Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3315

Datum uitspraak2008-09-29
Datum gepubliceerd2008-10-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757714-08, 09/925975-06 (tul)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit een groentewinkel. Gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek. Zie ook LJN BF3311 en BF3313.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummers:09/757714-08, 09/925975-06 (tul) Datum uitspraak: 29 september 2008 Promis VONNIS De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte 3], geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1986, adres: [adres], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Midden Holland - HvB De Geniepoort' te Alphen aan den Rijn. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 september 2008. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J-F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari 2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond B Opiumwet 2. hij op of omstreeks 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,9 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 3. Het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen gedurende een lange periode cocaïne heeft verkocht Feit 2: samen met anderen in het bezit was 5,9 gram cocaïne. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 2 en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 heeft begaan. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman voert, met betrekking tot de verklaringen die van belang kunnen zijn voor feit 1, het navolgende aan. Getuige [A] heeft wellicht tijdens een gesprek met de politie belastend over verdachte verklaard. Echter wanneer hij als getuige wordt gehoord, verklaart hij dat hij nooit drugs in de winkel heeft gekocht en dat hij zelf ook nooit iets van drugshandel heeft gezien in de winkel. Getuige [4] en zijn vriendin [getuige 6] hebben weliswaar beiden ook een belastende verklaring afgelegd ten aanzien van verdachte, terwijl getuige [4] verdachte bovendien tijdens de fotoconfrontatie aangewezen als de man bij wie hij wel eens cocaïne heeft gekocht, maar de raadsman merkt daarbij op dat verdachte [getuige 4] altijd uitschold als hij dope ging kopen. Deze getuige geeft hiermee zelf aan dat hij een goede reden zou kunnen hebben om verdachte te belasten. Getuige [getuige 6] is de partner van [getuige 4]. Aan haar verklaring dient om die reden evenmin waarde te worden gehecht. Getuigen [8] en [3] hebben slechts een zeer algemene verklaring afgelegd. Getuige [9] geeft een signalement dat totaal niet op verdachte past en getuige [getuige 5] heeft kennelijk zelf nooit iets gezien. Getuige [10] is tijdens de observaties regelmatig gezien door de politie. Hij heeft echter verklaard in de winkel te komen om bier te kopen en hij wist niet dat daar drugs werd verkocht. Verdachte was niet in dienst bij de winkel van de heer [verdachte 1]. Hij kwam daar sinds omstreeks een jaar voor zijn aanhouding ook nog maar nauwelijks. Uit de observaties van 26, 27 maart en 28 april 2008 is gebleken dat verdachte kennelijk niet in of bij de winkel is gezien. Ook tijdens de overige observaties wordt hij slechts kort of helemaal niet gezien. Daar de medeverdachten, respectievelijk de overige getuigen in het geheel niet belastend over verdachte hebben verklaard, is de raadsman van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs op basis van het voorliggend dossier niet geleverd kan worden en verdachte aldus vrijgesproken dient te worden van feit 1. Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman eveneens dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de verdovende middelen opzettelijk in vereniging aanwezig heeft gehad. Uit niets blijkt dat verdachte wist of had kunnen weten dat de drugs in de boiler verstopt waren, laat staan dat verdachte enige beschikkingsbevoegdheid had over deze verdovende middelen. 3.3 De beoordeling van de tenlastelegging Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het navolgende vast ten aanzien van feit 1.(1) Blijkens de gegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel drijft medeverdachte [verdachte 1] sedert 1 juli 2005 in een winkelpand aan de [adres] te Den Haag een eenmanszaak (groentewinkel annex supermarktje) onder de naam 'Groente- en fruithandel [naam verdachte 1]'.(2) Uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2008 blijkt dat dit winkelpand reeds geruime tijd in beeld is bij de politie vanwege verdenkingen dat in dit pand gehandeld wordt in verdovende middelen. De eerste meldingen daarover dateren van februari 2006.