
Jurisprudentie
BF3681
Datum uitspraak2008-07-25
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/660483-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/660483-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Hennepkwekerij. Hennepafval. Medeplegen.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid hennep, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 100 uur. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank hierop echter een strafkorting van 5% toepassen.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/660483-06
Uitspraakdatum: 8 augustus 2008
Tegenspraak
Strafvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juli 2008 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Feit 1
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand/woning aan de [adres]) een hoeveelheid hennep, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
Feit 2
zij op of omstreeks 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/woning aan de [adres]) ongeveer 48,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 3
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan N.V. Continuon Netbeheer (NUON), in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2. Voorvragen: de ontvankelijkheid het openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat op onrechtmatige wijze is binnengetreden in de woning waar de hennepplantage is aangetroffen. De rechtbank begrijpt dat de raadsman hier twee stellingen aan ten grondslag legt:
(1) Op het moment dat de deur van de woning werd geforceerd, was er geen redelijk vermoeden dat sprake was van overtreding van de Opiumwet in dat pand. Op het moment dat de agenten naar de woning gingen, was er immers alleen een MMA melding, wat onvoldoende is voor een dergelijk vermoeden. Er is weliswaar op 5 juli 2007 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin de verbalisanten die de deur hebben geforceerd verklaren dat zij door de brievenbus hebben gekeken, dat zij toen in de gang verscheidene vuilniszakken en tuinaarde zagen liggen en dat zij pas daarna de deur hebben geforceerd, maar dat proces-verbaal is pas een jaar en drie maanden na het binnentreden opgemaakt. Deze aanvullende verklaring over de gang van zaken is, mede gezien het tijdsverloop, ongeloofwaardig: er is geen nader onderzoek verricht tussen de MMA-melding en het daadwerkelijke binnentreden.
(2) De verbalisanten hadden weliswaar een schriftelijk machtiging tot binnentreden, maar deze was afgegeven enkel op basis van de MMA-melding. De machtiging had niet alleen op deze grond afgegeven mogen worden.
De raadsman heeft primair gesteld dat het voorgaande dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt:
(1) De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan datgene wat de verbalisanten in het aanvullend proces-verbaal hebben geverbaliseerd. Daarmee staat vast dat de verbalisanten de woning hebben betreden niet alleen op basis van de MMA-melding. De rechtbank oordeelt dan ook dat op het moment dat de verbalisanten de woning binnentraden, sprake was van een redelijk vermoeden dat in de woning een hennepplantage aanwezig was.
(2) Voor wat betreft de afgegeven machtiging tot het binnentreden van de woning geldt niet dat op het moment van de afgifte van de machtiging al voldaan moet zijn het vereiste van een redelijk vermoeden dat in die specifieke woning een overtreding van de Opiumwet plaats vindt, zoals dat wel voor het moment van binnentreden geldt. De machtiging mocht worden afgegeven alleen op basis van de MMA-melding dat in die specifieke woning een hennepplantage aanwezig zou zijn.
In het licht van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn.
3. Bewijs
3.1 Bewijsverweer: onrechtmatig verkregen bewijs
De raadsman heeft, subsidiair (voor het geval het openbaar ministerie wel ontvankelijk zou zijn), aangevoerd dat, aangezien het binnentreden van het pand onrechtmatig was, het bewijs betreffende het aantreffen van de hennepplantage onrechtmatig is verkregen. Derhalve dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.
De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar wat zij hiervoor onder 2. heeft overwogen.
3.2. Vrijspraak feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen aan verdachte als feit 3 ten laste is gelegd. Dat min of meer als feit van algemene bekendheid geldt dat voor het in stand houden van een hennepkwekerij veelal stroom illegaal wordt afgetapt, gaat hier niet op. Verdachte heeft niet de Nederlandse nationaliteit en niet vastgesteld kan worden dat zij weet heeft van deze gang van zaken. Verdachte moet derhalve van het haar onder feit 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.
3.3 Bewezenverklaring feit 1 en 2
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:
Feit 1
zij op tijdstippen in de periode van 7 april 2005 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk hennepplanten heeft geteeld (in een woning aan de [adres]), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Feit 2
zij op 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres]) ongeveer 48,8 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
3.4 Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
* De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woonde met [medev[medeverdachte] op de [adres] te Spaarndam. Ik wist dat in deze woning een hennepkwekerij was. Ik heb een keer geholpen met knippen.
* Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 16), inhoudende onder meer, zakelijk weergegeven:
Op 7 april 2006 hebben wij een onderzoek ingesteld in het perceel [adres] 3 te Spaarndam. Wij troffen daar kamers aan die geheel waren ingericht als hennepkwekerij.
* Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (dossierpagina 24), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:
De weedkwekerij heeft ongeveer een jaar in de woning [adres] gezeten en ik heb die ongeveer een jaar onderhouden. [verdachte] kreeg 150 euro voor het knippen van de hennep.
