
Jurisprudentie
BF3430
Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.773/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.773/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
In het getuigenverhoor dat in eerste aanleg is gehouden heeft [appellant] over het probandum verklaard, zakelijk weergegeven, dat de vader van partijen heeft afgesproken met [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] de Tractor zou overdragen aan [appellant] als beloning voor diens werkzaamheid, en dat de vader van partijen daarvan mededeling aan [appellant] heeft gedaan. Het hof acht dit, evenals de rechtbank, zonder meer onvoldoende om hieraan bewijs van de overdracht van [geïntimeerde] aan [appellant] te ontlenen. [appellant]'s echtgenote heeft verklaard dat zij desgevraagd van haar schoonvader heeft vernomen dat zij "nait in stront moet roer'n", hetgeen door het hof wordt begrepen als "niet mee moet bemoeien". Voorts heeft zij verklaard dat zijzelf of [appellant] een bedrag van ongeveer fl. 600,-- of fl. 700,-- uit handen van [geïntimeerde] heeft ontvangen in verband met de werkzaamheden van [appellant] aan [geïntimeerde]s tractor(en). Zij kwam naar eigen zeggen eerst in de zomer van 1980, derhalve na de gestelde overdracht van de Tractor, op de boerderij. De verklaring van de echtgenote betreft derhalve niet een eigen waarneming van de gestelde overdracht. Haar verklaring ondersteunt slechts zeer ten dele de partij-getuigenverklaring van [appellant]. De overgelegde verklaringen van derden leggen naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om [appellant] geslaagd te achten in het hem opgedragen bewijs.
Uitspraak
Arrest d.d. 23 september 2008
Zaaknummer: 107.001.773/01 (Voorheen: Rolnummer 0700292)
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats en -gemeente appellant],
appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. P. Stehouwer,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. P. Sipma.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 11 juni 2003, 19 mei 2004, 16 maart 2005, 20 juli 2005, 17 mei 2006 en 22 november 2006 door de rechtbank Groningen.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 16 februari 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 16 mei 2007.
De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:
"bij arrest, te vernietigen de vonnissen van de rechtbank Groningen in de zaak met zaak/rolnummer 64460/HA ZA 03-286, gewezen op 19 mei 2004, 16 maart 2005, 20 juli 2005, 17 mei 2006 en 22 november 2006, en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans deze hem te ontzeggen, één en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd, onder overlegging van een productie, met als conclusie:
"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
in principaal appèl en in incidenteel appèl:
de vonnissen van de rechtbank Groningen van 19 mei 2004, 20 juli 2005 en 17 mei 2006 te bekrachtigen en het tussenvonnis van de rechtbank van 16 maart 2005 en het eindvonnis van 22 november 2006 te vernietigen; wat het eindvonnis betreft, voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag (aan hoofdsom) te voldoen van
€ 12.000 alsmede voor zover [appellant] in dat eindvonnis is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 4.019,56, en opnieuw rechtdoende:
primair:
[appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 13.500 vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding (26 maart 2003) tot aan de dag der algehele voldoening;
subsidiair [appellant] te belasten met het leveren van bewijs van zijn stelling dat de waarde (van; toev. hof) de roestbruine Lanz Bulldog op het moment van verduistering in 2001 lager was dan € 13.500;
zomede tenslotte principaal appellant/incidenteel geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de gerechtelijke procedures in beide instanties; in eerste aanleg ten belope van
( €4.019,56 -/- € 775=) € 3.244,56, te vermeerderen met wettelijke rente over de beslagkosten (bestaande uit € 246,40 explootkosten + € 80 verschotten) per 6 december 2006".
Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord, onder overlegging van producties, met als conclusie:
"In het principaal appèl:
tot persistit!
In het incidenteel appèl:
(...) bij arrest, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appèl althans het incidenteel appèl ongegrond te verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appèl".
Voorts heeft [geïntimeerde] een antwoordakte in principaal appel, tevens houdende akte uitlaat producties in incidenteel appel genomen.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen, waarvan hij twee als voorwaardelijk heeft aangemerkt.
[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.
De beoordeling
De ontvankelijkheid
1. [appellant] zal in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover dat is ingesteld tegen het vonnis van 11 juni 2003, nu tegen dat vonnis geen grieven zijn gericht.
