
Jurisprudentie
BF3309
Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.000.862
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.000.862
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof stelt voorop dat vast staat dat [appellant] de overeenkomst met FINNN BV i.o. als contractspartij (huurder) daarvoor (samen met [betrokkene]) heeft getekend. Hij heeft zelfs elke pagina van die overeenkomst geparafeerd. Zijn verweer komt er in wezen op neer dat die ondertekening en parafering naast de ondertekening door [betrokkene] betekenisloos was, en dat Autoschat dat ook heeft kunnen en moeten begrijpen. Uit niets van hetgeen daaromtrent ten bewijze is aangevoerd, kan die conclusie echter worden getrokken. In tegendeel, getuige [getuige], directeur van Autoschat, heeft verklaard dat hij uit het feit dat [appellant] verzocht zijn auto net zo uit te rusten als die van [betrokkene], heeft afgeleid dat ook [appellant] directeur van FINNN (BV i.o.) was. Hij verklaart bovendien dat (naast [betrokkene] en [appellant], die beide met personeel naar Autoschat plachten te komen om auto's op te halen) de leasecontracten niet door de chauffeurs werden getekend. Ook (zo begrijpt het hof) zijn vader, getuige [de vader], heeft verklaard dat de bestuurders bij het ophalen werden vergezeld door [appellant] of [betrokkene], en dat de leasecontracten niet door de bestuurders werden getekend. Ook volgens hem heeft [appellant] aangegeven dat hij dezelfde rechten had als [betrokkene], en met [betrokkene] eigenaar zou worden. De overeenkomst van 2 september 2002 is volgens deze getuige op diens verzoek zonder nadere vragen of opmerkingen door zowel [appellant] als [betrokkene] getekend omdat zij beide eigenaar van FINNN BV i.o. waren. [de vader] zou op enig moment in deze periode van [appellant] zelfs een visitekaartje hebben gekregen waarop stond dat hij financieel directeur of iets dergelijks was. Uit de verklaring van [appellant] zelf blijkt dat hij op 2 september 2002 inderdaad over dergelijke kaartjes beschikte. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [appellant] zich op een cursus al begin oktober 2002 als mededirecteur van FINNN BV i.o. presenteerde.
Uitspraak
Arrest d.d. 23 september 2008
Rolnummer 107.000.862
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [appellant],
toevoeging,
advocaat: mr. P.R. van den Elst,
tegen
Autoschat Lease BV,
gevestigd te Tietjerk,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna te noemen: Autoschat,
advocaat: mr. J.F. Rouwé-Danes.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen
uitgesproken op 7 mei 2003, 21 juli 2004 en 21 september 2005 door de rechtbank Groningen.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 20 december 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van Autoschat tegen de zitting van 11 januari 2006.
De conclusie van de memorie van grieven luidt:
''te vernietigen het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 21 september 2005 gewezen tussen [appellant] (appellant) als gedaagde en Autoschat (geïntimeerde) als eiseres, en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Autoschat alsnog af te wijzen [appellant] met veroordeling van Autoschat in de kosten van de procedure in eerste aanleg alsmede de kosten van de onderhavige procedure in hoger beroep.''
Bij memorie van antwoord is door Autoschat verweer gevoerd met als conclusie:
''bij arrest , zonodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden zal bekrachten het eindvonnis van de rechtbank te Groningen gewezen op 21 september 2005, onder rolnummer: 64066/HA ZA 03-229, gewezen tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde, en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad appellant te veroordelen in de kosten van beide instanties.''
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.
De beoordeling
De omvang van het appel
In de memorie van grieven wordt nog slechts de vernietiging gevorderd van het eindvonnis van 21 september 2005. Geen grieven zijn gericht tegen de tussenvonnissen. In dit hoger beroep staat de juistheid daarvan wat betreft [appellant] dus niet ter discussie.
De feiten
1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 21 juli 2004 onder 2 (a tot en met h) een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.
Het geschil
2. [appellant] is met ingang van 14 februari 2002 als hoofd buitendienst in dienst getreden bij Financial Insurance Network Noord-Nederland BV i.o. (FINNN B.V i.o.).
3. Op 2 september 2002 heeft Autoschat aan [appellant] een Mercedes 320 CDI (de Mercedes) afgegeven. De als huurovereenkomst aangeduide overeenkomst betreffende deze Mercedes (de overeenkomst) vermeldt als huurder FINNN BV i.o. en is ondertekend door [appellant] en [betrokkene].
4. [appellant] en genoemde [betrokkene] hebben op 19 november 2002 FINNN BV opgericht, waarbij [betrokkene] handelde voor zichzelf alsmede voor zijn holding. [betrokkene] is bij de oprichting tot directeur benoemd. [appellant] is toen eigenaar geworden van 360 van de 1800 geplaatste aandelen van FINNN BV.
