Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3685

Datum uitspraak2008-09-29
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers22-001587-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

De verdachte heeft het slachtoffer in koelen bloede op lafhartige wijze gedood. Volgens een tevoren opgevat plan heeft de verdachte in een auto vier kogels afgevuurd op het slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer van dichtbij in het hoofd en in het bovenlichaam geschoten, ten gevolge waarvan deze is overleden. Hij pleegde dit feit uit woede over de verdwijning van een hoeveelheid door hem geleverde maar nog niet (geheel) betaalde drugs, waarvoor hij het slachtoffer verantwoordelijk hield.


Uitspraak

Rolnummer: 22-001587-08 Parketnummer: 10-690110-07 Datum uitspraak: 29 september 2008 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Jamaica) op [geboortedatum] 1965, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht, waarbij verdachte ter zake van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest. Hoger beroep Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 september 2008. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, subsidiair bij een bewezenverklaring ter zake van moord substantieel lager te straffen dan de rechtbank heeft gedaan en in het geval van doodslag zal dit dienen te leiden tot een nog lagere straf. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. De feiten Uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het procesdossier is het navolgende gebleken. De verdachte heeft een hoeveelheid cocaïne geleverd die door het slachtoffer, [slachtoffer], in bewaring is genomen. De verdachte is kwaad geworden toen hem bekend werd dat een hoeveelheid door hem geleverde, maar nog niet door de afnemer betaalde cocaïne was gestolen uit de opslagplaats, het huis van het slachtoffer. Tijdens een gesprek met het slachtoffer en enkele andere betrokkenen hierover heeft hij een pistool getrokken. Een of twee dagen daarna, op 8 maart 2007, is hij naar café [naam café] gegaan, waar hij een bijeenkomst had met een aantal personen die betrokken waren bij de cocaïnedeal, waaronder het slachtoffer. Het slachtoffer was in de nacht van 7 op 8 maart 2007 zeer bang; hij vreesde voor zijn leven. Op een gegeven moment heeft de verdachte het café samen met het slachtoffer verlaten. Samen zijn ze in de auto van het slachtoffer gestapt en weggereden. Kort voordat de verdachte en het slachtoffer het café verlieten heeft het slachtoffer aan zijn broer [broer slachtoffer] gevraagd om hem iedere twee minuten te bellen. Vervolgens heeft [broer slachtoffer] het slachtoffer om 19.15 uur gebeld. Het slachtoffer vertelde zijn broer in dit telefoongesprek dat ze op dat moment nog in de auto reden . Bij dit gesprek maakte de telefoon gebruik van de zendmast aan het Stieltjesplein welke locatie zich bevindt in de onmiddellijke nabijheid van het café . De verdachte en het slachtoffer zijn in de richting van de Persoonshaven gereden. Immers, de telefoon van de verdachte maakte om 19.21 uur gebruik van de zendmast aan de Koperslagerstraat-IJzerwerkerkade te Rotterdam, welke locatie zich bevindt in de nabijheid van de Persoonshaven. Om 19.31 uur maakte de telefoon van de verdachte wederom gebruik van de zendmast aan de Stieltjesstraat. Om 19.32 uur kwam bij de meldkamer van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond de melding binnen dat in een personenauto welke geparkeerd stond op de Persoonshaven te Rotterdam, een persoon levenloos aangetroffen was. Deze melding is gedaan naar aanleiding van een kort daarvoor aan medewerkers van Stadstoezicht van de Gemeente Rotterdam gedane mededeling dat de ruit van een auto stuk was en dat er iemand in die auto lag. Een medewerker van Stadstoezicht nam om 19.30 uur waar dat er een persoon in de auto lag en dat deze persoon bloedde uit zijn hoofd. Naar aanleiding van deze melding is de politie om 19.33 uur naar de Persoonshaven gereden, waar zij om 19.35 uur het levenloze lichaam van het slachtoffer aantrof . Het slachtoffer bleek bij leven te zijn genaamd [slachtoffer] en was overleden tengevolge van 4 doorschotverwondingen. Uit het voorgaande volgt op zichzelf reeds dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft doodgeschoten. Immers is de verdachte – die één of twee dagen eerder al een pistool had getrokken toen hij hoorde dat de door hem geleverde cocaïne uit het huis van het slachtoffer was verdwenen – samen met het slachtoffer in diens auto in de richting van de Persoonshaven gereden, terwijl het slachtoffer ongeveer een kwartier later doodgeschoten in zijn auto is aangetroffen. Tussen het verlaten van het café en het