(3) Op 2 februari 2006 heeft een verbalisant gesproken met de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [A]. [A] heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij een mobiele telefoon in onderpand had gegeven in een winkel aan de [adres] om bolletjes te kopen, hiermee bedoelde hij verdovende middelen. Hij had namelijk niet genoeg geld om de verdovende middelen te kopen. De winkel zou een groentewinkel betreffen. Het betrof perceel [adres]. [A] vertelde dat de drugs werden verkocht door een lange Turkse jongen met een petje op, die altijd in de winkel achter de toonbank stond. Toen de verbalisant vervolgens aan medeverdachte [verdachte 1] vroeg wie die jongen was, gaf [verdachte 1] aan dat zijn naam [verdachte 3] was. (4) Op 18 maart 2006 werd een verbalisant in burger aangesproken door de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [B], die vertelde dat hij een aantal dealpandjes kon aanwijzen. [B] heeft hem vervolgens onder meer de groentewinkel in de [adres] aangewezen.(5) Getuige [3] heeft op 28 maart 2006 verklaard dat er vier verschillende mensen in de groentewinkel werken. Al deze personen zijn van Turkse of Marokkaanse afkomst. Bij al deze personen kun je bolletjes cocaïne kopen. Achter in de winkel hangt een gordijn, daar achter is een soort van opslagruimte, daar liggen de bolletjes. Wanneer je een bolletje wilt gaan kopen, loop je mee naar het gordijn en daar pakt diegene een bolletje voor je. Het betalen van het bolletje doet zij meestal bij de man achter de kassa. Dit is dus niet altijd dezelfde als de persoon van wie zij het bolletje krijgt. Normaal gesproken betaalt zij € 10, - voor een bolletje.(6) Naar aanleiding hiervan heeft de politie op 28 maart 2006 besloten een gerichte actie te starten ten aanzien van de desbetreffende groentewinkel.(7) Het onderzoek is echter medio april 2006 gestaakt nadat was gebleken dat de activiteiten van de politie kennelijk waren opgevallen bij de medewerkers c.q. eigenaar van de groentewinkel en dat de handel in verdovende middelen daarna mogelijk was gestopt, waarschijnlijk om aanhouding of vervolging te voorkomen.(8) Vanaf juli 2007 zijn er opnieuw meldingen binnengekomen met betrekking tot het perceel [adres], onder andere van omwonenden vanwege overlast.(9) Op 5 december 2007 is bij de telefonische meldlijn M (Melding Misdaad Anoniem) melding gemaakt van vermoedelijke handel van verdovende middelen vanuit de supermarkt op de [adres].(10) Getuige [4] heeft op 1 maart 2008 verklaard dat hij een jaar lang cocaïne heeft gekocht bij de groenteboer op de [adres]. Hij kocht 3 à 4 keer in de week 6 of 7 bolletjes. Hij moest € 10, - per bolletje betalen. Hij kocht het meest bij [verdachte 2]. Ongeveer een maand geleden heeft de baas, de kleine dikke eigenaar, hem gevraagd of hij nieuwe cocaïne wilde testen. Nadat hij hem verteld had dat het goede cocaïne was, hoorde hij de baas zeggen dat hij dan deze cocaïne zou inkopen. Achter in de groentewinkel hangt een gordijn, vanachter de ruimte achter dat gordijn koopt hij altijd de cocaïne. Hij heeft eens gezien dat de cocaïne verstopt zat in een stopcontact in die ruimte.(11) Op 2 mei 2008 heeft [getuige 4] een tweede getuigenverklaring afgelegd, waarin hij onder meer heeft verklaard dat [verdachte 2] inmiddels is ontslagen en dat hij zijn cocaïne nu van de baas koopt. De drugsnaam van de baas is '[X]', aldus [getuige 4].(12) Getuige [4] heeft bij een meervoudige fotoconfrontatie op 11 juni 2008 de foto van verdachte herkend als één van de mannen bij wie hij wel eens dope (cocaïne) had gekocht en dat hij werkte achter de balie van de groenten bij de groenteboer.(13) Getuige [5] heeft op 10 juni 2008 verklaard dat zij vermoedt dat er in de supermarkt op de [adres] te Den Haag werd gehandeld in drugs. Zij heeft namelijk vaak gezien dat de zwager van de eigenaar (de Rechtbank begrijpt, mede gelet op de eigen verklaring van verdachte(14), dat hiermee verdachte wordt bedoeld) stiekem dingen overgaf aan een junk. Zij dacht dat dan de drugs werd overhandigd. Het gebeurde allemaal zo stiekem en alleen bij junks. Zij woonde vroeger in [...] en daar verbleven veel junks en dealers. Zij kan dat dealen wel herkennen.(15) Zij zag dit op de [adres] bijna dagelijks gebeuren.(16) Getuige [6] heeft op 16 juni 2008 verklaard dat zij elke dag drugs gebruikt. Zij kocht de cocaïne sinds een half jaar bij de groenteboer op de [adres]. Zij betaalde voor 2 bolletjes € 20, -. Zij kocht de cocaïne in de winkel bij de baas, een bolle Turkse man.(17) Ook kocht zij van een jongen met lang haar, een petje en één of meer gouden tanden. Het gebeurde in de meeste gevallen achter een gordijn, achter in de winkel. Zij heeft gezien dat de drugs bewaard werden in een stopcontact in de keuken.