Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3261

Datum uitspraak2004-05-10
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
Zaaknummers18 HLAR 10/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verlening bouwvergunning voor de bouw van een restaurant.
1) Verzoek tot intrekking bouwvergunning geen bezwaar als bedoeld in artikel 55 van de Lar, nu ten tijde van betreffend verzoek de Lar nog niet in werking was getreden. Tegen verlening van een bouwvergunning stond op dat moment ingevolge artikel 59 van de Bouw- en Woningverordening 1935 beroep open bij de Eilandsraad. 2) Een bouwvergunning kan worden ingetrokken, indien één van de omstandigheden genoemd in artikel 29 van de Bouw- en Woningverordening 1935 zich voordoet. Niet is gebleken dat hier sprake van is


Uitspraak

18 HLAR 10/03. Datum uitspraak: 10 mei 2004 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend op Curaçao, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 12 juni 2003 in het geding tussen: appellante en het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao. 1. Procesverloop Op 3 september 2001 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao (hierna: het Bestuurscollege) aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor de bouw van een restaurant te [locatie]. Bij beschikking van 28 augustus 2002 heeft het Bestuurscollege een verzoek van appellante om deze vergunning in te trekken afgewezen. Bij uitspraak van 12 juni 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 juli 2003, bij het Gerecht ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij brief van 6 november 2003 heeft het Bestuurscollege van antwoord gediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2004, waar appellante, in persoon, bijgestaan door M.E.A. Cicilia, en het Bestuurscollege, vertegenwoordigd door mr. G. Montaña-Hollander, zijn verschenen. [Belanghebbende] is daar niet verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ambtshalve overweegt het Hof als volgt. Ingevolge artikel LXVI van de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de IAR) zijn deze landsverordening en de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna te noemen: de LAR) niet van toepassing op besluiten van bestuursorganen die zijn genomen, voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze landsverordening. Ingevolge artikel LXVIII van de IAR treden deze landsverordening en de LAR in werking met ingang van 1 december 2001. 2.2. Bij brief van 11 september 2001 heeft appellante het Bestuurscollege gevraagd de op 3 september 2001 aan [belanghebbende] verleende bouwvergunning in te trekken. Deze brief was geen bezwaarschrift, als bedoeld in artikel 55 van de LAR, omdat de LAR in september 2001 nog niet in werking was getreden. Tegen de verlening van een bouwvergunning stond op dat moment ingevolge artikel 59 van de Bouw- en Woningverordening 1935 beroep open op de Eilandsraad. De afwijzing van 28 augustus 2002 kan dan ook niet worden aangemerkt als beslissing na een heroverweging van de verlening van de bouwvergunning. 2.3. Ingevolge artikel 29 van de Bouw- en Woningverordening 1935 kan het Bestuurscollege een verleende bouwvergunning bij een met redenen omklede beslissing intrekken, indien: a. binnen een jaar na de dag waarop de bouwvergunning is verleend, met het werk nog geen begin is gemaakt of wanneer het werk gedurende een jaar is gestaakt; b. bij het verrichten van het werk waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt afgeweken van de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze verordening. 2.3.1. Gesteld noch gebleken is dat zich een of meer van deze omstandigheden ten tijde van de beschikking van 28 augustus 2002 voordeed. De conclusie is dat het Bestuurscollege zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het de verleende bouwvergunning niet kon intrekken. Het Gerecht heeft het beroep terecht, zij het niet op juiste gronden, ongegrond verklaard. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd, voorzover daarbij is beslist op het beroep van appellante tegen de beschikking van 28 augustus 2002. 2.5. Gezien het voorgaande, behoeft hetgeen appellante heeft aangevoerd geen bespreking. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.C. Visser, griffier. w.g. Ter Berg, Voorzitter w.g. Visser, griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,