Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3688

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/65 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-dagloon met terugwerkende kracht te verhogen. Bij duuraanspraak bij de toetsing een onderscheid maken tussen verleden (nieuwe feiten of omstandigheden?) en toekomst (vergoeding voor abonnementen aangetoond? vergoedingen van auto- en telefoonkosten loonbestanddelen in de zin van de Dagloonregelen WAO?)


Uitspraak

08/65 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2007, kenmerk 07/341 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), Datum uitspraak: 11 september 2008. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 augustus 2008, waar partijen met voorafgaand schriftelijk bericht niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 1.2. Bij besluit van 22 april 1976 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellant medegedeeld dat hij vanaf 24 maart 1976 recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 125,00. In dit besluit heeft appellant berust. 1.3. Op 19 januari 2006 heeft appellant verzocht om de vergoeding voor de auto-, telefoon- en abonnementskosten mee te nemen in zijn WAO-uitkering. Bij besluit van 22 september 2006 heeft het Uwv het verzoek van appellant om zijn dagloon te herzien afgewezen, welke afwijzing bij besluit op bezwaar van 7 maart 2007 is gehandhaafd. 2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht de weigering van het Uwv om het WAO-dagloon met terugwerkende kracht te verhogen in stand heeft gelaten. 4.2. Ingevolge de vaste rechtspraak van de Raad (verwezen wordt naar onder meer CRvB 6 november 2003, JB 2004/29) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.De (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt op zichzelf geen beslissende rol (CRvB 4 december 2003, JB 2004/32).In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het echter aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 24 december 2003, RSV 2004/90). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden. 4.3. Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de aan het verzoek om herziening voorafgaande periode niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. 4.4. Ten aanzien van de periode na het herzieningsverzoek tot 1 maart 2006, het moment waarop de WAO-uitkering van appellant is beëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van appellant, is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende concreet heeft aangetoond welke vergoeding hij heeft ontvangen ter zake van abonnementen. Met betrekking tot de vergoeding van de autokosten en de telefoonkosten, in welk verband appellant een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 31 december 1984, gepubliceerd in AB 1985, 348 (LJN: AM8293) is de Raad van oordeel dat deze loonbestanddelen gelet op artikel 1, derde lid, onder l, van dagloonregelen WAO alsmede gelet op het gegeven dat de WAO-uitkering van appellant is ingegaan vóór 17 oktober 1982, niet in de dagloonberekening van appellant worden meegeteld. 4.5. Dit brengt de Raad tot de beslissing dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten en dat, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van appellant alsnog gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te worden gelaten. 4.6. De Raad is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 maart 2007; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 145,-- aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008. (get.) B.J. van der Net. (get.) R.B.E. van Nimwegen. OA