Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3561

Datum uitspraak2008-07-25
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/660482-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hennepkwekerij. MMA-melding. Op onrechtmatige wijze binnentreden? De rechtbank acht bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Ook acht de rechtbank bewezen dat de verdachte, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan N.V. Continuon Netbeheer (NUON), waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 200 uur. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank hierop echter een strafkorting van 5% toepassen.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/660482-06 Uitspraakdatum: 8 augustus 2008 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juli 2008 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: Feit 1 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pa[adres]] een hoeveelheid hennep, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; Feit 2 hij op of omstreeks 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pa[adres]] ongeveer 48,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 3 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan N.V. Continuon Netbeheer (NUON), in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; 2. Voorvragen: de ontvankelijkheid het openbaar ministerie De raadsman heeft aangevoerd dat op onrechtmatige wijze is binnengetreden in de woning waar de hennepplantage is aangetroffen. De rechtbank begrijpt dat de raadsman hier twee stellingen aan ten grondslag legt: (1) Op het moment dat de deur van de woning werd geforceerd, was er geen redelijk vermoeden dat sprake was van overtreding van de Opiumwet in dat pand. Op het moment dat de agenten naar de woning gingen, was er immers alleen een MMA melding, wat onvoldoende is voor een dergelijk vermoeden. Er is weliswaar op 5 juli 2007 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin de verbalisanten die de deur hebben geforceerd verklaren dat zij door de brievenbus hebben gekeken, dat zij toen in de gang verscheidene vuilniszakken en tuinaarde zagen liggen en dat zij pas daarna de deur hebben geforceerd, maar dat proces-verbaal is pas een jaar en drie maanden na het binnentreden opgemaakt. Deze aanvullende verklaring over de gang van zaken is, mede gezien het tijdsverloop, ongeloofwaardig: er is geen nader onderzoek verricht tussen de MMA-melding en het daadwerkelijke binnentreden. (2) De verbalisanten hadden weliswaar een schriftelijk machtiging tot binnentreden, maar deze was afgegeven enkel op basis van de MMA-melding. De machtiging had niet alleen op deze grond afgegeven mogen worden. De raadsman heeft primair gesteld dat het voorgaande dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt: (1) De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan datgene wat de verbalisanten in het aanvullend proces-verbaal hebben geverbaliseerd. Daarmee staat vast dat de verbalisanten de woning hebben betreden niet alleen op basis van de MMA-melding. De rechtbank oordeelt dan ook dat op het moment dat de verbalisanten de woning binnentraden, sprake was van een redelijk vermoeden dat in de woning een hennepplantage aanwezig was. (2) Voor wat betreft de afgegeven machtiging tot het binnentreden van de woning geldt niet dat op het moment van de afgifte van de machtiging al voldaan moet zijn het vereiste van een redelijk vermoeden dat in die specifieke woning een overtreding van de Opiumwet plaats vindt, zoals dat wel voor het moment van binnentreden geldt. De machtiging mocht worden afgegeven alleen op basis van de MMA-melding dat in die specifieke woning een hennepplantage aanwezig zou zijn. In het licht van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn. 3. Bewijs 3.1 Bewijsverweer: onrechtmatig verkregen bewijs De raadsman heeft, subsidiair (voor het geval het openbaar ministerie wel ontvankelijk zou zijn), aangevoerd dat, aangezien het binnentreden van het pand onrechtmatig was, het bewijs betreffende het aantreffen van de hennepplantage onrechtmatig is verkregen. Derhalve dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar wat zij hiervoor onder 2. heeft overwogen. 3.2 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat: Feit 1 hij op tijdstippen in de periode van 7 april 2005 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld (in e[adres]], zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Feit 2 hij op 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in e[adres]] ongeveer 48,8 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Feit 3 hij op tijdstippen in de periode van 7 april 2005 tot en met 7 april 2006 te Spaarndam, gemeente Haarlem, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan N.V. Continuon Netbeheer (NUON), waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 3.3 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen: Ten aanzien van feit 1: * De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik een weedplantage heb gehad in m[adres]s] te Spaarndam. Ik ben benaderd door twee mannen. Zij hebben de weedplantage aangelegd en ik heb die voor hen onderhouden. U houdt mij voor dat er 225 plantenpotjes zijn aangetroffen. Ja, dat kan wel kloppen, ik had rond de 200 hennepplanten. Mijn vriendin (medeverdachte [medev[medeverdachte]] heeft geholpen met knippen. * Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 24), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: De weedkwekerij