
Jurisprudentie
BF3317
Datum uitspraak2008-12-02
Datum gepubliceerd2008-12-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00008
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-12-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00008
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geschrift met bewijsbestemming a.b.i. art. 225 Sr. ’s Hofs oordeel dat het door verdachte gebruikte "Roma-paspoort" een geschrift is dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen en dat daaraan niet afdoet dat het in formele zin geen identiteitsbewijs is, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van de in de tll en bewezenverklaring voorkomende woorden "bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen" die aldaar klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 225 Sr, en is toereikend gemotiveerd. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat aan het door verdachte gebruikte "Roma-paspoort" in het maatschappelijk verkeer betekenis pleegt te worden toegekend m.b.t. het bewijs van de identiteit van de houder van het document en dat verdachte het onderhavige document ook met het oog daarop heeft gebruikt.
Conclusie anoniem
Nr. 08/00008
Mr. Vellinga
Zitting: 23 september 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" veroordeeld tot een maand gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het door verdachte aangeboden identiteitsbewijs geen geschrift is met bewijsbestemming als bedoeld in art. 225 Sr.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat zij:
"op 21 april 2006 te Vught opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst identiteitsbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, dat document bij de Penitentiaire Inrichting Nieuw Vossenveld ter legitimatie heeft overgelegd (om toegang te verkrijgen), en bestaande die vervalsing hierin dat dat document op naam gesteld was van [naam] en voorzien was van haar, verdachtes, pasfoto."
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in, voor zover hier van belang:
"De advocaat-generaal voert het woord en deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Vaststaat dat de gegevens op het zogenaamde "Roma-paspoort" dat verdachte heeft gebruikt niet juist zijn en dat verdachte dat ook wist. Evenals de officier van justitie ben ik van mening, dat het daarbij gaat om een voorwerp dat vervalst kan worden. Het is niet relevant of er sprake is van een vervalst paspoort. Hoewel het "Roma-paspoort" als zodanig niet wordt erkend, kan het wel ter legitimatie gebruikt worden en kan het vervalst worden.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt - zakelijk weergegeven - mede:
De wet en de jurisprudentie zijn heel duidelijk over identiteitsbewijzen. In de onderhavige zaak gaat het om een Romapas en dat is voor zover het identificatie betreft een fictief document. Het is geen identiteitsbewijs, dat hebben de verbalisanten ook verklaard. Ik vraag me af hoe een fictief document vervalst kan worden. Je kunt er immers je identiteit niet mee bewijzen en het kan dus ook geen vals of vervalst document worden."
6. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging het verweer gevoerd - kort gezegd - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, nu het ten laste gelegde document geen officieel document ter identificatie is en als zodanig derhalve ook niet gebruikt kan worden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar het oordeel van het hof heeft de steller van de tenlastelegging met het opnemen van het woord "identiteitsbewijs" een omschrijving van een geschrift willen geven dat kennelijk is bedoeld om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten de identiteit van verdachte -. Aan het ten laste gelegde en door verdachte gebruikte document wordt naar het oordeel van het hof in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van de identiteit van verdachte toegekend en verdachte heeft dat document ook als zodanig gebruikt, zodat dit een geschrift is dat onder de werking van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht valt. Dat het onderhavige document geen identiteitsbewijs in formele zin is, doet aan dit oordeel niet af. Het hof verwerpt het verweer."
7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 225, tweede jo. eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden "geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.
8. Art. 225, Sr luidt, voor zover hier van belang:
"1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik."
9. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof zijn oordeel dat aan het door verdachte gebruikte document in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van de identiteit van verdachte wordt toegekend, in het licht van hetgeen ten verwere is aangevoerd - een Romapas is voor zover het identificatie betreft een fictief document - onvoldoende gemotiveerd.
10. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden - kort gezegd - in dat de verdachte een ROMA-paspoort als legitimatiebewijs heeft aangeboden aan een medewerker van de Penitentiaire Inrichting Nieuw Vossenveld om als bezoeker toegang tot die inrichting te krijgen. Over uiterlijk en inhoud van dit document houden de bewijsmiddelen in
"dat dit een zogenaamd fictief ROMA paspoort betrof, voorzien van een rode kaft met opdruk: "International Roma Pass" met daaronder de tekst: "valid for all coutries" in meerdere talen. Verder stond er op de voorzijde ROMA-PASS, staatenlos.
Voornoemd document was voorzien van nummer: 00416 en stond op naam gesteld van: [naam], geboren op [geboortedatum].1983 te [geboorteplaats] met daarop een foto van een vrouw bevestigd. Als adres stond vermeld: [a-straat 1]."
11. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof de verwerping van het verweer nader had moeten motiveren omdat het in het onderhavige geval niet ging om een officieel identiteitsbewijs of een door een officiële instantie uitgegeven identificatiebewijs, faalt het middel. Ook stukken die niet door een officiële instantie zijn uitgegeven kunnen in het maatschappelijk verkeer wel als bewijs van identiteit worden aanvaard. Men denke bijvoorbeeld aan een bewijs van identiteit dat aan een meteropnemer wordt verstrekt door een gas- of elektriciteitsbedrijf om aan de bewoners van panden waarin een meter moet worden opgenomen te laten zien dat men een echte en geen fictieve meteropnemer is.
12. De vraag blijft niettemin of het Hof zijn oordeel verder met redenen had moeten omkleden. Zoals het onderhavige stuk laat zien is het bedoeld om aan statenloze Roma een bewijs van identiteit te verschaffen en is het overeenkomstig die bedoeling het uiterlijk en de inhoud gegeven van een paspoort. Het is dus een stuk dat naar uiterlijk en inhoud is vervaardigd om een bewijs van identiteit te verschaffen. Daarmee kan aan de bewijsbestemming van het geschrift moeilijk worden getwijfeld.
