Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3260

Datum uitspraak2008-08-21
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/641160-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte, een politieman, heeft zich, na een verjaardag te hebben gevierd en daarna nog uit te zijn geweest, samen met anderen,schuldig gemaakt aan zodanig excessief geweld tegen slachtoffer 1 en twee anderen dat de rechtbank bewezen heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag en openlijke geweldpleging. Onder invloed van grote tot zeer grote hoeveelheden drank heeft hij samen met anderen een jongeman met veel kracht tegen het hoofd en lichaam geschopt, getrapt en gestompt, terwijl door de medeverdachten 2 anderen onder handen zijn genomen. Zelfs toen het slachtoffer weerloos en bewegingloos op de grond lag, is het schoppen door verdachten doorgegaan. Verdachten hebben het slachtoffer vervolgens zonder naar hem om te kijken achtergelaten. Het feit dat verdachte door de delicten zijn werk als politieagent is kwijtgeraakt en daarmee zijn maatschappelijke positie heeft verloren en daardoor harder is getroffen dan zijn mededaders vormt aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist is.


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/641160-08 Datum uitspraak: 21 augustus 2008 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], GBA adres: [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Haaglanden, Huis van bewaring unit 1, te Den Haag, raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2008. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. Het ten laste gelegde komt er op neer dat aan de verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan primair het medeplegen van een poging tot doodslag, althans zware mishandeling, door [slachtoffer 1] tegen onder meer zijn hoofd te schoppen en te slaan, subsidiair het openlijk in vereniging geweld plegen tegen die [slachtoffer 1], en daarnaast het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Pols heeft gerequireerd tot: - bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag. BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING Camera’s hebben op 4 mei 2008 een vechtpartij in Rotterdam geregistreerd. Camera C 40 is geplaatst op de kruising Westersingel-Nieuwe Binnenweg en camera C 41 is geplaatst op de Mauritsweg ter hoogte van pand 47. Ter terechtzitting van 7 augustus 2008 heeft de rechtbank in het bijzijn van de verdachte, diens raadsvrouw en de officier van justitie de desbetreffende videobeelden bekeken. De rechtbank stelt op grond van de door haar waargenomen camerabeelden en op grond van de verklaring van een getuige de volgende feiten in chronologische volgorde vast. Verdachte liep onder meer met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], allen medeverdachten, op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. Drie andere mannen, naar later bleek [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], kwamen aangelopen. Er ontstond een opstootje tussen beide groepen. [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] begonnen te trekken aan en te duwen tegen de drie andere mannen. [medeverdachte 3] stapte naar [slachtoffer 1] toe en sloeg hem met zijn rechter vuist op het hoofd, waarna [slachtoffer 1] wegrende. Nagenoeg tegelijkertijd stompte [medeverdachte 4] met zijn rechtervuist [slachtoffer 3] in zijn gezicht en duwde hem weg. [medeverdachte 2] rende achter [slachtoffer 2] aan. [medeverdachte 4] stompte met zijn rechter vuist [slachtoffer 3] nogmaals op het hoofd. De camera draaide vervolgens naar links richting [slachtoffer 1]. [medeverdachte 3] liep achter [slachtoffer 1] aan en trapte hem in zijn rug, waardoor [slachtoffer 1] op de grond viel. [medeverdachte 3] schopte hem vervolgens meerdere malen. [medeverdachte 1] en verdachte liepen intussen naar [slachtoffer 1] toe en trapten en schopten hem meerdere malen tegen zijn lichaam. Nadat [medeverdachte 3] was gestopt met schoppen, ging hij een paar meter verder op staan. [medeverdachte 1] trapte tegen de buik, het hoofd en in het gezicht van [slachtoffer 1]. Verdachte trapte of schopte tegen de rug van [slachtoffer 1]. [medeverdachte 1] bleef doorgaan met trappen tegen [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] probeerde op te staan. Verdachte trapte in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 1]. [medeverdachte 1] sloeg met zijn rechter vuist [slachtoffer 1] hard op het achterhoofd. [slachtoffer 1] viel hierna weer op de grond en bewoog niet meer. [medeverdachte 1] draaide hem op zijn rechter zij. [medeverdachte 2] kwam naar [slachtoffer 1] rennen. [medeverdachte 2] schopte [slachtoffer 1] in het gezicht. Alle verdachten liepen vervolgens weg. De rechtbank is voorts van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan. Een van de verdachten heeft aan de haren van [slachtoffer 3] getrokken. Toen zijn hoofd naar achteren werd getrokken heeft [slachtoffer 3] meerdere klappen in zijn gezicht gekregen van een of meerdere