
Jurisprudentie
BF3250
Datum uitspraak2008-09-26
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1021 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1021 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig?Juistheid en volledigheid vastgestelde beperkingen?
Uitspraak
07/1021 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2007, 06/2990 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2008, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit op bezwaar van 8 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) het tegen de intrekking van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gerichte bezwaar van appellant gegrond heeft verklaard en de aan appellant verleende WAO-uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het
medisch onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoende zorgvuldig is geweest en dat de functionele mogelijkheden van appellant juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, maar heeft het besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van deze functies pas in beroep is gegeven.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgrond herhaald dat hij
het onbegrijpelijk vindt dat hij op basis van exact dezelfde medische klachten en exact dezelfde omvang van deze klachten in mei 2001 nog volledig arbeidsongeschikt werd geoordeeld en op basis van dezelfde, gelijkblijvende klachten vervolgens in oktober 2005 aanvankelijk volledig arbeidsgeschikt, althans slechts 15 tot 25% arbeidsongeschikt is geacht. Volgens appellant kan op basis van de medische rapportages van enige verbetering van zijn gezondheidstoestand en een vermindering van zijn klachten sinds mei 2001 niet worden gesproken.
4. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad stelt voorts vast dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossieronderzoek en na het meewegen van de informatie van de huisarts afdoende heeft gemotiveerd waarom het primair medische oordeel wordt gehandhaafd. Nu door appellant geen medische gegevens in het geding zijn gebracht, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat sprake is van een onderschatting van de medische beperkingen van appellant, concludeert de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard.
5. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag stelt de Raad allereerst vast dat bij de herbeoordeling in mei 2001 onvoldoende functies te duiden waren, waarna appellant ongewijzigd in de klasse 80 tot 100% is ingedeeld. Bij onderhavige schatting zijn thans minder functies nodig om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het aangepaste Schattingsbesluit, zoals dat vanaf 1 oktober 2004 van kracht is, dient deze schatting te berusten op ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Nu de vaststelling van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid op deze grondslag berust, kan de beroepsgrond van appellant dat zijn gezondheidstoestand in vergelijking met mei 2001 onveranderd is en dus tot volledige arbeidsongeschiktheid zou moeten leiden niet slagen.
6. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad ten slotte geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zouden zijn voor appellant. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
7. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op
26 september 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM