Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3687

Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers88401 / KG ZA 08 - 168
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Ingevolge artikel 705 Rv dient beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door beslaglegger ingeroepen recht blijkt, waarvan niet is gebleken. Ook het onnodige van het beslag is niet gebleken. Overweging over reflexwerking algemene voorwaarden.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht zaaknummer / rolnummer: 88401 / KG ZA 08-168 Vonnis in kort geding van 18 september 2008 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOUWKUNDIG ADVIESBUREAU WESTHOFF-SMEETS BV, h.o.d.n. WSM ENIGINEERING, gevestigd te Heythuysen, eiseres, advocaat mr. J.J.M. Oehlen tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADREM POORT- EN AFRASTERINGSPROJECTEN BV, gevestigd te Sevenum, gedaagde, advocaat mr. B.T.G.M. Lamers Partijen zullen hierna WSM en Adrem genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met bijbehorende producties; - de zijdens Adrem overgelegde producties van 29 augustus 2008; - de zijdens Adrem overgelegde producties van 1 september 2008; - de zijdens WSM overgelegde productie van 2 september 2008; - de zijdens WSM overgelegde productie van 3 september 2008; - de zijdens Adrem overgelegde productie van 4 september 2008; - de mondelinge behandeling van 4 september 2008; - de pleitnota van WSM; - de pleitnota van Adrem. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Partijen hebben op 13 februari 2006 een overeenkomst gesloten, inhoudende dat WSM voor een opdrachtsom van EUR 2.650,00 aan Adrem een advies zou uitbrengen over de staalconstructie van de nieuw te bouwen bedrijfshal van Adrem. De bouw van deze bedrijfshal is afgerond. 2.2. Aan Adrem is op 24 juni 2008 verlof verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van WSM ten bedrage van EUR 160.000,00. Op 24 juni 2008 heeft Adrem beslag gelegd onder de ING bank en de Postbank, welk beslag bij de ING bank doel heeft getroffen voor EUR 160.000,00. 3. Het geschil 3.1. Primair vordert WSM – samengevat – de opheffing van de op 24 juni 2008 gelegde conservatoire beslagen onder de ING Bank en onder de Postbank, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert WSM – samengevat – opheffing van de op 24 juni 2008 gelegde conservatoire beslagen binnen twee dagen nadat WSM een bankgarantie of een depot strekkende tot een zekerheid van EUR 2.650,00 aan Adrem heeft afgegeven, op straffe van een dwangsom. Adrem te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. Adrem voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat WSM een spoedeisend belang heeft bij deze voorziening. WSM heeft gesteld dat ze in haar bedrijfsvoering wordt geschaad, aangezien er op EUR 160.000,00 beslag is gelegd en ze derhalve over deze liquide middelen niet kan beschikken. Hiermee heeft WSM voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. 4.2. Ingevolge artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Toerekenbare tekortkoming 4.3. Hiertoe heeft WSM in de eerste plaats gesteld dat zij de opdracht, inhoudende het uitbrengen van een advies met betrekking tot de staalconstructie van de nieuw te bouwen bedrijfshal van Adrem, naar behoren heeft uitgevoerd. Van een toerekenbare tekortkoming is derhalve geen sprake, hetgeen zij heeft getracht aannemelijk te maken middels een aantal producties, waaronder een deskundigenrapport. Adrem heeft aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van een toerekenbare tekortkoming, waardoor er schade is opgetreden aan de bedrijfshal. Dientengevolge zou Adrem schade lijden ten bedrage van minimaal EUR 135.000,00. Hiertoe heeft ook Adrem een aantal producties in het geding gebracht, waaronder een deskundigenrapport waarin – onder meer – staat vermeld dat er fouten zijn gemaakt zijdens WSM. 4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat WSM er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. De oorzaak van de door Adrem gestelde schade en een mogelijke oplossing daartoe is in deze procedure niet vast te stellen. Nu uit de door WSM gestelde feiten en omstandigheden niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het beslag is gebleken, kan deze grondslag de vordering tot opheffing van het beslag niet dragen. Deze procedure biedt geen ruimte voor nader onderzoek van de door WSM gestelde feiten en omstandigheden. In een bodemprocedure kunnen de stellingen van WSM, nu deze door Adrem gemotiveerd zijn betwist, nader onderzocht en zo nodig bewezen worden. De algemene voorwaarden 4.5. Ter zake de ondeugdelijkheid van het beslag heeft WSM in de tweede plaats gesteld dat als er al sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming – hetgeen zij betwist – zij middels haar algemene voorwaarden, de RVOI 2001, haar aansprakelijkheid heeft beperkt tot een hoogte van EUR 2.650,00. Alleen als de tekortkoming van WSM aan diens opzet of grove onzorgvuldigheid is te wijten en de opdrachtgever de schade niet geheel of gedeeltelijk elders kan verhalen of had kunnen verhalen, dan kan een hogere schadevergoeding worden vastgesteld. Adrem heeft ten aanzien van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden aangevoerd, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de algemene voorwaarden geen onderdeel van de overeenkomst kunnen zijn. Adrem is immers niet de contractspartij waarmee is onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst en daardoor is haar de mogelijkheid ontnomen om voor de totstandkoming van de overeenkomst de RVOI 2001 overhandigd te krijgen. Bovendien – zo stelt Adrem – had het op de weg van WSM gelegen om Adrem mondeling of schriftelijk op de hoogte te stellen dat in de RVOI 2001 een vergaande beperking opgenomen was voor aansprakelijkheid. 