13. Dat de Romapas niet als officieel identiteitsbewijs wordt erkend doet aan de bewijsbestemming van de pas niet af. Voor bewijsbestemming is erkenning van het geschrift overeenkomstig de bedoeling waarmee het vervaardigd is immers niet bepalend, die omstandigheid is slechts teleurstellend voor de maker. Overigens zou het met die teleurstelling kunnen meevallen. Tussen personen die zich rekenen tot de over vele landen verspreide bevolkingsgroep van de Roma zal de Roma-pas vermoedelijk wel als bewijs van identiteit worden aanvaard, omdat naar op de pas staat vermeld tot de uitgave daarvan werd besloten op het tweede Roma-congres in april 1978 te Genève. Ook de verdachte heeft het kennelijk als een middel tot het bewijzen van haar identiteit gezien want zij heeft kennelijk de moeite genomen zich een dergelijke pas te verschaffen ook al was deze vervalst.
14. Ik wijs er op dat zich hier niet het geval voordoet dat een geschrift dat niet met het oog op het verschaffen van bewijs is vervaardigd zoals onlangs nog groslijsten,(1) samengesteld als intern te hanteren overzicht van te geven betalingsopdrachten, toch bewijsbestemming wordt toegekend. Dan komt anders dan in een geval als het onderhavige waarin de bewijsbestemming bij de vervaardiging van het geschrift voorop stond, meer gewicht toe aan de vraag of aan het geschrift in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend.(2) Daarbij verdient overigens opmerking dat de Hoge Raad bij de beoordeling van de vraag of het Hof groslijsten als geschriften bestemd tot bewijs had kunnen aanmerken, dat criterium niet noemt. Aldus lijkt ook een geschrift nog te kunnen worden aangemerkt als bestemd tot bewijs ook al wordt het geschrift in een zo beperkte kring gehanteerd dat niet kan worden gezegd dat daar in het maatschappelijk verkeer bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend.
15. Een en ander brengt mee dat het Hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn beslissing niet nader heeft behoeven te motiveren.
16. Het middel faalt.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 10 april 2007, LJN AZ6130. Zie voor een opsomming van geschriften waarvan in de rechtspraak bewijsbestemming is aangenomen A.J.A. van Dorst in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 225, aant. 3.3 (suppl. 139. augustus 2007).
2 O.m. HR 14 mei 1957, NJ 1957, 472 m.nt. BVAR, HR 20 april 2004, 681. Zie over dit criterium F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Gouda Quint B.V.1985, p. 69 e.v., en A.J.A. van Dorst in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 225, aant. 3 (suppl. 139. augustus 2007).
Uitspraak
2 december 2008
Strafkamer
nr. 08/00008
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 mei 2007, nummer 20/003075-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Breda, locatie PIV" te Breda.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat geen sprake was van een geschrift met bewijsbestemming als bedoeld in art. 225 Sr ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
2.2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:
"op 21 april 2006 te Vught opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst identiteitsbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, dat document bij de Penitentiaire Inrichting Nieuw Vossenveld ter legitimatie heeft overgelegd (om toegang te verkrijgen), en bestaande die vervalsing hierin dat dat document op naam gesteld was van [naam] en voorzien was van haar, verdachtes, pasfoto."
2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
"De advocaat-generaal voert het woord en deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Vaststaat dat de gegevens op het zogenaamde "Roma-paspoort" dat verdachte heeft gebruikt niet juist zijn en dat verdachte dat ook wist. Evenals de officier van justitie ben ik van mening, dat het daarbij gaat om een voorwerp dat vervalst kan worden. Het is niet relevant of er sprake is van een vervalst paspoort. Hoewel het "Roma-paspoort" als zodanig niet wordt erkend, kan het wel ter legitimatie gebruikt worden en kan het vervalst worden. (...)
De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt - zakelijk weergegeven - mede:
De wet en de jurisprudentie zijn heel duidelijk over identiteitsbewijzen. In de onderhavige zaak gaat het om een Romapas en dat is voor zover het identificatie betreft een fictief document. Het is geen identiteitsbewijs, dat hebben de verbalisanten ook verklaard. Ik vraag me af hoe een fictief document vervalst kan worden. Je kunt er immers je identiteit niet mee bewijzen en het kan dus ook geen vals of vervalst document worden."
2.2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging het verweer gevoerd - kort gezegd - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, nu het ten laste gelegde document geen officieel document ter identificatie is en als zodanig derhalve ook niet gebruikt kan worden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar het oordeel van het hof heeft de steller van de tenlastelegging met het opnemen van het woord "identiteitsbewijs" een omschrijving van een geschrift willen geven dat kennelijk is bedoeld om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten de identiteit van verdachte -. Aan het ten laste gelegde en door verdachte gebruikte document wordt naar het oordeel van het hof in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van de identiteit van verdachte toegekend en verdachte heeft dat document ook als zodanig gebruikt, zodat dit een geschrift is dat onder de werking van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht valt. Dat het onderhavige document geen identiteitsbewijs in formele zin is, doet aan dit oordeel niet af. Het hof verwerpt het verweer."
2.3. Het oordeel van het Hof dat het door de verdachte gebruikte "Roma-paspoort" een geschrift is dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen en dat daaraan niet afdoet dat het in formele zin geen identiteitsbewijs is, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden "bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen" die aldaar klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 225 Sr, en is toereikend gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat aan het door de verdachte gebruikte "Roma-paspoort" in het maatschappelijk verkeer betekenis pleegt te worden toegekend met betrekking tot het bewijs van de identiteit van de houder van het document en dat de verdachte het onderhavige document ook met het oog daarop heeft gebruikt.
2.4. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, de vice-president A.J.A. van Dorst, en de raadsheer J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 december 2008.