heeft ongeveer een jaar in de woning [adres] gezeten en ik heb die ongeveer een jaar onderhouden. * Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 16), inhoudende onder meer, zakelijk weergegeven: Op 7 april 2006 hebben wij een onderzoek ingeste[adres]s] te Spaarndam. Wij troffen daar kamers aan die geheel waren ingericht als hennepkwekerij. Ten aanzien van feit 2: * De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven: De plastic zak met weed die in de woonkamer is aangetroffen was voor [betrokkene]. * Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 16), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: In de woonkamer troffen wij een doorzichtige plastic zak aan met hierin gedroogde weed. Dit is gewogen op het politiebureau en het bleek te gaan om 48,8 gram. * Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 24), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Het zakje met weed dat u heeft aangetroffen is weedpulp. Ten aanzien van feit 3: * De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: Ik heb de weedkwekerij ongeveer een jaar onderhouden. Ik was benaderd door twee mannen om een weedkwekerij in mijn woning te nemen. Ik ben een paar dagen mijn woning uit geweest en zij hebben intussen alles ingericht. * Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 17), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: I[adres]s] te Spaarndam is een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Er is illegaal minimaal 171.303 kWh afgenomen. * Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 16). Op 7 april 2006 hebben wij een onderzoek ingeste[adres]s] te Spaarndam. Wij troffen daar kamers aan die geheel waren ingericht als hennepkwekerij. Ook zagen wij een electriciteitskabel lopen die los boven de trap hing en naar boven liep. 3.4 Bewijsoverweging Ten aanzien van feit 3 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet wist dat de electriciteit voor de hennepkwekerij illegaal werd afgetapt. Hij stelt dat de kwekerij door anderen is aangelegd en dat hij nooit heeft gezien dat er met de elektriciteit was gerommeld aangezien hij nooit in de meterkast keek. De rechtbank verwerpt dit verweer. Vast staat dat verdachte gedurende geruime tijd in het perceel aan de [adres] woonde terwijl de hennepkwekerij daar aanwezig was, welke kwekerij verdachte volledig verzorgde. Tevens is gebleken dat er een losse elektriciteitskabel in de woning naar boven liep. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht feit 3 dan ook bewezen. 4. Strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1 Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet. Feit 2 Handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet. Feit 3 Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking. 5. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6. Motivering van sancties en van overige beslissingen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tweehonderd (200) uur, bij niet of niet naar behoren verrichten, te vervangen door hechtenis voor de duur van honderd (100) dagen. 6.2 Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, samen met zijn partner [medeverdachte], een wietkwekerij in zijn huis aanwezig gehad. Verdachte geeft aan dat twee mannen, [naam] en [naam], hem aanboden de huur van zijn huis te betalen in ruil voor het verzorgen van hun hennepplantjes. Verdachte is hiermee akkoord gegaan. Hij moest een aantal dagen zijn huis uit en toen hij weer thuis kwam was er een wietkwekerij in zijn huis aanwezig. Hij heeft de planten verzorgd, ze geoogst en deze oogst naar Amsterdam gebracht waar [naam] en [naam] deze van hem overnamen. Ook kreeg hij daar weer nieuwe planten om te verzorgen. Ook [medeverdachte] heeft geholpen met het oogsten van de wiet. De kwekerij werd voorzien van illegaal afgetapte energie. Tevens is in de woning van verdachte een zakje met onderdelen van hennepplanten gevonden. Verdachte verklaart hieromtrent dit voor zichzelf achtergehouden te hebben na de laatste oogst. Door te handelen als bovenstaand beschreven heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Daarnaast wordt door dit handelen de handel in softdrugs in stand gehouden. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan het instandhouden van een markt voor deze softdrugs. De gezondheidsbelangen van anderen worden op het spel gezet en de maatschappij lijdt schade onder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten. De vestiging van een hennepkwekerij in een woonwijk veroorzaakt niet alleen overlast voor de omgeving, maar levert daarnaast ook brandgevaar op. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en heeft enkel gehandeld heeft met het oog op financieel gewin. De rechtbank acht een werkstraf van 200 uur passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank hierop echter een strafkorting van 5% toepassen. 7. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Wetboek van Strafrecht: 9, 47, 57, 310, 311, Opiumwet: 3, 11. 8. Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdnegentig (190) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 95 dagen hechtenis. 9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Burg, voorzitter, mr. Rutten en mr. Dijk, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Witte, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 augustus 2008. Mr. Burg en mr. Dijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Parketnummer: 15/660482-06 Inzake: [naam] blad 8 vonnis