De vaststaande feiten
2. Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in haar vonnis van 19 mei 2004 zijn geen grieven gericht, zodat het hof eveneens van die feiten zal uitgaan. Het hof zal de feiten, zakelijk weergegeven, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep eveneens als vaststaand hebben te gelden, hierna weergeven. Hoewel geen uitdrukkelijke grief is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank van het feit dat [appellant] vanaf 1 januari 1979 de tractor is gaan houden voor [geïntimeerde], blijkt uit de stellingen van [appellant] dat hij tegen die vaststelling bezwaar heeft. Hij omschrijft in zijn memorie van grieven onder 15 de situatie aldus dat de hierna in rechtsoverweging 2.2 bedoelde tractor van eind 1977 tot 2001 heeft gestaan op de ouderlijke boerderij te Schouwerzijl, welke door hem vanaf 1 januari 1979 werd gepacht. Dit onweersproken feit zal als vaststaand worden aangemerkt.
2.1 Eind 1977 heeft [geïntimeerde] een roestbruine tractor van het merk Lanz/Bulldog 15/30 uit de periode 1928-1935 gekocht, voorzien van een bijbehorend eigendomsbewijs (een Belgisch inschrijvingsboekje met nr. 649872) en een Betriebsanleitung. Deze bescheiden zijn thans nog in bezit van [geïntimeerde].
2.2 [geïntimeerde] heeft de roestbruine tractor, (verder: de Tractor), in 1977 tezamen met een andere hem toebehorende Lanz Bulldog tractor, gestald in een bedrijfsgebouw behorend bij de toenmalige boerderij van de ouders van partijen te Schouwerzijl. Sedert 1 januari 1979 is [appellant] pachter van de ouderlijke boerderij.
In het bedrijfsgebouw stond tevens een blauwe Lanz Bulldog tractor van [appellant].
De vader en moeder van partijen zijn overleden in 1991 respectievelijk 1993.
2.3 [appellant] heeft restauratiewerkzaamheden aan de beide tractoren van [geïntimeerde] verricht. [appellant] heeft in verband daarmee op enig moment een kostenoverzicht opgesteld (prod. 5 bij de inleidende dagvaarding) en dit aan [geïntimeerde] ter hand gesteld.
2.4 [appellant] heeft tot medio de tachtiger jaren met de Tractor deelgenomen aan onder meer optochten en festiviteiten.
2.5 Bij brief van 22 december 1999 (prod. 6 bij de inleidende dagvaarding) is [appellant] namens [geïntimeerde] gesommeerd tot afgifte van een tractor van het merk Lanz Bulldog die bij [appellant] in de schuur zou staan en aan [geïntimeerde] zou toebehoren. In reactie hierop heeft [appellant] bij brief van 12 december 2000 (prod. 7 bij de inleidende dagvaarding) laten weten eigenaar te zijn van de Lanz Bulldog tractor die in 1978 is aangeschaft en sindsdien bij hem in de schuur staat.
2.6 [appellant] heeft de Tractor in 2001 verkocht en geleverd aan een derde.
2.7 Ter gelegenheid van een bespreking over de nalatenschap van de ouders op 17 januari 2003 heeft [geïntimeerde] van [appellant] vernomen van de vervreemding van de Tractor door [appellant]. Hierop heeft [geïntimeerde] aangifte gedaan van verduistering. Hij heeft in maart 2003 conservatoir beslag laten leggen op de blauwe Lanz Bulldog tractor van [appellant].
In het principaal appel
De grieven
3. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de Tractor in eigendom is blijven toebehoren aan de oorspronkelijke eigenaar [geïntimeerde] (en bij positieve beantwoording van die vraag vervolgens tot welk bedrag [geïntimeerde] schade heeft geleden doordat [appellant] die heeft verkocht aan een derde), danwel eigendom is geworden van [appellant].
3.1 Door de inhoud van de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.
3.2 [appellant] betwist het oordeel van de rechtbank dat hij van meet af aan tot het moment van vervreemding van de Tractor als houder daarvan voor [geïntimeerde] is opgetreden. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat hij eerst bezitter is geworden op het tijdstip dat hij de Tractor heeft verkocht, in 2001. [appellant] stelt daarentegen dat hij eigenaar/bezitter is geworden in de winter van 1978/1979, toen hij de Tractor van [geïntimeerde] heeft verkregen als tegenprestatie voor zijn werkzaamheden aan twee tractoren van [geïntimeerde], waaronder de Tractor en de investering in materialen daarvoor. Sedertdien is hij - [appellant] - volgens zijn stellingen eigenaar en heeft hij zich als zodanig gedragen.
