
Jurisprudentie
BF3311
Datum uitspraak2008-09-29
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757650-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757650-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit zijn groentewinkel en het telen van hennep. Gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Tegenspraak
Parketnummer: 09/757650-08
Datum uitspraak: 29 september 2008
Promis
VONNIS
De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte 1],
geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1976,
adres: [adres]
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Haaglanden' te Zoetermeer.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 september 2008.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari
2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een (grote) hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;
art 2 ahf/ond B Opiumwet
2.
hij op of omstreeks 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 5,9 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 2 ahf/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad in een pand aan de [adres] (perceelnummer [nummer]) 180, althans
een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde
hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
art 3 ahf/ond B Opiumwet
art 11 lid 2 Opiumwet
3. Het bewijs
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: samen met anderen gedurende een lange periode cocaïne heeft verkocht
Feit 2: samen met anderen in het bezit was 5,9 gram cocaïne
Feit 3: samen met anderen hennep heeft geteeld.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 2 en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1 en 3 heeft begaan.
3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman voert aan dat uit de verschillende verklaringen van de getuigen slechts kan worden geconcludeerd dat er verdovende middelen zijn verkocht vanuit de groentewinkel van verdachte, doch dat niet onomstotelijk is gebleken dat verdachte cocaïne heeft verkocht.
De raadsman is van oordeel dat de rode draad in de verklaringen van de getuigen is dat voor zover er verdovende middelen zijn verkocht in de groentewinkel, dit is gedaan door een man die zich '[verdachte 2]' noemt. Medeverdachte [verdachte 2] heeft uiteindelijk ook toegegeven dat hij degene is die verdovende middelen heeft verhandeld vanuit de groentezaak van verdachte en dat de verdovende middelen die bij de aanhouding van verdachte en medeverdachte zijn aangetroffen in de groentewinkel van hem zijn. Dat zijn verklaring juist is, blijkt uit het feit dat hij exact kon aangeven waar hij verdovende middelen had verstopt, op welke wijze, de hoeveelheid en dat deze cocaïne uit één brok bestond.
[verdachte 2] zegt in zijn verklaring dat de drugs in de winkel van hem zijn, dat hij die in de geiser had verstopt en dat de anderen van de winkel hiervan niets wisten omdat het 'goede mensen' zijn. De verklaring van [verdachte 2] over de manier waarop hij verkocht, komt overeen met de verklaring van de getuigen: hij nam de kopers altijd mee achter het gordijn en gaf ze dan een bolletje. 'Ze hadden niets in de gaten', zo verklaarde [verdachte 2], waarmee hij doelt hij op verdachte en de andere personen die zich in de zaak bevonden, dan wel verdachte meehielpen in zijn zaak.
[verdachte 2] heeft verklaard dat hij heeft gehandeld in cocaïne in een periode vanaf 1 januari 2008 tot het moment waarop verdachten en medeverdachte zijn aangehouden. Dit blijkt ook uit de verklaringen van diverse getuigen. Zijn verklaring dat hij in de jaren 2006 en 2007 samen zou hebben gehandeld met onder andere verdachte is niet aannemelijk, sterker nog deze verklaring moet onmogelijk worden geacht omdat [verdachte 2] het grootste gedeelte van 2006 en 2007 gedetineerd is geweest en er ook geen verklaringen zijn waaruit blijkt dat de getuigen verdovende middelen hebben gekocht van verdachte.
Verdachte heeft zijn winkel eind 2005 geopend. Verdachte kende [verdachte 2] in het begin niet. Hij leerde hem later kennen, had medelijden met hem en is gewoon te aardig voor hem geweest. Verdachte weet niets van de handel in drugs. Dat blijkt ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter zitting afgelegd.
Gelet op al het voorgaande is de raadsman van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de feiten 1 en 2.
Ten aanzien van feit 3 stelt de raadsman zich op het standpunt dat, gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep.
3.3 De beoordeling van de tenlastelegging
Feit 1
Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank met betrekking tot feit 1 het navolgende vast: (1)
Blijkens de gegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel drijft verdachte sedert 1 juli 2005 in een winkelpand aan de [adres] te Den Haag een eenmanszaak (groentewinkel annex supermarktje) onder de naam 'Groente- en fruithandel [naam verdachte 1]'. (2)
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2008 blijkt dat dit winkelpand reeds geruime tijd in beeld is bij de politie vanwege verdenkingen dat in dit pand gehandeld wordt in verdovende middelen. De eerste meldingen daarover dateren van februari 2006.(3)
Op 2 februari 2006 heeft een verbalisant gesproken met de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [A]. [A] heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij een mobiele telefoon in onderpand had gegeven in een winkel aan de [adres] om bolletjes te kopen, hiermee bedoelde hij verdovende middelen. Hij had namelijk niet genoeg geld om de verdovende middelen te kopen. De winkel zou een groentewinkel betreffen. Het betrof perceel [adres]. (4)
Op 18 maart 2006 werd een verbalisant in burger aangesproken door de hem ambtshalve bekende drugsverslaafde [B], die vertelde dat hij een aantal dealpandjes kon aanwijzen. [B] heeft hem vervolgens onder meer de groentewinkel in de [adres] aangewezen.(5)
Getuige [getuige 3] heeft op 28 maart 2006 verklaard dat er vier verschillende mensen in de groentewinkel werken. Al deze personen zijn van Turkse of Marokkaanse afkomst. Bij al deze personen kun je bolletjes cocaïne kopen. Achter in de winkel hangt een gordijn, daar achter is een soort van opslagruimte, daar liggen de bolletjes. Wanneer je een bolletje wilt gaan kopen, loop je mee naar het gordijn en daar pakt diegene een bolletje voor je. Het betalen van het bolletje doet zij meestal bij de man achter de kassa. Dit is dus niet altijd dezelfde als de persoon van wie zij het bolletje krijgt. Normaal gesproken betaalt zij € 10, - voor een bolletje.(6)
Naar aanleiding hiervan heeft de politie op 28 maart 2006 besloten een gerichte actie te starten ten aanzien van de desbetreffende groentewinkel.(7) Het onderzoek is echter medio april 2006 gestaakt nadat was gebleken dat de activiteiten van de politie kennelijk waren opgevallen bij de medewerkers c.q. eigenaar van de groentewinkel en dat de handel in verdovende middelen daarna mogelijk was gestopt, waarschijnlijk om aanhouding of vervolging te voorkomen.(8)
Vanaf juli 2007 zijn er opnieuw meldingen binnengekomen met betrekking tot het perceel [adres], onder andere van omwonenden vanwege overlast.(9)
Op 5 december 2007 is bij de telefonische meldlijn M (Melding Misdaad Anoniem) melding gemaakt van vermoedelijke handel van verdovende middelen vanuit de supermarkt op de [adres].(10)
Getuige [getuige 4] heeft op 1 maart 2008 verklaard dat hij een jaar lang cocaïne heeft gekocht bij de groenteboer op de [adres]. Hij kocht 3 à 4 keer in de week 6 of 7 bolletjes. Hij moest € 10, - per bolletje betalen. Hij kocht het meest bij [verdachte 2]. Ongeveer een maand geleden heeft de baas, de kleine dikke eigenaar, hem gevraagd of hij nieuwe cocaïne wilde testen. Nadat hij hem verteld had dat het goede cocaïne was, hoorde hij de baas zeggen dat hij dan deze cocaïne zou inkopen. Achter in de groentewinkel hangt een gordijn, vanachter de ruimte achter dat gordijn koopt hij altijd de cocaïne. Hij heeft eens gezien dat de cocaïne verstopt zat in een stopcontact in die ruimte.(11) Op 2 mei 2008 heeft [getuige 4] een tweede getuigenverklaring afgelegd, waarin hij onder meer heeft verklaard dat [verdachte 2] inmiddels is ontslagen en dat hij zijn cocaïne nu van de baas koopt. De drugsnaam van de baas is '[X]', aldus [getuige 4].(12)
Getuige [getuige 5] heeft op 10 juni 2008 verklaard dat zij vermoedt dat er in de supermarkt op de [adres] te Den Haag werd gehandeld in drugs. Zij heeft namelijk vaak gezien dat de zwager van de eigenaar (de Rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld medeverdachte [verdachte 3]) stiekem dingen overgaf aan een junk. Zij dacht dat dan de drugs werd overhandigd. Het gebeurde allemaal zo stiekem en alleen bij junks. Zij woonde vroeger in [...] en daar verbleven veel junks en dealers. Zij kan dat dealen wel herkennen.(13) Zij zag dit op de [adres] bijna dagelijks gebeuren.(14)
Getuige [getuige 6] heeft op 16 juni 2008 verklaard dat zij elke dag drugs gebruikt. Zij kocht de cocaïne sinds een half jaar bij de groenteboer op de [adres]. Zij betaalde voor 2 bolletjes € 20, -. Zij kocht de cocaïne in de winkel bij de baas, een bolle Turkse man.(15) Ook kocht zij van een jongen met lang haar, een petje en één of meer gouden tanden. Het gebeurde in de meeste gevallen achter een gordijn, achter in de winkel. Zij heeft gezien dat de drugs bewaard werden in een stopcontact in de keuken.(16)
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 september 2008 vastgesteld dat medeverdachte [verdachte 3] 3 gouden voortanden heeft.