5. De overeenkomst is op 19 november 2002 na de oprichting door [betrokkene] in zijn hoedanigheid van enig directeur van FINNN BV namens deze BV bekrachtigd. FINNN BV is haar verplichting jegens Autoschat uit hoofde van de overeenkomst evenwel niet nagekomen. Bij vonnis van 7 januari 2003 is FINN BV in staat van faillissement verklaard.
6. Voor zover dat in dit hoger beroep nog van belang is, heeft Autoschat met een beroep op artikel 2:203-3 BW aangevoerd dat [appellant] de overeenkomst namens de mede door hem opgerichte FINNN BV heeft gesloten terwijl hij wist of redelijkerwijs kon weten dat FINNN BV haar verplichtingen niet kon nakomen. Daartoe heeft Autoschat gesteld dat [appellant] zich tegenover hem heeft voorgedaan als eigenaar/directeur van FINNN BV i.o., terwijl hij volledig op de hoogte was van de financiële problemen van FINNN BV i.o. Ten tijde van de oprichting van die BV bestond al maanden achterstand in de betalingstermijnen en in de betaling van loon. Om die reden is hij aansprakelijk voor de nakoming van de overeenkomst, althans voor de schade die Autoschat door de niet-nakoming daarvan lijdt, aldus nog steeds Autoschat.
7. In het (niet met grieven bestreden) tussenvonnis van 21 juli 2004 heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dat [appellant] bij het ondertekenen en (op elke pagina) paraferen van de overeenkomst heeft gehandeld namens FINNN BV i.o. Daartoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat uit de ondertekening niet blijkt dat [appellant] - toen nog toekomstig aandeelhouder van FINNN BV - de overeenkomst in zijn hoedanigheid van werknemer heeft getekend of dat hij enkel voor ontvangst van de Mercedes heeft getekend. Hierop voortbouwend heeft de rechtbank in het genoemde vonnis op grond van de in artikel 2:203-3 BW gegeven bewijsregel geoordeeld dat de wetenschap moet worden vermoed bij [appellant] aanwezig te zijn dat FINNN BV haar verplichtingen uit de overeenkomst (de door FINNN BV bekrachtigde rechtshandeling) niet zou kunnen nakomen. FINNN BV is immers binnen een jaar na haar oprichting in staat van faillissement verklaard. Nadat [appellant] tot tegenbewijs was toegelaten, zijn getuigen gehoord. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] niet in het te leveren tegenbewijs is geslaagd en heeft hem om die reden aansprakelijk geacht voor de schade die Autoschat als gevolg van de niet-nakoming door FINNN BV van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat Autoschat dergelijke schade heeft geleden en heeft de (meer subsidiaire) vordering tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, toegewezen. Slechts dat oordeel staat in dit hoger beroep ter discussie.
Grief 1
8. Met de eerste grief bestrijdt [appellant] de conclusie van de rechtbank dat hij de overeenkomst namens FINNN BV (i.o.) is aangegaan. [appellant] betoogt niet in naam en voor rekening van FINNN BV te hebben gehandeld. Volgens hem was het Autoschat duidelijk dat hij bij de ondertekening als werknemer optrad in opdracht van of als vertegenwoordiger van [betrokkene], en dat hij dus - zo begrijpt het hof - alleen maar, op verzoek van Autoschat, voor de ontvangst van de Mercedes heeft willen tekenen.
9. Het hof stelt voorop dat vast staat dat [appellant] de overeenkomst met FINNN BV i.o. als contractspartij (huurder) daarvoor (samen met [betrokkene]) heeft getekend. Hij heeft zelfs elke pagina van die overeenkomst geparafeerd. Zijn verweer komt er in wezen op neer dat die ondertekening en parafering naast de ondertekening door [betrokkene] betekenisloos was, en dat Autoschat dat ook heeft kunnen en moeten begrijpen. Uit niets van hetgeen daaromtrent ten bewijze is aangevoerd, kan die conclusie echter worden getrokken. In tegendeel, getuige [getuige], directeur van Autoschat, heeft verklaard dat hij uit het feit dat [appellant] verzocht zijn auto net zo uit te rusten als die van [betrokkene], heeft afgeleid dat ook [appellant] directeur van FINNN (BV i.o.) was. Hij verklaart bovendien dat (naast [betrokkene] en [appellant], die beide met personeel naar Autoschat plachten te komen om auto's op te halen) de leasecontracten niet door de chauffeurs werden getekend. Ook (zo begrijpt het hof) zijn vader, getuige [de vader], heeft verklaard dat de bestuurders bij het ophalen werden vergezeld door [appellant] of [betrokkene], en dat de leasecontracten niet door de bestuurders werden getekend. Ook volgens hem heeft [appellant] aangegeven dat hij dezelfde rechten had als [betrokkene], en met [betrokkene] eigenaar zou worden. De overeenkomst van 2 september 2002 is volgens deze getuige op diens verzoek zonder nadere vragen of opmerkingen door zowel [appellant] als [betrokkene] getekend omdat zij beide eigenaar van FINNN BV i.o. waren. [de vader] zou op enig moment in deze periode van [appellant] zelfs een visitekaartje hebben gekregen waarop stond dat hij financieel directeur of iets dergelijks was. Uit de verklaring van [appellant] zelf blijkt dat hij op 2 september 2002 inderdaad over dergelijke kaartjes beschikte. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [appellant] zich op een cursus al begin oktober 2002 als mededirecteur van FINNN BV i.o. presenteerde.