3.3 De rechtbank is bij de beoordeling van de rechtsvraag wie de bezitter van de Tractor is geweest tussen eind jaren '70 en 2001, uitgegaan van het in artikel 3:111 BW neergelegde uitgangspunt. [appellant] is aanvankelijk houder geweest van de Tractor en de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] de wijziging van zijn titel diende te bewijzen. De rechtbank heeft [appellant] - kort gezegd - opgedragen te bewijzen dat de eigendom is overgedragen door [geïntimeerde] aan [appellant] in de winter van 1978/1979 en heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.
3.4 Het hof stelt vast dat onbetwist is dat de Tractor tussen 1977 en 2001 op de boerderij waar [appellant] woonde, heeft gestaan. Evenmin is betwist de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] sedert eind jaren '70 van de vorige eeuw geen aandacht meer heeft geschonken aan de Tractor, er niet meer mee heeft gereden en geen onderhoud heeft gepleegd. Eerst in december 1999 heeft hij de Tractor opgeëist, waarna [appellant] zijn eigendomsrecht heeft geclaimd in 2000 en de Tractor heeft verkocht aan een derde in 2001.
3.5 [geïntimeerde] stelt dat hij eigenaar was en is gebleven van de Tractor en dat [appellant] steeds als houder is opgetreden, totdat [appellant] de Tractor heeft verkocht aan een derde. Deze bezitsdaad is als onrechtmatig jegens [geïntimeerde] te kwalificeren. Als schadevergoeding voor dit onrechtmatig handelen claimt [geïntimeerde] een bedrag van € 13.500,-- zijnde de waarde onder liefhebbers voor een gerestaureerde tractor, die niet is voorzien van originele banden en lak.
3.6 Artikel 3:108 en 3:109 BW bepalen dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of een ander doet, naar verkeersopvatting wordt beoordeeld, met inachtneming van de daarna vermelde regels. Wie een goed houdt, wordt vermoed voor zichzelf te houden. Art. 3:111 BW houdt in dat, wie heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij tengevolge van een tegenspraak van diens recht. Deze wijziging kan door inbezitneming, overdracht of opvolging onder algemene titel (art. 3:112 BW).
3.7 In casu staat vast dat in aanvang [appellant] houder van de bij de ouderlijke boerderij gestalde Tractor is geweest. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vordering primair aan de hand van het bepaalde in artikel 3:111 BW dient te worden beoordeeld. [appellant] heeft immers gesteld dat hij - nadat hij aanvankelijk als houder is opgetreden - vanaf de winter van 1978/1979 eigenaar/bezitter is geworden. Voor overdracht van bezit, zoals door [appellant] gesteld, is in casu een tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende, wanneer de verkrijger houder van de zaak voor de vervreemder was (art. 3:115 onder b BW).
3.8 [appellant] stelt concreet dat hij in de winter van 1978/1979 door [geïntimeerde] in het bezit is gesteld van de Tractor. Op juiste gronden heeft de rechtbank [appellant] belast met het bewijs dat hij eigenaar is geworden van de Tractor, doordat deze aan hem is overgedragen. De omstandigheid dat de Tractor jarenlang op de boerderij heeft gestaan zonder dat [geïntimeerde] er naar omkeek of aan de Tractor heeft gewerkt, is in dat verband niet van belang. Het staat een eigenaar immers vrij zijn goederen te gebruiken of niet. Dat [geïntimeerde] aan [appellant] - al dan niet uitdrukkelijk - toestemming gaf de Tractor te gebruiken bij feestelijkheden, is evenmin van doorslaggevend belang. Dat de situatie jarenlang heeft bestaan, verandert de juridische status van de houder niet.
3.9 In het getuigenverhoor dat in eerste aanleg is gehouden heeft [appellant] over het probandum verklaard, zakelijk weergegeven, dat de vader van partijen heeft afgesproken met [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] de Tractor zou overdragen aan [appellant] als beloning voor diens werkzaamheid, en dat de vader van partijen daarvan mededeling aan [appellant] heeft gedaan. Het hof acht dit, evenals de rechtbank, zonder meer onvoldoende om hieraan bewijs van de overdracht van [geïntimeerde] aan [appellant] te ontlenen. [appellant]'s echtgenote heeft verklaard dat zij desgevraagd van haar schoonvader heeft vernomen dat zij "nait in stront moet roer'n", hetgeen door het hof wordt begrepen als "niet mee moet bemoeien". Voorts heeft zij verklaard dat zijzelf of [appellant] een bedrag van ongeveer fl. 600,-- of fl. 700,-- uit handen van [geïntimeerde] heeft ontvangen in verband met de werkzaamheden van [appellant] aan [geïntimeerde]s tractor(en). Zij kwam naar eigen zeggen eerst in de zomer van 1980, derhalve na de gestelde overdracht van de Tractor, op de boerderij. De verklaring van de echtgenote betreft derhalve niet een eigen waarneming van de gestelde overdracht. Haar verklaring ondersteunt slechts zeer ten dele de partij-getuigenverklaring van [appellant]. De overgelegde verklaringen van derden leggen naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om [appellant] geslaagd te achten in het hem opgedragen bewijs.