aanstralen van een gsm-antenne nabij de Persoonshaven door de telefoon van verdachte zijn ongeveer zes minuten verstreken. Ongeveer 9 minuten daarna straalt verdachtes telefoontoestel weer de zendmast nabij het café aan. Deze zendmast ligt ook op de route van de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen naar de woning van de verdachte. Rekening houdend met de tijd die nodig is om van (de directe omgeving van) de eerste zendmast naar de Persoonshaven te rijden en weer terug, resteren ongeveer 3 á 4 minuten tijd waarin het slachtoffer en de verdachte op of nabij de Persoonshaven zijn geweest. Nu het slachtoffer daar is aangetroffen in de auto waarin hij en verdachte zijn weggereden, heeft de verdachte ook tijd moeten hebben om uit de auto te stappen en zich van de auto te verwijderen. De tijdspanne waarbinnen het slachtoffer moet zijn beschoten is derhalve beperkt tot 2 á 3 minuten. Door de verdachte is verklaard dat hij het slachtoffer op de Persoonshaven in contact heeft gebracht met zijn leverancier, een zekere [leverancier], en dat hij vervolgens de Persoonshaven heeft verlaten. De suggestie van verdachte dat het slachtoffer nadat verdachte was vertrokken en nadat hij hem met deze [leverancier] in contact had gebracht, is doodgeschoten, kan gelet op het hiervoor uiteengezette tijdspad, niet juist zijn. Aan dit verhaal van de verdachte wordt geen waarde gehecht nu daaromtrent niets is gebleken uit de voorhanden zijnde feiten en/of omstandigheden. Daarbij komt ook betekenis toe aan het feit dat de verdachte iedere naspeuring door de politie naar deze persoon onmogelijk heeft gemaakt. Het bewijs dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft doodgeschoten wordt nog versterkt door de verklaringen die [getuige 6] bij de politie heeft afgelegd , welke verklaringen door [getuige 6], als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, zijn bevestigd . [getuige 6] heeft verklaard dat hij de verdachte naar café [naam café] heeft gebracht, maar dat hij niet mee naar binnen is gegaan. Vervolgens heeft de verdachte [getuige 6] gebeld, waarna deze wederom naar het café is gereden. Daar zag hij dat de verdachte samen met een jongen in een auto stapte. [getuige 6] verklaart dat hij de auto op verzoek van de verdachte is gevolgd, totdat deze parkeerde. [getuige 6] heeft zijn auto eveneens geparkeerd, op korte afstand achter de auto die door hem was gevolgd. Daar heeft hij in zijn auto zitten wachten. Op een gegeven moment hoorde [getuige 6] een klap, waarna hij zag dat de verdachte aan de passagierszijde uit de auto stapte. De verdachte liep naar de auto van [getuige 6] en stapte in. Toen de verdachte naar de auto van [getuige 6] liep, zag [getuige 6] dat de verdachte een zwart pistool in zijn hand had. Omdat [getuige 6] een klap had gehoord vroeg hij aan de verdachte of hij de jongen had doodgeschoten, waarop deze tegen hem zei dat hij het niet meer pikte dat mensen onvoldoende respect toonden en hem in de maling nemen. [getuige 6] heeft voorts verklaard dat er twee personen in de auto zaten en dat hij behalve de verdachte verder niemand heeft zien in- of uitstappen terwijl hij wel goed zicht had op de auto. Namens de verdachte is betoogd dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [getuige 6] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, een en ander zoals nader weergegeven in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen. Het hof verwerpt dit verweer. Niet aannemelijk is geworden dat er ten aanzien van de verhoren van [getuige 6] door de politie onrechtmatig is gehandeld. Ten aanzien van de verslaglegging van het getuigenverhoor geldt dat het hof bij zijn oordeel met name heeft gelet op de volledig uitgewerkte verslagen van de verhoren. Voorts moge het zo zijn dat er door de intensiteit van de bevraging mogelijk enige druk op de getuige is uitgeoefend, maar dit betekent – mede gelet op de aard van het gepleegde delict – geenszins dat de handelwijze van de politie als ontoelaatbaar moet worden beoordeeld. Daarbij komt tevens betekenis toe aan de omstandigheid dat hetgeen de getuige heeft verklaard bevestiging vindt in de uit andere verklaringen af te leiden gang van zaken. Niet aannemelijk is dat de getuige door deze mogelijke druk is gedwongen tot een andere verklaring dan hij had willen afleggen. Daarnaast heeft [getuige 6] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet onder druk is gezet tijdens zijn verhoren bij de politie, en dat hij vasthoudt aan hetgeen hij tegenover de politie heeft verklaard. Voorts is het hof van oordeel dat de verklaringen van [getuige 6] voor het bewijs kunnen worden gebezigd, nu [getuige 6] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, waarbij