Getuige [getuige 7] is de eigenaar van een kapperszaak, gelegen op de [adres ] te Den Haag. Hij heeft op 17 juni 2008 verklaard de eigenaar van de groentewinkel te kennen, daar de zaken naast elkaar gelegen zijn. Volgens [getuige 7] werken in deze winkel de eigenaar genaamd [verdachte 1], de zwager van de eigenaar (waarvan [getuige 7] denkt dat hij [verdachte 3] heet) en een Marokkaanse jongen die [verdachte 2] heet.(17)
Na verkregen machtiging is de winkel aan de [adres] op 14, 15, 21, 22 en 23 mei 2008 geobserveerd met een camera. Op de daarmee verkregen beelden is onder meer te zien dat met enige regelmaat personen met de uiterlijke kenmerken van een drugsverslaafde de winkel binnengaan en de winkel zeer kort daarna weer verlaten. Verdachte bevindt zich gedurende vrijwel alle geobserveerde periodes in of voor de winkel.(18) Uit de camerabeelden volgt in het bijzonder dat op 14 mei 2008 om 12.25 uur, 15.37 uur, 15.50 uur, 16.10 uur en 16.15 uur verdachte contact had met bij de politie bekende harddrugsgebruikers en met mensen die de uiterlijke kenmerken hadden van een drugsgebruiker, dat die personen de winkel van verdachte binnengingen en vervolgens een minuut later de winkel weer verlieten.(19)
In de telefoon van verdachte stonden de telefoonnummers van 4 personen, die in het bedrijfsprocessensysteem van regiopolitie Haaglanden voorkomen in relatie tot harddrugsbezit en/of -handel.(20)
Medeverdachte [verdachte 2] heeft op 8 juli 2008 verklaard dat verdachte de baas was. De baas zorgde dat de drugs er was en hij, [verdachte 2], verkocht die. De baas verkocht zelf ook en bewaarde de coke in het stopcontact achter in de winkel. [verdachte 2] heeft verklaard dat het in 2006 en 2007 heel druk was in de winkel en dat ze toen veel hebben verkocht. [verdachte 2] kreeg hiervoor € 250, - per week. Verdachte kreeg de cocaïne puur, in een brok. [verdachte 2] mixte vervolgens in het toilet op de keuken de 5 of 10 gram die verdachte had gekocht en maakte de bolletjes. De grotere partijen nam verdachte zelf mee naar huis. [verdachte 2] weet niet wat verdachte daarmee deed.(21)
Tijdens de doorzoeking in de groentewinkel van verdachte op 3 juni 2008 is de door de politie ingezette speurhond op dit stopcontact aangeslagen.(22)
Verdachte heeft op 4 juni 2008 verklaard dat hij ook wel '[X]' wordt genoemd.(23) Ook medeverdachte [verdachte 2] verklaart dat hij verdachte '[X]' noemt.(24)
Op grond van dit alles acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met tenminste twee anderen schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne. Uit de verschillende verklaringen, bevindingen en observaties blijkt immers duidelijk dat vanuit de groentewinkel door verschillende medewerkers, waaronder de eigenaar, cocaïne werd verkocht. De eigenaar wordt daarbij meerdere malen omschreven als een kleine, dikke Turkse man, hetgeen overeenkomt met het signalement van verdachte. Verdachte heeft bovendien zelf erkend dat hij '[X]' wordt genoemd.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er drugs waren verstopt in de beschermkap van de boiler. Medeverdachte [verdachte 2] heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard dat de gevonden drugs van hem waren en dat hier verder niemand van afwist. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 2.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep. Op 3 juni 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres] [nummer] te Den Haag. Tijdens deze doorzoeking is in één van de slaapkamers een in werking zijnde hennepkwekerij met 180 hennepplanten aangetroffen.(25) Verdachte heeft zowel tegenover de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd over dit feit. Hij heeft verklaard dat hij het gedaan heeft vanwege zijn schulden. Hij deed het samen met een Bulgaar die hij kent als '[Y]' en een hulpje van [Y].(26)
3.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
1.
