Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3256

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/316 WAO + 07/1804 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is niet aan te merken als een zelfstandig deelbesluit. Nader besluit i.v.m. maximering urenomvang maatman. Juistheid vaststelling geselecteerde functies? Schadevergoeding.


Uitspraak

07/316 WAO + 07/1804 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, van 8 december 2006, 06/2682, (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en appellant. Datum uitspraak: 10 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij aanvullend beroepschrift heeft appellant een rapport van 15 januari 2007 van L. Greveling, bezwaarverzekeringsarts, en rapporten van 15 december 2006 en 19 januari 2007 van W.L. Wijngaards, bezwaararbeidsdeskundige, naar de Raad gezonden. Namens betrokkene heeft mr. J.J.A. Janssen, werkzaam bij FNV Bondgenoten, een verweerschrift, gedateerd 27 februari 2007, ingediend. Appellant heeft op 26 maart 2007 een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum, ingezonden, vergezeld van een rapport van 20 maart 2007 van Wijngaards voornoemd. Namens betrokkene is een aanvullend verweerschrift met bijlagen ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd door middel van inzending van een rapport van 11 januari 2008 van Wijngaards. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008. Betrokkene was in persoon aanwezig bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. II. OVERWEGINGEN 1. Betrokkene, werkzaam als chauffeur beroepsgoederenvervoer voor 49,5 uur per week, heeft zich in januari 2003 ziek gemeld in verband met pijnklachten aan pezen en spieren alsmede krachtsverlies aan handen en armen. Met ingang van 8 januari 2004 heeft appellant hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In november 2005 is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts van appellant, die heeft vastgesteld dat betrokkene beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat betrokkene nog wel in staat moet worden geacht om gangbare arbeid te verrichten. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige G.T. Meijer enkele voor betrokkene geschikte functies geselecteerd, waaronder blijkens de bijlage bij diens rapport van 14 december 2005, meteropnemer, portier/toezichthouder, elektronica monteur en kelner/ serveerster. Het theoretisch verlies aan verdiencapaciteit bedraagt derhalve volgens deze deskundige 16,64%. Appellant heeft dienovereenkomstig bij besluit van 15 december 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 15 februari 2006 herzien naar 15 tot 25%. 2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na rapportage door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft appellant bij besluit van 12 april 2006 (hierna het bestreden besluit 1) het bezwaar ongegrond verklaard. 3.1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij in verband met deze beperkingen de geduide functies niet kan uitoefenen; betrokkene heeft ter ondersteuning daarvan gewezen op de informatie van zijn behandelend reumatoloog. In het kader van het beroep heeft appellant een rapport van 28 oktober 2006 van Wijngaards voornoemd ingezonden. 3.2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit 1 vernietigd en dit besluit voor het overige in stand gelaten; tevens heeft de rechtbank appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat het betaalde griffierecht aan betrokkene dient te worden vergoed. Daartoe heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit 1 (uitdrukkelijk) voldoende deugdelijk geacht en deze onderschreven. Zulks geldt echter niet voor de arbeidskundige grondslag ervan: hoewel op alle signaleringen een voldoende toelichting is gegeven ter onderbouwing van de geschiktheid van de geduide functies, geldt zulks niet voor de zogenoemde verborgen beperking bij het aspect vervoer. Daarbij is immers aangetekend dat betrokkene niet beroepsmatig mag autorijden, aan welke beperking de rechtbank de conclusie heeft verbonden, dat betrokkene geen functies dient uit te oefenen waarvan autorijden een noodzakelijk onderdeel uitmaakt. Nu in de functie van meteropnemer voor 15% van de werktijd autogereden moet worden dient deze functie, mede gelet op de (mogelijke) bijwerking van de door betrokkene gebruikte medicijnen, buiten de schatting te blijven. Aldus resteren, volgens de rechtbank, te weinig functies om de schatting te dragen. Overigens dient het bestreden besluit 1 naar het oordeel van de rechtbank mede te worden vernietigd omdat appellant ten onrechte de urenomvang van de maatman heeft gemaximeerd. 4. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft appellant, kort gezegd, aangevoerd, dat de door de rechtbank gewraakte beperking slechts het puur beroepsmatig autorijden betreft, dat in de functie van meteropnemer slechts kort autogereden behoeft te worden, waarvoor het eventuele medicijngebruik geen noemenswaardige belemmering vormt en dat, ware dit anders, een vervoersvoorziening mogelijk is, zodat deze functie wel degelijk voor betrokkene beschikbaar is. Tevens heeft appellant erop gewezen dat er bij het wegvallen van laatstbedoelde functie, wel voldoende andere geschikte functies resteren. Namens betrokkene is bestreden dat de functies van meteropnemer, portier/toezichthouder en electronica monteur voor hem geschikt zijn te achten. 5.1. De Raad oordeelt als volgt. 5.2. De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, onder verwijzing naar zijn uitspraak van onder meer 13 mei 2008, LJN BD1231, dat de arbeidskundige component van de schatting niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat voor een gedeeltelijke vernietiging als door de rechtbank uitgesproken geen plaats is. 5.3. De Raad stelt vervolgens vast dat appellant, de grief over de maximering van de maatman alsnog heeft laten vallen en in verband hiermee bij besluit van 26 maart 2007, hierna: het bestreden besluit 2, de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene opnieuw heeft vastgesteld en, met ingang van dezelfde datum als opgenomen in besluit 1, te weten 15 februari 2006, heeft herzien naar 35 tot 45%. De aan dit besluit ten grondslag liggende berekening van het verlies aan verdiencapaciteit van 35,91% is als zodanig niet door betrokkene bestreden. Nu dit besluit niet volledig aan het (hoger) beroep van betrokkene tegemoetkomt zal het hoger beroep geacht worden, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit 2. 5.4. De grief van appellant over hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de aan betrokkene geduide functies slaagt. De Raad kan in het midden laten of appellant betrokkene terecht de functie van meteropnemer heeft voorgehouden. Ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat deze functie voor betrokkene niet geschikt zou zijn, is de Raad van oordeel dat er voldoende functies resteren die de schatting kunnen dragen. De door betrokkene tegen enkele van deze functies geopperde bezwaren zijn naar het oordeel van de Raad afdoende weerlegd in het rapport van 28 oktober 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards. 5.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het arbeidskundig gedeelte van het bestreden besluit 1 is vernietigd, appellant is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het bestreden besluit 1 voor het overige in stand is gelaten. Uit het onder 5.4. overwogene volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard. 5.6. Met betrekking tot het verzoek van betrokkene tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb merkt de Raad op dat het in feite niet langer handhaven van het bestreden besluit 1 in dit geval meebrengt dat de schade in de vorm van de gevorderde rente over de na te betalen uitkering voor vergoeding in aanmerking komt. Voor de wijze waarop appellant deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, JB 1995/314. 5.7. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, te begroten op € 966,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundig gedeelte van het bestreden besluit 1 is vernietigd, appellant is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het bestreden besluit 1 voor het overige in stand is gelaten; Vernietigt het bestreden besluit 1 geheel; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot het betalen van schadevergoeding in de vorm van rente over de na te betalen uitkering als aangegeven in de vorige rubriek van deze uitspraak, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. CVG