de raadsman en de verdachte de gelegenheid hebben gehad vragen te stellen aan deze getuige. Namens de verdachte is verder (subsidiair) betoogd dat er geen sprake is van moord, nu er geen enkele indicatie is dat de verdachte tijdens het verlaten van café [naam café] reeds een voornemen had om het slachtoffer van het leven te beroven. Uit het voorgaande blijkt reeds dat ook dit verweer moet worden verworpen. Hierbij is met name van belang dat de verdachte bij het verlaten van het café een vuurwapen bij zich droeg en telefonisch contact heeft opgenomen met [getuige 6], met het verzoek de auto van het slachtoffer te volgen. Toen de verdachte het slachtoffer had doodgeschoten is hij bij [getuige 6] in de auto gestapt en zijn ze samen weggereden. Hieruit wordt afgeleid dat de verdachte reeds bij het verlaten van het café wist dat hij ander vervoer voor de terugweg moest regelen. Verzoeken van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, nu van de deurontgrendelingshendels aan de binnen en buitenzijde van rechter voorportier en rechter achterportier van de Mazda van het slachtoffer wel monsters zijn genomen, maar deze monsters door het NFI niet op DNA-sporen zijn onderzocht. Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af, nu een dergelijk onderzoek geen enkel uitsluitsel kan geven over de door de raadsman opgeworpen suggestie ten aanzien van een mogelijke andere dader. Het hof acht een dergelijk onderzoek dan ook niet noodzakelijk. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien de verklaringen van [getuige 6] voor het bewijs worden gebezigd, een deskundige te benoemen om de betrouwbaarheid van deze verklaringen te toetsen. Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af, nu het hof zeer wel in staat is een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van door [getuige 6] afgelegde verklaringen, mede gelet op het feit dat [getuige 6] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verzocht, indien de data en tijdstippen van de zendmasten een rol spelen in de gebezigde bewijsmiddelen, de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde een deskundige te vragen een onderzoek te doen naar de daadwerkelijke data en tijdstippen van de aanstraling van de telefoon van de verdachte op de zendmasten. Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af, nu het hof daartoe geen noodzaak ziet, mede gelet op de door de getuige [getuige 6] afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Tenslotte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de geluidsopname van het verhoor van verdachte bij de politie van 17 maart 2007 alsnog uit te werken, nu blijkens deze geluidsopname de verdachte tijdens dit verhoor heeft gevraagd om bijstand van een advocaat, terwijl dit verzoek van de verdachte niet is terug te vinden in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 maart 2007 nr. 2007083477-87. De verklaring van de verdachte is derhalve onvolledig volgens de raadsman. Het hof wijst ook dit verzoek af, nu deze verklaring van de verdachte niet voor het bewijs wordt gebezigd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: “hij op 8 maart 2007 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels afgevuurd op het hoofd en het bovenlichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Moord. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft het slachtoffer in koelen bloede op lafhartige wijze gedood. Volgens een tevoren opgevat plan heeft de verdachte in een auto vier kogels afgevuurd op het slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer van dichtbij in het hoofd en in het bovenlichaam geschoten, ten gevolge waarvan deze is overleden. Hij pleegde dit feit uit woede over de verdwijning van een hoeveelheid door hem geleverde maar nog niet (geheel) betaalde drugs, waarvoor hij het slachtoffer verantwoordelijk hield. Los van de betaling vond verdachte, zo blijkt uit de stukken, dat hij niet met voldoende respect behandeld werd, hetgeen hem zo woedend maakte dat hij (ook eerder) naar een vuurwapen heeft gegrepen en dat uiteindelijk daadwerkelijk heeft gebruikt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een delict waarop de wet de zwaarst mogelijke strafbedreiging heeft gesteld. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het leven ontnomen aan iemand maar heeft hij tevens onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een delict als het onderhavige, gepleegd op de openbare weg, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren. Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. S.J.A.M. van Gend, in bijzijn van de griffier R. Luijken. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2008.