4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de RVOI 2001 in beginsel onderdeel is van de tussen partijen gesloten overeenkomst. De overeenkomst is aangegaan door Adrem, de heer [....] heeft namens Adrem de overeenkomst ondertekend en het mag van hem – als eigenaar van een onderneming – worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van hetgeen hij ondertekent. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid treft derhalve geen doel. 4.7. Vervolgens doet Adrem een beroep op de vernietigbaarheid van artikel 16 uit de RVOI 2001. Adrem heeft hiertoe – onder meer – aangevoerd dat zij een kleine ondernemer is met een beperkt aantal werknemers en daardoor een met een consument te vergelijken positie inneemt daar waar het gaat om de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en vernietigbaarheid van onredelijk bezwarende bedingen uit die voorwaarden. WSM heeft deze stellingen van Adrem onvoldoende weersproken. 4.8. Dit verweer treft doel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet het exoneratiebeding in het onderhavige geval ingevolge de maatstaf van artikel 6:233 sub a BW als onredelijk bezwarend worden geacht. Daartoe wordt het volgende overwogen. Adrem heeft onvoldoende betwist aangevoerd dat zij een kleine onderneming is, zij niet eerder een dergelijke overeenkomst is aangegaan en zij zich niet bezighoudt met berekeningen van constructies. Met inachtneming van het hiervoor vermelde is de voorzieningenrechter van oordeel dat Adrem in deze procedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten opzichte van WSM een met een consument vergelijkbare positie inneemt. 4.9. Een omstandigheid die voorts van belang kan zijn bij de beoordeling of het beding in het onderhavige geval onredelijk bezwarend is, betreft de laakbaarheid van het verzuim dat tot aansprakelijkheid zou moeten leiden. Dit vergt een meer uitgebreide inhoudelijke beoordeling van de door WSM verrichte werkzaamheden, waarvoor – zoals hiervoor in 4.4 uiteengezet – in deze procedure verder geen ruimte is. Vernietiging van de algemene voorwaarden is in deze procedure niet mogelijk. Adrem heeft echter, zoals hiervoor overwogen, voldoende aannemelijk gemaakt dat de vernietigbaarheid van artikel 16 van de RVOI 2001 kan worden ingeroepen in een bodemprocedure. Dientengevolge dient betwijfeld te worden of WSM in een bodemprocedure met succes een beroep kan doen op de aansprakelijkheidsbeperking in haar algemene voorwaarden, waardoor zij – ook ten aanzien van deze tweede grondslag – er niet in is geslaagd summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Adrem ingeroepen recht te doen blijken. Een bodemprocedure biedt meer ruimte om ook dienaangaande de stellingen van partijen aan een nader onderzoek te onderwerpen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat in artikel 16 lid 8 van de RVOI 2001 een bepaling is opgenomen dat, indien er sprake is van opzet of een grove onzorgvuldigheid aan de zijde van WSM, de aansprakelijkheid van WSM niet is beperkt tot de opdrachtsom. Nu op grond van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde producties niet eenvoudig kan worden vastgesteld ten gevolge waarvan de door Adrem gestelde schade is opgetreden, is het niet mogelijk om reeds nu een oordeel te geven of de gestelde schade is te wijten aan opzet of grove onzorgvuldigheid zijdens WSM. Verhaalsmogelijkheden Adrem 4.10. Ingevolge artikel 705 Rv dient een beslag te worden opgeheven indien van het onnodige van het beslag blijkt. Het ligt op de weg van WSM om voldoende aannemelijk te maken dat het door Adrem gelegde beslag onnodig is. 4.11. Hiertoe heeft WSM gesteld dat er voor Adrem voldoende verhaalsmogelijkheden bestaan als haar vordering tot schadevergoeding in de bodemprocedure zou worden toegewezen, aangezien WSM is verzekerd voor schade als gevolg van toerekenbare tekortkomingen. Adrem heeft betwist over voldoende verhaalsmogelijkheden te beschikken. 4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beslag niet onnodig is gelegd. Dat WSM ter zake is verzekerd brengt niet automatisch met zich mee dat de uitkering van een bedrag van ten minste EUR 135.000,00 is gewaarborgd. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende zicht op de relatie tussen WSM en de verzekeraar om te kunnen beoordelen in hoeverre de verzekeraar tot uitkering zou overgaan. 4.13. Ter zitting is WSM er niet in geslaagd een andere conclusie ingang te doen vinden, zodat, nu niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Adrem ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag is gebleken, haar vorderingen dienen te worden afgewezen, waarbij WSM als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. Aan de zijde van Adrem tot op heden begroot op: - vast recht EUR 254,00 - salaris advocaat EUR 816,00 Totaal EUR 1.070,00 5. De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt WSM in de proceskosten, aan de zijde van Adrem tot op heden begroot op EUR 1.070,00. Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2008.?