
Jurisprudentie
BF3313
Datum uitspraak2008-09-29
Datum gepubliceerd2008-10-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757713-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757713-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit een groentewinkel en het in bezit hebben van cocaïne. Gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek. Zie ook LJN BF3311 en BF3315.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Tegenspraak
Parketnummer: 09/757713-08
Datum uitspraak: 29 september 2008
Promis
VONNIS
De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte 2],
geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1984,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Haaglanden P.C.S. Unit 2' te 's-Gravenhage.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 september 2008.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M. Bouman, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari
2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een (grote) hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;
art 2 ahf/ond B Opiumwet
2.
hij op of omstreeks 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 5,9 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 2 ahf/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
3. Het bewijs
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: samen met anderen gedurende een lange periode cocaïne heeft verkocht
Feit 2: samen met anderen in het bezit was 5,9 gram cocaïne
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan.
3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman voert aan dat het onderzoek door de politie gebrekkig is geweest. De naam '[verdachte 2]' wordt door en voor meerdere mensen gebruikt. Er heeft slechts 1 fotobewijsconfrontatie plaatsgevonden. De observaties die zijn gedaan, zijn nietszeggend. Het is niet duidelijk wat er is gekocht. De verklaringen van veel van de getuigen zijn ook niet concreet. Slechts de verklaring van getuige [A] is concreter, deze verklaring wordt echter later weer teruggedraaid.
Voor wat betreft het jaar 2006 wordt er door geen enkele getuige gesproken over verdachte. Verder is het in de verschillende getuigenverklaringen lang niet altijd duidelijk over wie men het heeft. Verdachte heeft ook geen specifieke kenmerken. Er wordt veel in algemene zin gesproken. Verdachte heeft weliswaar min of meer bekend tijdens zijn verhoor bij de politie, maar zijn bekentenis wordt niet echt ondersteund door hetgeen hij heeft verklaard tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Er is slechts sprake van vage verklaringen.
Objectief gezien moet vastgesteld worden dat verdachte gedurende een groot deel van 2006 en 2007 heeft vastgezeten. Gelet op de detentieperiode kunnen sommige dingen ook niet kloppen. Er werden bijvoorbeeld juist goede zaken gedaan toen verdachte in detentie zat. De raasman bepleit dan ook vrijspraak voor feit 1.
De raadsman is tot slot van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.3 De beoordeling van de tenlastelegging
Feit 1
Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank met betrekking tot feit 1 het navolgende vast:(1)
Blijkens de gegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel drijft medeverdachte [verdachte 1] sedert 1 juli 2005 in een winkelpand aan de [adres] te Den Haag een eenmanszaak (groentewinkel annex supermarktje) onder de naam 'Groente- en fruithandel [naam verdachte 1]'.(2)
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2008 blijkt dat dit winkelpand reeds geruime tijd in beeld is bij de politie vanwege verdenkingen dat in dit pand gehandeld wordt in verdovende middelen. De eerste meldingen daarover dateren van februari 2006.(3)
Op 2 februari 2006 heeft een verbalisant gesproken met de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [A]. [A] heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij een mobiele telefoon in onderpand had gegeven in een winkel aan de [adres] om bolletjes te kopen, hiermee bedoelde hij verdovende middelen. Hij had namelijk niet genoeg geld om de verdovende middelen te kopen. De winkel zou een groentewinkel betreffen. Het betrof perceel [adres]. (4)
Op 18 maart 2006 werd een verbalisant in burger aangesproken door de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [B], die vertelde dat hij een aantal dealpandjes kon aanwijzen. [B] heeft hem vervolgens onder meer de groentewinkel in de [adres] aangewezen.(5)
Getuige [3] heeft op 28 maart 2006 verklaard dat er vier verschillende mensen in de groentewinkel werken. Al deze personen zijn van Turkse of Marokkaanse afkomst. Bij al deze personen kun je bolletjes cocaïne kopen. Achter in de winkel hangt een gordijn, daar achter is een soort van opslagruimte, daar liggen de bolletjes. Wanneer je een bolletje wilt gaan kopen, loop je mee naar het gordijn en daar pakt diegene een bolletje voor je. Het betalen van het bolletje doet zij meestal bij de man achter de kassa. Dit is dus niet altijd dezelfde als de persoon van wie zij het bolletje krijgt. Normaal gesproken betaalt zij € 10, - voor een bolletje.(6)
Naar aanleiding hiervan heeft de politie op 28 maart 2006 besloten een gerichte actie te starten ten aanzien van de desbetreffende groentewinkel.(7) Het onderzoek is echter medio april 2006 gestaakt nadat was gebleken dat de activiteiten van de politie kennelijk waren opgevallen bij de medewerkers c.q. eigenaar van de groentewinkel en dat de handel in verdovende middelen daarna mogelijk was gestopt, waarschijnlijk om aanhouding of vervolging te voorkomen.(8)
Vanaf juli 2007 zijn er opnieuw meldingen binnengekomen met betrekking tot het perceel [adres], onder andere van omwonenden vanwege overlast.(9)
Op 5 december 2007 is bij de telefonische meldlijn M (Melding Misdaad Anoniem) melding gemaakt van vermoedelijke handel van verdovende middelen vanuit de supermarkt op de [adres].(10)
Getuige [4] heeft op 1 maart 2008 verklaard dat hij een jaar lang cocaïne heeft gekocht bij de groenteboer op de [adres]. Hij kocht 3 à 4 keer in de week 6 of 7 bolletjes. Hij moest € 10, - per bolletje betalen. Hij kocht het meest bij [verdachte 2]. Ongeveer een maand geleden heeft de baas, de kleine dikke eigenaar, hem gevraagd of hij nieuwe cocaïne wilde testen. Nadat hij hem verteld had dat het goede cocaïne was, hoorde hij de baas zeggen dat hij dan deze cocaïne zou inkopen. Achter in de groentewinkel hangt een gordijn, vanachter de ruimte achter dat gordijn koopt hij altijd de cocaïne. Hij heeft eens gezien dat de cocaïne verstopt zat in een stopcontact in die ruimte.(11) Op 2 mei 2008 heeft [getuige 4] een tweede getuigenverklaring afgelegd, waarin hij onder meer heeft verklaard dat [verdachte 2] inmiddels is ontslagen en dat hij zijn cocaïne nu van de baas koopt. De drugsnaam van de baas is '[X]', aldus [getuige 4].(12)
Getuige [5] heeft op 10 juni 2008 verklaard dat zij vermoedt dat er in de supermarkt op de [adres] te Den Haag werd gehandeld in drugs. Zij heeft namelijk vaak gezien dat de zwager van de eigenaar (de Rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld medeverdachte [3]) stiekem dingen overgaf aan een junk. Zij dacht dat dan de drugs werd overhandigd. Het gebeurde allemaal zo stiekem en alleen bij junks. Zij woonde vroeger in [...] en daar verbleven veel junks en dealers. Zij kan dat dealen wel herkennen.(13) Zij zag dit op de [adres] bijna dagelijks gebeuren.(14)
Getuige [6] heeft op 16 juni 2008 verklaard dat zij elke dag drugs gebruikt. Zij kocht de cocaïne sinds een half jaar bij de groenteboer op de [adres]. Zij betaalde voor 2 bolletjes € 20, -. Zij kocht de cocaïne in de winkel bij de baas, een bolle Turkse man.(15) Ook kocht zij van een jongen met lang haar, een petje en één of meer gouden tanden. Het gebeurde in de meeste gevallen achter een gordijn, achter in de winkel. Zij heeft gezien dat de drugs bewaard werden in een stopcontact in de keuken.(16)
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 september 2008 vastgesteld dat medeverdachte [3] 3 gouden voortanden heeft.
Getuige [7] is de eigenaar van een kapperszaak, gelegen op de [adres] te Den Haag. Hij heeft op 17 juni 2008 verklaard de eigenaar van de groentewinkel te kennen, daar de zaken naast elkaar gelegen zijn. Volgens [getuige 7] werken in deze winkel de eigenaar genaamd [verdachte 1], de zwager van de eigenaar (waarvan [getuige 7] denkt dat hij [verdachte 3] heet) en een Marokkaanse jongen die [verdachte 2] heet.(17)
Verdachte [2] heeft op 8 juli 2008 verklaard dat als een junk in de winkel kwam om drugs te kopen, hij ze mee nam naar achter het gordijn, hij ze bolletjes gaf en ze hem direct betaalden. Verdachte heeft verklaard dat hij de laatste tijd 8 tot 10 bolletjes per dag verkocht en vanaf januari 2008 wel 50 bolletjes per dag. In 2006 en 2007 was het heel druk in de winkel en hebben ze veel verkocht. Verdachte verklaarde dat medeverdachte [verdachte 1] de baas was. De baas zorgde dat de drugs er waren en hij, verdachte, verkocht die. De baas verkocht zelf ook. Verdachte kreeg hiervoor € 250, - per week. [verdachte 1] kreeg de cocaïne puur, in een brok. Verdachte mixte vervolgens in het toilet op de keuken de 5 of 10 gram die [verdachte 1] had gekocht en maakte de bolletjes.(18)
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn verklaring bij de politie juist was.