Ten aanzien van feit 2:
* De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik wist van de hennepkwekerij. Ik heb een keer geholpen met knippen.
* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 16), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:
In de woonkamer van het perceel [adres] te Spaarndam troffen wij op 7 april 2007 een doorzichtige plastic zak aan met hierin gedroogde weed. Dit is gewogen op het politiebureau en het bleek te gaan om 48,8 gram.
* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (dossierpagina 24), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:
Het zakje met weed dat u heeft aangetroffen is weedpulp. Dit is niet te verkopen, je kunt het wel roken.
3.5 Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De raadsman van verdachte stelt dat er geen sprake is van medeplegen nu er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar partner. Zijn cliënte sliep slechts in het pand. Dit brengt niet met zich mee dat zij iets met het bestaan van de hennepkwekerij te maken heeft gehad. Zij was slechts betrokken bij de plantjes die haar partner voor zichzelf had achtergehouden.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Verdachte woonde samen met haar partner in de woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Zij verklaart ter terechtzitting geweten te hebben van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in deze woning. Ook geeft zij aan een keer plantjes geknipt te hebben en haar vriend, medeverdachte [medeverdachte], heeft verklaard dat zij daar geld voor heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van het voorgaande sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], dat medeplegen kan worden bewezen. De omstandigheid dat de rol van verdachte geringer was dan die van haar medeverdachte is een factor die de rechtbank bij de strafmaat zal meewegen.
Ten aanzien van feit 2
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat zich in het hennepafval dat in de plastic zak is aangetroffen niet de werkzame stof THC bevindt. Deze stof zou vooral in de toppen geconcentreerd zitten en niet in de blaadjes. Zijns inziens valt het afval van de hennepplanten dat is aangetroffen niet onder enige strafbepaling. Hij concludeert dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het haar als feit 2 tenlastegelegde.
De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 1994 (NJ 1994, 674) waarin wordt geoordeeld dat het begrip hennep de gehele hennepplant omvat ongeacht de vraag of de plant werkzame bestanddelen bevat.
4. Strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.
Feit 2
Handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van sancties en van overige beslissingen
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een werkstraf van honderdtachtig (180) uur, bij niet of niet naar behoren verrichten, te vervangen door hechtenis voor de duur van negentig (90) dagen.
6.2. Hoofdstraf
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft, samen met haar partner [medeverdachte], een wietkwekerij in het huis waar zij woonde gehad. [medeverdachte] geeft aan dat twee mannen, [naam] en [naam], hem aanboden de huur van het huis te betalen in ruil voor het verzorgen van de hennepplantjes. [medeverdachte] is hiermee akkoord gegaan. Hij moest een aantal dagen zijn huis uit en toen hij weer thuis kwam was er een wietkwekerij in zijn huis aanwezig. Hij heeft de planten verzorgd, ze geoogst en deze oogst naar Amsterdam gebracht waar [naam] en [naam] deze van hem overnamen. Ook kreeg hij daar weer nieuwe planten om te verzorgen. Ook verdachte heeft geholpen met het oogsten van de wiet. Tevens is in de woning van verdachte een zakje met delen van hennepplanten gevonden.
Door te handelen als bovenstaand beschreven heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Daarnaast wordt door dit handelen de handel in softdrugs in stand gehouden. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan het instandhouden van een markt voor deze softdrugs. De gezondheidsbelangen van anderen worden op het spel gezet en de maatschappij lijdt schade onder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten. De vestiging van een hennepkwekerij in een woonwijk veroorzaakt niet alleen verlast voor de omgeving, maar levert daarnaast ook brandgevaar op. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en heeft enkel gehandeld met het oog op financieel gewin.
Hoewel de rechtbank de rol van verdachte in de gebeurtenissen geringer acht dan die van medeverdachte [medeverdachte], rekent zij het gedrag van verdachte haar wel aan.
Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juni 2008, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor een soortgelijk feit.
De door de rechtbank op te leggen straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het als feit 3 tenlastegelegde niet bewezen acht en zij de rol van verdachte in verhouding tot haar medeverdachte met betrekking tot het wel bewezen verklaarde feit 1 geringer inschat.
De rechtbank acht een werkstraf van 100 uur passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank hierop echter een strafkorting van 5% toepassen.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Wetboek van Strafrecht: 9, 47, 57,
Opiumwet: 3, 11.
8. Beslissing
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het haar onder 3 tenlastegelegde feit.
Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van vijfennegentig (95) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door zevenenveertig (47) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uur taakstraf, subsidiair één dag vervangende hechtenis, in mindering wordt gebracht.
9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. Burg, voorzitter,
mr. Rutten en mr. Dijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Witte,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 augustus 2008.
Mr. Burg en mr. Dijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Parketnummer: 15/660483-06
Inzake: VIKTORIJA VADIMONVA CHAMKOVA blad 8
vonnis