(18) Getuige [7] is de eigenaar van een kapperszaak, gelegen op de [adres] te Den Haag. Hij heeft op 17 juni 2008 verklaard de eigenaar van de groentewinkel te kennen, daar de zaken naast elkaar gelegen zijn. Volgens [getuige 7] werken in deze winkel de eigenaar genaamd [verdachte 1], de zwager van de eigenaar (waarvan [getuige 7] denkt dat hij [verdachte 3] heet) en een Marokkaanse jongen die [verdachte 2] heet.(19) In de telefoon van verdachte stonden de telefoonnummers van 2 personen, die in het bedrijfsprocessensysteem van regiopolitie Haaglanden voorkomen in relatie tot harddrugsbezit en/of -handel.(20) Medeverdachte [2] heeft op 8 juli 2008 verklaard dat [X] - waarmee hij medeverdachte [verdachte 1] bedoelt - en verdachte een tijdje geleden cocaïne hebben verkocht vanuit de groentewinkel van medeverdachte [verdachte 1]. (21) Ter terechtzitting heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte drie gouden voortanden heeft. Tijdens het verhoor van verdachte bij de politie is aan verdachte gevraagd of er nog andere mannen zijn met lang haar en gouden tanden die werken bij de groenteboer op de [adres]. Verdachte heeft hierop geantwoord: 'Nee, ik weet het niet'.(22) Desgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting dit nog eens bevestigd. Gelet op al deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met tenminste twee anderen schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne. Op grond van de verschillende verklaringen en bevindingen kan er immers geen twijfel over bestaan dat vanuit de groentewinkel door verschillende medewerkers cocaïne werd verkocht. Ook kan er op grond van deze bewijsmiddelen geen twijfel over bestaan dat verdachte één van die medewerkers was. Meerdere personen hebben verklaard dat verdachte met enige regelmaat in de winkel werkzaam was, hetgeen ook door verdachte zelf wordt bevestigd. Drie van deze personen, te weten de getuigen [A], [4] en [6], wijzen verdachte daarbij uitdrukkelijk aan als één van de mannen van wie zij in de winkel cocaïne kochten. Uit het voorgaande volgt dat er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de raadsman van verdachte is bepleit, geen reden is om aan de juistheid van de verklaringen van genoemde getuigen [A], [getuige 4] en [6] te twijfelen. Dat de getuige [A] ruim twee jaar na zijn eerste verklaring heeft verklaard dat het destijds niet om drugs ging, acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede in aanmerking genomen dat die eerste verklaring ook voor hemzelf belastend was. De rechtbank houdt het ervoor dat [A] liever niets meer met de zaak te maken wilde hebben. [getuige 4] heeft van meet af aan verklaard dat hij heeft gezien dat drie medewerkers van de groentewinkel allemaal cocaïne verkopen en bij zich hebben. Hij heeft ook verklaard van allemaal wel cocaïne te kopen. Hij kocht alleen het meest bij [verdachte 2]. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat getuige [4] verdachte valselijk heeft beschuldigd enkel en alleen omdat hij wel eens door verdachte werd uitgescholden. Ten aanzien van [getuige 6] overweegt de rechtbank tot slot dat de enkele omstandigheid dat zij de vriendin van [getuige 4] is, onvoldoende is om haar verklaring al onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Feiten en omstandigheden die dat wel zouden kunnen rechtvaardigen zijn de rechtbank overigens niet gebleken. Feit 2 Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat niet gesteld kan worden dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er drugs verstopt waren in de beschermkap van de boiler. Verdachte had dat evenmin kunnen weten. Medeverdachte [2] heeft bovendien verklaard dat de gevonden drugs van hem waren en dat hier verder niemand vanaf wist. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 2. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat 1. hij op tijdstippen in de periode van 2 februari 2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I 4. De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. 5. De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6. De straf/maatregel 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie mr. H.A.C. Banning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek en dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. Uitdrukkelijk subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat in ieder geval niet de periode zoals ten laste gelegd bewezen kan worden. Ten eerste omdat eenvoudigweg niet kan blijken waarop de periode van 2 februari 2006 tot en met 3 juni 2008 is gebaseerd en ten tweede omdat verdachte bovendien in 2007 vier maanden gevangenisstraf heeft uitgezeten. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit een groentewinkel. Het dealen van cocaïne wordt verdachte ernstig aangerekend. Dit dealen heeft gedurende een langere periode op verschillende tijdstippen plaatsgevonden. Cocaïne is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen dienen dan ook streng te worden bestraft. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het dealen van cocaïne gedurende de gehele bewezenverklaarde periode onafgebroken heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarbij van belang dat vaststaat dat de verdachte en medeverdachte [3] tijdens deze periode geruime tijd gedetineerd zijn geweest en dat er tussen eind maart 2006 en halverwege juli 2007 geen enkele melding is gedaan bij de politie over de handel van harddrugs vanuit de winkel van verdachte. Gelet op het voorgaande kan niet duidelijk vastgesteld worden hoe lang verdachte en zijn mededaders zich precies met het dealen van cocaïne hebben beziggehouden. De rechtbank is er bij het opleggen van de straf met inachtneming van het vorenstaande in het voordeel van verdachte vanuit gegaan dat de periode waarin verdachte heeft gedeald in cocaïne tenminste 12 maanden heeft geduurd. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het feit dat de rol van verdachte niet geheel gelijk is geweest aan de rol van zijn medeverdachten [2] en [verdachte 1]. Verdachte was immers niet elke dag aanwezig in de winkel, met name niet gedurende de laatste periode, bovendien was hij er slechts een beperkt aantal uren per dag. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 5 juni 2008. Blijkens voornoemd uittreksel is verdachte reeds eerder veroordeeld tot (onder meer) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Verdachte heeft het tenlastgelegde feit bovendien gedurende een proeftijd gepleegd en aldus geen lering getrokken uit eerdere veroordelingen. De vordering tenuitvoerlegging 6.4. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 5 februari 2007 is veroordeeld, te weten 3 maanden gevangenisstraf. 6.5. Het standpunt van de verdediging De raadsman bepleit primair afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging nu verdachte naar zijn mening van beide feiten vrijgesproken moet worden. Subsidiair wordt eveneens om afwijzing, dan wel verlenging van de proeftijd, gevraagd nu de thans voorliggende feiten van totaal andere aard zijn dan de feiten waar het destijds om ging, te weten diefstal en openlijk geweld. Meer subsidiair wordt verzocht om, bij toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging, de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf. 6.6. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 26 juni 2008 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 5 februari 2007, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. 7. De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 14g, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8. De beslissing verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; in verzekering gesteld op: 3 juni 2008, in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 juni 2008, gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 5 februari 2007, gewezen onder parketnummer 09/925975-06, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Dit vonnis is gewezen door mrs. Knol, voorzitter, Van Dorp en Rochat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2008. 1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer [...], politie Haaglanden 2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 88 3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89 4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2006, doorgenummerd pagina 106 5 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 maart 2006, doorgenummerd pagina 109 6 Proces-verbaal van verhoor getuige [3], d.d. 28 maart 2006, doorgenummerd pagina 100 7 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89 8 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91 9 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91 10 Proces-verbaal d.d. 25 maart 2008, doorgenummerd pagina 128 11 Proces-verbaal van verhoor getuige [4] d.d. 1 maart 2008, doorgenummerd pagina 110 12 Proces-verbaal van verhoor getuige [4] d.d. 4 mei 2008, doorgenummerd pagina 118 13 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 juni 2008, doorgenummerd pagina 314 14 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juni 2008, doorgenummerd pagina 174 15 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 291 16 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 292 17 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 305 18 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 306 19 Proces-verbaal van verhoor getuige [7] d.d. 17 juni 2008, doorgenummerd pagina 406 20 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerd pagina 433 21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [2], doorgenummerd pagina's 446 e.v. 22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [3], d.d. 9 juli 2008, doorgenummerd pagina 457