Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3255

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7382 WAO + 07/1412 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geschiktheid geselecteerde functies voldoende toegelicht?


Uitspraak

06/7382 WAO + 07/1412 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2006, 06/273 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.E. Zalm, werkzaam bij de FNV, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 5 maart 2007 een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum ingezonden; daarbij heeft het Uwv tevens een rapport van 28 februari 2007, met bijlagen, van J.G. Grothe, bezwaararbeidsdeskundige, welk rapport mede is ondertekend door R.H.J. van Glabbeek, bezwaarverzekeringsarts, in geding gebracht. Bij brief van 5 maart 2007 heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, zich als gemachtigde van appellante gesteld. Bij brief van 29 april 2008 heeft voormelde gemachtigde nog een nadere uiteenzetting gegeven, waarop door het Uwv is gereageerd door middel van inzending van een brief van 13 mei 2008 van M.H.A.H. Smithuysen, medewerker bezwaar en beroep. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante en haar gemachtigde waren niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eymael. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante, werkzaam als kamermeisje in een hotel, heeft zich op 12 augustus 2003 ziek gemeld in verband met rug-, nek- en knieklachten. Bij besluit van 18 maart 2005 heeft het Uwv geweigerd haar na afloop van de – verlengde – wettelijke wachttijd per 30 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toe te kennen omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. Daaraan ligt ten grondslag dat de verzekeringsarts van het Uwv heeft vastgesteld dat appellante beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid doch dat zij in staat moet worden geacht om met deze beperkingen gangbare arbeid te verrichten. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft blijkens zijn rapport van 17 maart 2005 een aantal functies geselecteerd, waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. 1.2. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2005. Daarbij heeft zij gesteld dat haar medische situatie is onderschat en er meer beperkingen, met name op het psychische vlak, aangewezen zijn, terwijl er ook aanleiding bestaat tot het stellen van een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts Glabbeek voornoemd is, na verkregen informatie van J.Weegerink, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan de GGZ, en na appellante op het spreekuur te hebben gezien, in zijn rapport van 17 oktober 2005 tot de conclusie gekomen, dat de psychische toestand van appellante niet zeer ernstig is, dat zij in staat moet worden geacht de voor haar geschikt geachte functies te vervullen en dat voor een urenbeperking onvoldoende aanleiding bestaat. In het arbeidskundig rapport van 20 oktober 2005 is een nadere toelichting gegeven op de geduide functies en de geschiktheid ervan voor appellante. Bij besluit van 7 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. 2.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is het in bezwaar aangevoerde herhaald en zijn kanttekeningen geplaatst bij verschillende door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geschikt geachte functies. 2.2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het vergoeden van proceskosten en het terugbetalen van griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat de medische beoordeling door het Uwv voldoende zorgvuldig en deugdelijk is en dat er niet te weinig beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn opgenomen. Bovendien heeft appellante haar stellingen op dit punt niet met (afdoende) nadere gegevens onderbouwd. 2.3. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank echter ondeugdelijk geacht. In de eerste plaats zijn er twee functies waarbij appellante aan de hand van een orderkaart moet controleren of de juiste producten zijn aangeleverd respectievelijk aan de hand van een orderbon informatie ontvangt over de verwerking van bepaalde producten; nu appellante kan lezen noch schrijven is, volgens de rechtbank, ook al gaat het om eenvoudige informatie, zonder nadere toelichting niet voldoende zeker of zij de bedoelde functies kan uitoefenen. De bepaling in het Schattingsbesluit die de beheersing van het Nederlands betreft, ziet alleen op de mondelinge beheersing van deze taal, aldus de rechtbank. In de tweede plaats is bij twee andere functies zonder nadere toelichting onduidelijk of de belasting verbonden aan de aspecten gebogen actief zijn respectievelijk torderen de mogelijkheden van appellante niet overtreft, nu zij weliswaar op deze punten belastbaar is tot de normaalwaarde, maar de eisen die deze functies stellen daar (ver) bovenuit gaan. Indien deze vier functies eventueel moeten vervallen, resteren er te weinig functies om de schatting te kunnen dragen. 3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij is de medische beoordeling van de rechtbank bestreden en in grote lijnen het eerder aangevoerde herhaald. Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en, als hiervoor aangegeven, een nieuw besluit op bezwaar van 5 maart 2007 genomen ter uitvoering van deze uitspraak. 4.1. De Raad oordeelt als volgt. 4.2. De Raad kan, evenals de rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Door appellante zijn geen (medische) gegevens in geding gebracht, die (in voldoende mate) haar stelling ondersteunen dat meer of andere beperkingen in de FML opgenomen hadden moeten worden. Zulks ook op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren: het hiervoor bedoelde schrijven van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van de GGZ legt daartoe onvoldoende gewicht in de schaal. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. 4.3. Als hiervoor aangeduid heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2007 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank door middel van het eerder genoemde rapport van J.G. Grothe voornoemd dat ten grondslag ligt aan dit besluit, alsnog een nadere toelichting gegeven bij de door de rechtbank gewraakte (vier) functies. Voor wat betreft het lezen van orderkaarten- of bonnen worden aan de beheersing van het Nederlands slechts zeer beperkte eisen gesteld, terwijl ten aanzien van de twee andere door de rechtbank bedoelde functies geldt, dat de belasting op een enkel item wel boven die behorend bij de normaalwaarde uitgaat, maar een en ander toch binnen de mogelijkheden van appellante ligt. In het besluit van 5 maart 2007 wordt derhalve, onder handhaving van de medische grondslag van het bestreden besluit, de weigering van toekenning van WAO-uitkering per 30 december 2004, met verbetering van de arbeidskundige motivering, gehandhaafd. Aangezien dit besluit deswege niet (geheel) aan het bezwaar dan wel beroep van appellante tegemoet komt, zal de Raad het hoger beroep met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht achten tegen het besluit van 5 maart 2007. 4.4. De Raad kan daarlaten wat er zij van de eisen gesteld aan het lezen van het Nederlands in de functies van medewerker textielindustrie (Sb-code 271140) en productiemedewerker metaal (Sb-code 111171): het betreft hier immers de derde functie die aan de schatting ten grondslag is gelegd dan wel de derde reservefunctie. Indien de eerst genoemde functie vervalt, kan de functie van inpakker (handmatig) als basis voor de schatting dienen. De geschiktheid van deze functie, waartegen overigens ook de rechtbank geen bezwaar had, acht de Raad voldoende toegelicht. Ten aanzien van de tweede aan de schatting ten grondslag gelegde functie (textielproductenmaker, Sb-code 111160), waarbij de rechtbank bedenkingen had in verband met het gebogen actief zijn, geldt, naar het oordeel van de Raad, dat in het eerder genoemde rapport van J.G. Grothe in voldoende mate is toegelicht dat deze binnen de mogelijkheden van appellante ligt. Ten aanzien van de overige, hiervoor nog niet genoemde, functies (waarbij de beheersing van het Nederlands geen relevante rol speelt) moet worden vastgesteld, dat voorafgaand aan het besluit van 5 maart 2007 een voldoende adequate toelichting is verstrekt. Er zijn aldus voldoende functies om de schatting te kunnen dragen. Dit betekent dat de (medische en) arbeidskundige grondslag van het besluit van 5 maart 2007 als voldoende deugdelijk is aan te merken en het beroep tegen dit besluit ongegrond moet worden verklaard. 5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. III BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2007 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen en in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008. (get.) J. Riphagen. (get.) W.R. de Vries. MH