hij op tijdstip(pen) in de periode van 2 februari 2006 tot en met 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
3.
hij op 3 juni 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met
een ander of anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] (perceelnummer [nummer]) 180 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II
4. De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De straf/maatregel
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie mr. H.A.C. Banning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, zoals hierboven uitgebreid weergegeven, namens verdachte aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zodat vrijspraak moet volgen. Het onder 3 ten laste gelegde kan volgens de raadsman wel wettig en overtuigend worden bewezen. Hij wijst er op dat verdachte te dien aanzien geen justitiële documentatie heeft en acht een lage straf aangewezen.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne vanuit zijn groentewinkel en het telen van hennep.
Het dealen van cocaïne wordt verdachte ernstig aangerekend. Dit dealen heeft gedurende een langere periode op verschillende tijdstippen plaatsgevonden. Cocaïne is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen dienen dan ook streng te worden bestraft.
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het dealen van cocaïne gedurende de gehele bewezenverklaarde periode onafgebroken heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarbij van belang dat vaststaat dat de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] tijdens deze periode geruime tijd gedetineerd zijn geweest en dat er tussen eind maart 2006 en halverwege juli 2007 geen enkele melding is gedaan bij de politie over de handel van harddrugs vanuit de winkel van verdachte. Gelet op het voorgaande kan niet duidelijk vastgesteld worden hoe lang verdachte en zijn mededaders zich precies met het dealen van cocaïne hebben beziggehouden. De rechtbank is er bij het opleggen van de straf met inachtneming van het vorenstaande in het voordeel van verdachte vanuit gegaan dat de periode waarin verdachte heeft gedeald in cocaïne tenminste 12 maanden heeft geduurd.
Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 5 juni 2008. Blijkens voornoemd uittreksel is verdachte niet eerder terzake van een strafbaar feit veroordeeld.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
in verzekering gesteld op : 3 juni 2008,
in voorlopige hechtenis gesteld op: 6 juni 2008,
Dit vonnis is gewezen door
mrs. Knol, voorzitter,
Van Dorp en Rochat, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2008.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossier pagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij dossier nummer PL1514/2008/15215, politie Haaglanden
2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 88
3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89
4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2006, doorgenummerd pagina 106
5 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 maart 2006, doorgenummerd pagina 109
6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 28 maart 2006, doorgenummerd pagina 100
7 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 89
8 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91
9 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 91
10 Proces-verbaal d.d. 25 maart 2008, doorgenummerd pagina 128
11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 1 maart 2008, doorgenummerd pagina 110
12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 4 mei 2008, doorgenummerd pagina 118
13 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 291
14 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 10 juni 2008, doorgenummerd pagina 292
15 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 305
16 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 juni 2008, doorgenummerd pagina 306
17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 17 juni 2008, doorgenummerd pagina 406
18 Processen-verbaal van bevindingen, doorgenummerd pagina's 278 t/m 289
19 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerd pagina 280/281
20 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerd pagina 431
21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2], doorgenummerd pagina's 446 e.v.
22 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 137
23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [1], doorgenummerd pagina 197/198
24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [...] - naar later bleek (proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 2], doorgenummerd pagina 453/454) - betrof dit verdachte [verdachte 2], doorgenummerd pagina 209
25 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2008, doorgenummerd pagina 224
26 De (bekennende) verklaring van verdachte ter zitting afgelegd