10. Al met al is met de getuigenverklaringen dan ook geenszins het vermoeden ontkracht dat [appellant] de overeenkomst namens FINNN BV (i.o.) is aangegaan, althans dat Autoschat daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen (artikel 3:35 BW).
Grief 2
11. De tweede grief strekt tot betwisting van het oordeel van de rechtbank dat [appellant] redelijkerwijs kon weten dat FINNN BV (i.o.) haar verplichtingen jegens Autoschat niet zou kunnen nakomen. Immers, zo voert hij aan, hij was als hoofd buitendienst bezig met het aansturen van buitendienstmedewerkers en was om die reden niet vaak op kantoor te vinden. Zijn aandelen heeft hij pas op 19 november 2002 ontvangen, dus maanden na het sluiten van de overeenkomst. Dat was bedoeld als beloning voor de tot dan toe door hem verrichte werkzaamheden in de buitendienst.
12. Het hof kan [appellant] om te beginnen niet volgen in zijn betoog dat hij de aandelen pas op 19 november 2002, bij gelegenheid van de oprichting heeft ontvangen. Eerder was immers ook niet mogelijk, en het geschil draait juist naar zijn aard om handelingen die voorafgaand aan die oprichting zijn verricht. Feit is en blijft dat [appellant] en [betrokkene] de oprichters en aandeelhouders van FINNN BV waren, al werd alleen [betrokkene] directeur. Omtrent de positie van [appellant] en de kennis die bij hem op grond daarvan kan worden vermoed, wenst hij zich naar het hof begrijpt te beroepen op zijn eigen getuigenverklaring en die van [betrokkene]. Daaruit kan met name worden geconcludeerd dat het salaris over oktober 2002 nog tijdig kon worden betaald, maar over november niet omdat (pas toen) de provisie achterwege bleef. Een en ander overtuigt het hof in het licht van de overige getuigenverklaringen geenszins. Zo verklaart getuige [getuige 2] dat zijn salaris over september 2002 pas in oktober werd voldaan, en dat meerdere personeelsleden met hetzelfde probleem kampten. Ook getuige [getuige 3] verklaart dat er al in juli 2002 financiële perikelen bij FINNN waren en dat hij eraan twijfelde of hij voor de maanden daarna salaris zou krijgen. Ook volgens hem waren de financiële problemen binnen FINNN eind juli 2002 bij andere personeelsleden eveneens bekend. Volgens getuige [getuige 5] werd binnen de onderneming vrijuit gesproken over de financiële ontwikkelingen binnen FINNN BV, met name tussen mensen van het eerste uur. Deze getuige zegt daar zo onder gebukt te zijn gegaan dat hij op 23 september 2002 (enkele weken na het aangaan van de overeenkomst) een hartstilstand heeft gekregen. Getuige [betrokkene] verklaart dat [appellant] uit hoofde van zijn functie de behaalde omzetten kende, en dat [appellant] in die zin het vuile werk moest opknappen dat hij het buitenpersoneel moest vertellen dat het salaris later betaald zou worden. Uit de getuigenverklaringen blijkt dan ook bepaald onvoldoende dat de betalingsproblemen pas na het sluiten van de overeenkomst zijn ontstaan of aan [appellant] bekend zijn geworden. Diverse getuigenverklaringen wijzen juist op het tegendeel. De verklaringen die aan het verweer van [appellant] enige steun zouden kunnen geven, zijn van hemzelf en [betrokkene] afkomstig en moeten om die reden met de nodige terughoudendheid worden gewaardeerd.
13. Hiermee is dus evenmin het vermoeden ontkracht dat [appellant] redelijkerwijs kon weten dat FINNN BV (i.o.) haar verplichtingen jegens Autoschat niet zou kunnen nakomen.
Grief 3
14. Deze grief behoeft naast de voorgaande geen inhoudelijk behandeling omdat de grief uitgaat van het onjuiste uitgangspunt dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de in artikel 2:248 BW geregelde aansprakelijkheid van feitelijke bestuurders bij faillissement.
Grief 4
15. De laatste grief, die ertoe strekt het hele geschil ter beoordeling aan het hof voor te leggen, heeft naast de hiervoor besproken grieven geen betekenis, en kan om die reden verder onbesproken blijven.
De slotsom
16. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief 2, 1 punt).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Autoschat tot aan deze uitspraak op € 291,-- aan verschotten en € 1.784,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
verklaart dit arrest ten aan zien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 september 2008 in bijzijn van de griffier.