebreke van een concrete omschrijving in de regelgeving van de opgelegde maatregelen in verband met de bestrijding van knolcyperus en van de daarbij te behalen resultaten dan wel te plegen inspanning, van de controlerende instantie verlangd moet worden dat in het signaleringsrapport een zo specifiek mogelijke omschrijving – onderbouwd met bewijsstukken – wordt gegeven van de mate waarin de betrokken onderneming tekort is geschoten in de uitvoering van de hem opgelegde maatregelen. Eén en ander komt naar het oordeel van het College niet anders te liggen, indien er rekening mee wordt gehouden dat op het perceel van appellant reeds vanaf oktober 1995 een teeltverbod rust. 5.3 Het College wijst er voorts op dat appellant zich tegen de weinig concrete beschrijving in het berechtingsrapport heeft verweerd door in zijn brief van 6 mei 2007 vrij omstandig te betogen welke maatregelen hij in het verleden heeft genomen om van de besmetting met knolcyperus af te komen. Ook in zijn eerdere reactie op het signaleringsrapport heeft appellant melding gemaakt van door hem getroffen maatregelen. 5.4 Het College acht hierbij van betekenis dat verweerder weliswaar ter zitting circulaires heeft overgelegd welke aan appellant zouden zijn toegezonden en waarin is geattendeerd op de verplichting van de aangeschrevene om knolcyperus te bestrijden (onder beschrijving van een “beste bestrijdingsmethode”) en op de mogelijkheid dat, indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, de zaak aan het tuchtgerecht wordt voorgelegd, doch dat in afwijking van hetgeen in artikel 4, tweede lid, van de Verordening is voorgeschreven de te nemen maatregelen nimmer overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Verordening bij aangetekend schrijven aan appellant zijn bekendgemaakt. 5.5 Aangezien niet overtuigend is komen vast te staan dat appellant de in artikel 4, eerste lid, onder d, van de Verordening neergelegde inspanningsverplichting ter zake van het verwijderen en vernietigen van knolcyperus niet is nagekomen, zal het College het beroep gegrond verklaren en de aangevallen tuchtuitspraak vernietigen. Het College zal de zaak zelf afdoen en bepalen dat aan appellant geen tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd. De overige grieven van appellant behoeven, gelet op het vorenstaande, geen bespreking meer. 5.6 Deze uitspraak steunt, behalve op de in rubriek 2 genoemde bepalingen, op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004. 6. De beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de aangevallen uitspraak; - bepaalt dat aan appellant geen tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd. Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.L.W. Aerts en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2008 w.g. B. Verwayen w.g. S. van Noordt