Op grond van dit alles acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met tenminste twee anderen schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne. Op grond de verschillende verklaringen en bevindingen kan er immers geen twijfel over bestaan dat vanuit de groentewinkel door verschillende medewerkers cocaïne werd verkocht. Ook kan er op grond van deze bewijsmiddelen geen twijfel over bestaan dat verdachte één van die medewerkers was. De rechtbank acht daarbij van belang dat verdachte ter terechtzitting desgevraagd heeft verklaard dat er geen andere [verdachte 2] in de winkel werkzaam is geweest. Ook heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij in elk geval gedurende een deel van de tenlastegelegde periode met de medeverdachten [verdachte 1] en [3] heeft samengewerkt. Ter terechtzitting heeft hij dit laatste weliswaar weer ingetrokken, maar de manier waarop hij dit heeft gedaan, was dermate warrig en inconsistent dat hieraan geen waarde kan worden toegekend. De rechtbank wijst er hierbij op dat verdachte bij de politie nauwkeurig heeft aangegeven waar de medeverdachte [verdachte 1] tijdens hun samenwerking de cocaïne verborg, namelijk in een stopcontact in het keukentje. Tijdens de doorzoeking op 3 juni 2008 is de door de politie ingezette speurhond op dit stopcontact aangeslagen.(19)
Feit 2
Feit 2 is eveneens wettig en overtuigend bewezen. Op 3 juni 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de groentewinkel.(20) Tijdens deze doorzoeking zijn in de beschermkap van de boiler twee plastic zakjes aangetroffen, een zakje met bolletjes en een zakje met een witkleurige substantie.(21) De bolletjes en de substantie hebben tezamen een bruto gewicht van 5,9 gram.(22) Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat het hierbij om cocaïne gaat.(23) Verdachte heeft zelf, zowel bij de politie(24) als tijdens het onderzoek ter terechtzitting(25) verklaard dat de gevonden cocaïne van hem was.
3.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
1.
hij op tijdstippen in de periode van 2 februari 2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
2.
hij op 3 juni 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 5,9 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
4. De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De straf/maatregel
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie mr. H.A.C. Banning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1. Ten aanzien van feit 2 is de raadsman van oordeel dat de straf gelijk zou moeten zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De kans is bovendien groot dat verdachte het land uitgezet wordt nadat hij zijn straf heeft uitgezeten. De raadsman verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit een groentewinkel en het in bezit hebben van cocaïne. Het dealen van cocaïne wordt verdachte ernstig aangerekend. Dit dealen heeft gedurende een langere periode op verschillende tijdstippen plaatsgevonden. Cocaïne is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen dienen dan ook streng te worden bestraft.
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het dealen van cocaïne gedurende de gehele bewezenverklaarde periode onafgebroken heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarbij van belang dat vaststaat dat verdachte en medeverdachte [3] tijdens deze periode geruime tijd gedetineerd zijn geweest en dat er tussen eind maart 2006 en halverwege juli 2007 geen enkele melding is gedaan bij de politie over de handel van harddrugs vanuit de winkel van verdachte. Gelet op het voorgaande kan niet duidelijk vastgesteld worden hoe lang verdachte en zijn mededaders zich precies met het dealen van cocaïne hebben beziggehouden. De rechtbank is er bij het opleggen van de straf met inachtneming van het vorenstaande in het voordeel van verdachte vanuit gegaan dat de periode waarin verdachte heeft gedeald in cocaïne tenminste 12 maanden heeft geduurd.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 16 juni 2008. Blijkens voornoemd uittreksel is verdachte niet eerder veroordeeld geweest voor een soortgelijk feit.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
in verzekering gesteld op: 3 juni 2008,
in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 juni 2008,
Dit vonnis is gewezen door
mrs. Knol, voorzitter,
Van Dorp en Rochat, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2008.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer [...], politie Haaglanden
2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 88
3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89
4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2006, doorgenummerd pagina 106
5 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 maart 2006, doorgenummerd pagina 109
6 Proces-verbaal van verhoor getuige [3], d.d. 28 maart 2006, doorgenummerd pagina 100
7 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89
8 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91
9 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91
10 Proces-verbaal d.d. 25 maart 2008, doorgenummerd pagina 128
11 Proces-verbaal van verhoor getuige [4] d.d. 1 maart 2008, doorgenummerd pagina 110
12 Proces-verbaal van verhoor getuige [4] d.d. 4 mei 2008, doorgenummerd pagina 118
13 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 291
14 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 292
15 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 305
16 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 306
17 Proces-verbaal van verhoor getuige [7] d.d. 17 juni 2008, doorgenummerd pagina 406
18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2]i, doorgenummerd pagina's 446 e.v.
19 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 137
20 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 136
21 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 138
22 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 juni 2008, doorgenummerd pagina 166
23 NFI-rapport d.d. 30 juni 2008, doorgenummerd pagina 441
24 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 8 juli 2008, doorgenummerd pagina 447
25 De (bekennende) verklaring van verdachte ter zitting afgelegd