verdachten. Ook kreeg hij schoppen tegen zijn bovenbenen. Het volgende wordt overwogen. Ten aanzien van feit 1. Verdachte heeft betwist dat hij tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt. Hij heeft aangevoerd dat uit de videobeelden niet blijkt dat hij daadwerkelijk tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt heeft. Omdat er voorts geen sprake was van een bewuste nauwe samenwerking, kunnen de handelingen van de overige verdachten niet aan verdachte toegerekend worden. Het enkel schoppen tegen het bovenlichaam levert geen poging tot doodslag dan wel zware mishandeling op, aldus de raadsvrouw van verdachte. Het verweer gaat niet op. Verdachte heeft weliswaar gelijk dat uit de videobeelden slechts volgt dat hij een schoppende beweging richting het hoofd van [slachtoffer 1] maakt, doch vast staat dat verdachte meerdere malen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] geschopt heeft. Nadat [slachtoffer 1] door schoppen van [medeverdachte 3] op de grond was gevallen, zijn [medeverdachte 1] en verdachte [slachtoffer 1] gaan schoppen. Vrijwel gelijktijdig met het trappen door verdachte, heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] een stomp tegen zijn hoofd gegeven. [medeverdachte 2] heeft als laatste nog een trap tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gegeven. Gelet hierop wordt geoordeeld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Alle verdachten hebben, elkaar opvolgend dan wel tegelijkertijd, binnen enkele seconden [slachtoffer 1] geschopt en/of gestompt. Verdachte heeft zich niet van deze situatie gedistantieerd. Integendeel, hij heeft bijgedragen aan het geweld. De gedragingen van de andere verdachten kunnen dan ook aan hem, als medepleger, toegerekend worden. Derhalve doet niet ter zake of verdachte al dan niet zelf het hoofd van [slachtoffer 1] geraakt heeft. Op de foto’s van [slachtoffer 1] is te zien dat hij zowel aan de voorkant van zijn gezicht als aan beide zijkanten van zijn gezicht, waaronder bij zijn slaap, letsel heeft. Nu [slachtoffer 1] op diverse gevoelige plaatsen zoals het gezicht, de slaap, en het achterhoofd zo vaak en met kracht is geschopt en gestompt en nu hij, zelfs toen hij knock-out op de grond lag, nog tegen zijn hoofd is getrapt, heeft de verdachte die evenals zijn medeverdachten aan dit excessieve geweld een bijdrage heeft geleverd, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zodanig letsel zou oplopen dat hij ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Dat die kans geheel niet denkbeeldig was blijkt uit de verklaring van de hiervoor reeds genoemde getuige, die heeft verklaard dat hij werkelijk in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer dood was geschopt. Ten aanzien van feit 2. Namens de verdachte is aangevoerd dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 3], zodat vrijspraak dient te volgen van het onder 2 ten laste gelegde feit. Voorop gesteld dient te worden dat voor een veroordeling op grond van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht niet is vereist dat van de verdachte zelf een gewelddadige handeling tegen het desbetreffende slachtoffer is uitgegaan. Het gaat er om of de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd heeft aan het geweld tegen dat slachtoffer. In het onderhavige geval is het navolgende gebleken. Nadat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] geduwd hadden tegen en getrokken aan de drie mannen, heeft verdachte, zoals hij zelf verklaard heeft, een van hen weggeduwd en “donder op” tegen hem gezegd. [medeverdachte 3] had ondertussen de eerste klap uitgedeeld, waarna [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en verdachte achter [slachtoffer 1] aan zijn gelopen. Tegelijkertijd liep [medeverdachte 2] achter [slachtoffer 2] en [medeverdachte 4] achter [slachtoffer 3] aan. Alle vijf verdachten hebben vervolgens geweldadige handelingen verricht. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat hij op enig moment door tenminste twee, maar mogelijk meer van de verdachten tegelijk is beetgepakt en geslagen. Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat verdachten bewust hebben samengewerkt; zij hebben allen bijgedragen aan de gewelddadige sfeer die is ontstaan en hebben er allen voor gezorgd dat in ieder geval telkens een van hen achter elk van de drie mannen is aangegaan. Alle verdachten hebben dan ook een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld dat tegen [slachtoffer 3] is gebruikt. De rechtbank acht daarom (ook) bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3]. Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 4 mei 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet meermalen op en tegen het hoofd en tegen de buik heeft geschopt en op het hoofd heeft geslagen van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 04 mei 2008 te Rotterdam, op de Nieuwe Binnenweg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] welk geweld bestond uit het - aan de haren van die [slachtoffer 3] trekken en-meermalen tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer 3] slaan en stompen en- tegen de bovenbenen van die [slachtoffer 3] schoppen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. STRAFBAARHEID FEITEN De bewezen feiten leveren op: 1. primair Medeplegen van poging tot doodslag; 2. Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De feiten zijn strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, na een verjaardag te hebben gevierd en daarna nog uit te zijn geweest, zich samen met anderen, medeverdachten, schuldig gemaakt aan excessief geweld. Onder invloed van grote tot zeer grote hoeveelheden drank heeft hij samen met anderen een jongeman met veel kracht tegen het hoofd en lichaam geschopt, getrapt en gestompt. Zelfs toen het slachtoffer weerloos en bewegingloos op de grond lag, is het schoppen door verdachten doorgegaan. Dit is een vorm van ernstig, verwerpelijk geweld. Verdachten hebben het slachtoffer vervolgens zonder naar hem om te kijken achtergelaten. Bij het slachtoffer is letsel aan zijn hoofd, gezicht en slaap geconstateerd en een hersenschudding. Dat het letsel van het slachtoffer relatief gering is gebleven is geenszins aan de verdachte te danken. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens een tweede slachtoffer. Mede dankzij het handelen van verdachte is een gewelddadige sfeer ontstaan, waarbinnen alle verdachten achter een van de drie mannen aangegaan zijn en geweld tegen hen gebruikt hebben. De slachtoffers moeten zeer geschrokken zijn van het geweld dat tegen hen is gebruikt. Voorts zullen deze delicten, omdat die op de openbare weg hebben plaats gevonden, geleid hebben tot gevoelens van onrust en onveiligheid voor de omstanders. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 6 mei 2008 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte is door de delicten zijn werk als politieagent kwijtgeraakt en daarmee zijn maatschappelijke positie. Dit brengt grote consequenties met zich, voor verdachte maar ook voor zijn gezinsleden die hierdoor worden getroffen. De verdachte wordt hierdoor harder getroffen dan zijn mededaders. De rechtbank ziet hierin aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist is. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van feit 1: [slachtoffer 1], wonende te [adres]. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-. Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering worden toegewezen. Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; - stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; - verklaart de verdachte strafbaar; - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden, - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten; - stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft; - stelt als bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het volgen van een behandeling bij De Waag; - verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; - wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te [plaatsnaam], te betalen; - veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken; - legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 125,- (zegge: hondervijfentwintig euro), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; -verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door: mr. Puite, voorzitter, en mrs. Lamers-Wilbers en Schols, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Aagaard, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 augustus 2008. Bijlage bij vonnis van 21 augustus 2008: TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) op en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of tegen de buik, althans het lichaam heeft geschopt en/of op en/of tegen het hoofd heeft geslagen van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (Artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht) Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 04 mei 2008 te Rotterdam op of aan de openbare weg, De Nieuwe Binnenweg en/of het Eendrachtsplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het - omsingelen en/of achterna rennen van die [slachtoffer 1] en/of duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 1] en/of - meermalen, althans eenmaal (telkens) op en/of tegen en/of in de richting van het hoofd en/of buik, althans het lichaam schoppen en/of op en/of tegen het hoofd slaan van die [slachtoffer 1]; (Artikel 141 Wetboek van Strafrecht) 2. hij op of omstreeks 04 mei 2008 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Nieuwe Binnenweg en/of het Eendrachtsplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] welk geweld bestond uit het -meermalen, althans eenmaal tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en/of stompen en/of -meermalen, althans eenmaal aan de haren van die [slachtoffer 3] trekken en/of -meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer 3] slaan en/of stompen en/of -meermalen, althans eenmaal tegen de (boven)benen van die [slachtoffer 3] schoppen; (Artikel 141 Wetboek van Strafrecht)