3.10 In hoger beroep is geen nader bewijsaanbod gedaan en zijn geen andere feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, waardoor dit oordeel zou moeten worden gewijzigd. Het hof oordeelt dat [appellant] niet is geslaagd in het hem - terecht - opgedragen bewijs dat hij eigenaar is geworden van de Tractor. Daarmee staat in rechte vast dat [geïntimeerde] eigenaar van de Tractor is gebleven. Door de Tractor te verkopen heeft [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] gehandeld.
3.11 De grieven I, II, III en IV falen op grond van vorenstaande.
Grief V in het principaal appel, alsmede de grief in het incidenteel appel
3.12 Deze grieven stellen aan de orde de vraag welke schade door [appellant] aan [geïntimeerde] is toegebracht door zijn onrechtmatig handelen. Deze schade dient te worden berekend naar het moment dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, te weten het moment van vervreemding.
In eerste aanleg zijn diverse taxaties en gezichtspunten naar voren gebracht, waarbij [geïntimeerde] als de waarde van de Tractor € 13.500,00 aangeeft, conform de taxatie van de door hem ingeschakelde deskundige [de deskundige]. [appellant] stelt de waarde van de Tractor op € 6.200,-- conform taxatie van [de taxateur], door [appellant] als deskundige ingeschakeld. De door de rechtbank benoemde deskundige [de deskundige 1] heeft als waarde aangegeven € 11.000,00, op basis van foto's.
3.13 Het betreft een "antieke" tractor, die niet zozeer handelswaarde heeft, alswel waarde voor de liefhebber. De rechtbank heeft de schade begroot op € 12.000,--, overwegend dat aan geen van de vermelde waardebepalingen doorslaggevend belang kan worden toegekend. Meegewogen is dat slechts naar aanleiding van foto's waarderingen hebben plaatsgevonden, dat de Tractor niet geheel in originele staat verkeerde, niet was gespoten en het aan [appellant] te wijten is dat het niet mogelijk is de Tractor fysiek te laten beoordelen, hetgeen voor zijn risico komt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, alle omstandigheden afgewogen, de schade begroot dient te worden op een bedrag van € 12.000,--. Dit brengt mee dat zowel grief V in het principaal appel als de grief in het incidenteel appel falen.
3.14 In grief VI stelt [appellant] dat ten onrechte de kosten van de in eerste aanleg gehoorde getuige en de benoemde deskundige in de kostenveroordeling is opgenomen. [geïntimeerde] heeft erkend dat dit een vergissing moet zijn en heeft onweersproken gesteld dat de proceskostenveroordeling op de juiste basis is voldaan door [appellant] en dat hij afstand van dat onterecht toegewezen bedrag heeft gedaan. Aldus is die kwestie niet meer inhoudelijk in het geding. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg dient met het bedrag dat gemoeid is met de kosten van de getuige en de deskundige te worden verminderd.
De slotsom in het principaal en het incidenteel appel.
3.15 [appellant] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van 11 juni 2003.
Het vonnis d.d. 22 november 2006 waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover het betreft de kostenveroordeling tot een bedrag van € 4.019,56. Deze kostenveroordeling dient te bedragen € 3.244,56, met rentevergoeding als gevorderd. Het vonnis van 22 november 2006 en de voorafgaande tussenvonnissen, behoudens het vonnis van 11 juni 2003, dienen voor het overige te worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep. In het principaal worden de advocaatkosten begroot op 1 punt naar tarief II, in het incidenteel appel op een half punt naar tarief II zijnde respectievelijk € 894 en €447,--.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover het is gericht tegen het vonnis van 11 juni 2003;
vernietigt het eindvonnis van 22 november 2006 voor zover dat betreft de proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 4.019,56;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.244,56 te vermeerderen met de wettelijke rente over de beslagkosten (bestaande uit € 246,40 explootkosten + € 80,-- verschotten) ingaande veertien dagen na dagtekening van het vonnis van 22 november 2006;
bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 360,--aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in het incidenteel appel en begroot die aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak op € nihil aan verschotten en € 447,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Rowel-van der Linde en De Hek raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 september 2008 in bijzijn van de griffier.