
Jurisprudentie
BF3271
Datum uitspraak2004-05-10
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
Zaaknummers22 HLAR 20/03
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
Zaaknummers22 HLAR 20/03
Statusgepubliceerd
Indicatie
Nu niet aan schriftelijkheidsvereiste is voldaan, kan verzoek niet aangemerkt worden als verzoek bedoeld in artikel 18, eerste lid, EBP. De mondelinge weigering aan dit verzoek te voldoen is dan ook niet als een beschikking in de zin van de Lar aan te merken.
Uitspraak
22 HLAR 20/03.
Datum uitspraak: 10 mei 2004
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en een aantal anderen, wonend op Curaçao,
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 17 oktober 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao.
1. Procesverloop
Op 28 april 2003 heeft een medewerker van de afdeling Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Verkiezingen van het Eilandgebied Curaçao een verzoek van appellanten om [belanghebbende] als Nederlander in te schrijven in de basisadministratie persoonsgegevens afgewezen.
Bij uitspraak van 17 oktober 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij ongedateerde brief, bij het Gerecht ingekomen op 28 november 2003, hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. C.A. Peterson, advocaat, en het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao (hierna: het Bestuurscollege), vertegenwoordigd door mr. M.V.R. Grüning en mr. E. Chéri, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de LAR) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
In het tweede lid is bepaald dat een weigering om een beschikking te geven wordt gelijkgesteld met een beschikking.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
2.1.1. In artikel 3, eerste lid, van de Eilandsverordening basisadministratie persoonsgegevens van Curaçao (hierna te noemen: EBP) is bepaald dat het Bestuurscollege houder is van de basisadministratie.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder a, sub 4, worden in de basisadministratie onder meer gegevens opgenomen over de nationaliteit van de ingeschrevene.
In artikel 18, eerste lid, is bepaald dat de houder van de basisadministratie binnen vier weken voldoet aan het schriftelijke verzoek van betrokkene de hem betreffende gegevens in de basisadministratie op de aangegeven wijze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien de gegevens onjuist dan wel onvolledig zijn of ten onrechte zijn opgenomen.
In artikel 19, eerste lid, onder f, – voorzover thans van belang – is bepaald dat de houder van de basisadministratie, als hij het voornemen heeft niet te voldoen aan een verzoek, als bedoeld in artikel 18, van dat voornemen aan de betrokkene binnen de desbetreffende termijn schriftelijk mededeling doet onder vermelding van de gronden.
Ingevolge het tweede lid stelt de houder van de basisadministratie de betrokkene in de gelegenheid binnen vier weken na de verzending van de mededeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken.
In het vierde lid is bepaald dat de houder van de basisadministratie binnen vier weken nadat de betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt dan wel binnen vier weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn de beslissing omtrent het voornemen neemt.
2.2. Appellanten klagen dat het Gerecht heeft miskend dat de mondelinge weigering om [belanghebbende] als Nederlander in te schrijven in de basisadministratie moet worden aangemerkt als een met een beschikking gelijk te stellen weigering om een daartoe strekkende beschikking te geven. Daarnaast stellen zij dat in september 2003 is gebleken dat sprake was van een tot dan toe onbekend gebleven schriftelijke beschikking.
2.2.1. Dit betoog faalt. Appellanten hebben op 28 april 2003 mondeling aan een medewerker van de afdeling Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Verkiezingen gevraagd de in de basisadministratie opgenomen gegevens betreffende [belanghebbende] te verbeteren, dan wel aan te vullen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het Hof af dat hiermee is beoogd een verzoek, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de EBP, te doen.
Het verzoek van appellanten kan echter niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt, omdat dit niet schriftelijk is ingediend.
De gestelde mondelinge weigering van de desbetreffende medewerker om aan het verzoek van appellanten te voldoen, kan dan ook niet worden aangemerkt als een weigering van het Bestuurscollege een beschikking te geven, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de LAR, gelezen in samenhang met artikel 19, vierde lid, van de EBP.
De brief van het Eilandgebied Curaçao, afdeling Burgerlijke Stand, abusievelijk gedateerd op 19 oktober 2001, was geen beschikking, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de LAR. In die brief is slechts een toelichting gegeven op de gang van zaken op 28 april 2003 en vermeld dat, nu op die dag geen beschikking jegens appellanten is gegeven, ook geen afschrift van een dergelijke beschikking kan worden verstrekt.
2.2.2. Het betoog van appellanten dat het Gerecht ten onrechte slechts het Bestuurscollege als verweerder heeft aangemerkt faalt evenzeer. Op een verzoek, als bedoeld in artikel 18 van de EBP, kan uitsluitend worden beslist door het Bestuurscollege. De andere door appellanten vermelde beambten of organen kunnen dat niet.
2.3. De conclusie is dat geen sprake was van een beschikking, waartegen krachtens artikel 7, eerste lid, van de LAR beroep kon worden ingesteld. Dit betekent, nu daarvoor ook geen andere grondslag bestaat, dat het Gerecht onbevoegd was van het beroep kennis te nemen.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het Gerecht onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 17 oktober 2003 in zaak nr. LAR 2003/69;
III. verklaart het Gerecht onbevoegd om van het in die zaak ingestelde beroep kennis te nemen;
IV. verstaat dat de griffier aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf 300,00 (zegge: driehonderd gulden) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.C. Visser, griffier.
w.g. Ter Berg, Voorzitter
w.g. Visser, griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,