
Jurisprudentie
BF3239
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers169037
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers169037
Statusgepubliceerd
Indicatie
Met een beroep op verkrijging te kwader trouw door extinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW en nader ook op grond van goede trouw (artikel 3:99 BW) menen eisers dat eerst hun ouders, en nu zij op grond van vererving, als eigenaar van het weitje behoren te worden beschouwd.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 169037 / HA ZA 08-621
Vonnis van 17 september 2008
in de zaak van
1. [eis.1],
wonende te [woonplaats],
2. [eis.2],
wonende te [woonplaats],
3. [eis.3],
wonende te [woonplaats],
4. [eis.4],
wonende te [woonplaats],
5. [eis.5],
wonende te [woonplaats],
eiseressen,
advocaat mr. drs. J.L. Zegelink te Elst,
tegen
DE GEMEENTE LINGEWAARD,
zetelende te Bemmel,
gedaagde,
advocaat mr. F.J. Boom te Arnhem,
Het verloop van de procedure
Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 2 juli 2008. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Naar aanleiding van daartegen geuite bezwaren is geen acht geslagen op de alinea’s 1-13 van een voor de comparitie toegezonden informatief bericht van de zijde van de erven [eisers]. Vervolgens is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten
1.1 Door overschrijving van de transportakte van 10 september 1958 heeft de voormalige gemeente Huissen de eigendom verworven van een aantal percelen water, moeras, dijkhelling en weiland, genaamd [adres]. Een van deze percelen is gelegen langs het [adres] en was kadastraal bekend [kad.gegevens], waaruit (onder meer) is ontstaan het huidige perceel [nummer], hierna ook wel aan te duiden als het weitje.
1.2 Naast het genoemde perceel bevindt zich het kadastrale perceel [kad.gegevens]. [adres] loopt over de oostzijde van dat perceel.
1.3 Op 3 november 1973 zijn [betrokkene] en zijn echtgenote [betrokkene] eigenaar geworden van de woning met grond [adres]. Zij hadden de onroerende zaak gekocht en geleverd gekregen van de [betrokkene].
1.4 Burgemeester en wethouders van Huissen hebben bij brief van 26 juni 1973 het volgende aan de [betrokkene] geschreven:
Wij zijn bereid mede te werken aan een schikking teneinde uit de problematiek t.a.v. de eigendom van de tegenover uw woning gelegen grond te geraken. Aan deze schikking wensen wij de volgende voorwaarden te verbinden:
1. de gemeente verkrijgt c.q. behoudt de eigendom van het op bijgevoegde tekening met een groene omlijning aangegeven perceelsgedeelte;
2. de [betrokkene] verkrijgen c.q. behouden de eigendom van het op bijgevoegde tekening met een blauwe omlijning aangegeven perceelsgedeelte;
3.A het onder 2 bedoelde perceelsgedeelte dient te worden ontdaan van opstallen, vuilnis en andere materialen.
3.B (Bebouwing op meergenoemd perceelsgedeelte is nimmer toegestaan).
3.C Het terrein mag nimmer gebruikt worden voor het storten van vuilnis en dergelijke materialen;
4. op de toekomstige perceelsgrens dient door en voor rekening van de [betrokkene] een passende erfafscheiding te worden geplaatst en gehouden volgens een door ons te bepalen model;
5. het onder 2, 3 en 4 en het hierna onder 7 vermelde is eveneens van toepassing t.a.v. elke volgende verkrijger en dient in elke akte tot eigendomsoverdracht te worden opgenomen;
6. alle kosten t.a.v. eigendomsoverschrijvingen etc. zijn voor rekening van de [betrokkene];
7. bij niet-nakoming of overtreding van het onder 3 t/m 5 vermelde wordt door de [betrokkene] ten behoeve van de gemeente Huissen verbeurd een door het enkele feit der niet-nakoming of overtreding, zonder dat enige ingebrekestelling zal zijn vereist, dadelijk opeisbare boete groot f. 10.000,--.
Genoemde bepalingen vinden wij noodzakelijk in verband met de ligging van het aan u over te dragen c.q. te behouden perceelgedeelte direct aansluitend aan het park [adres].
Wij verzoeken u ons mede te delen of u zich met bovenstaande regeling kunt verenigen. Beantwoording kan geschieden door één exemplaar van dit schrijven ondertekend voor accoordbevinding aan ons te retourneren.
Wij wijzen u er wel op, dat de definitieve beslissing door de gemeenteraad moet worden genomen en dat zijn beslissing goedkeuring behoeft van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
1.5 Op enig moment is op het weitje aan de oostzijde langs de waterkant een raster geplaatst dat sindsdien ongewijzigd is blijven staan en ook nu nog aanwezig is.
1.6 [betrokkene] is op 22 oktober 1992 overleden. Zijn echtgenote is hem gevolgd op 29 december 2006. Hun kinderen, verder de erven [eisers], zijn de eisers in deze procedure.
Het geschil en de beoordeling ervan
2. De erven [eisers] vorderen voor recht te verklaren dat het perceel gelegen aan het [adres], kadastraal bekend [kad.gegevens], aan hen in eigendom toebehoort. Daarnaast verlangen zij de veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure.
Aan hun vorderingen leggen zij de vaststaande feiten ten grondslag. Zij stellen dat het echtpaar [betrokkenen] op het tijdstip dat zij [adres] in eigendom hadden verkregen zich het bezit hebben verschaft van het aan de andere zijde van [adres] gelegen weitje. De echtelieden meenden dat zij bij de koop van perceel [nummer] ([adres]) ook het weitje hadden aangekocht. Met een beroep op verkrijging te kwader trouw door extinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW en nader ook op grond van goede trouw (artikel 3:99 BW) menen zij dat eerst hun ouders, en nu zij op grond van vererving, als eigenaar van het weitje behoren te worden beschouwd.
De gemeente voert gemotiveerd verweer.
3. Tijdens de comparitie is de brief van de gemeente Huissen van 26 juni 1973 aan de orde gekomen, evenals het bij die brief gevoegde kaartje. Voor een beter begrip van de zaak wordt een kopie van dat kaartje in kleur samen met een uittreksel uit de kadastrale kaart gedateerd 4 april 2008 waarop de betrokken percelen voorkomen, aan dit vonnis gehecht. Zoals door de gemeente tijdens de comparitie is bevestigd is het in geschil zijnde perceel op het kaartje weergegeven.
Namens de erven is door [betrokkene], echtgenoot van eiseres onder 1, verklaard dat zijn schoonouders in 1973 naar [adres] verhuisden. Toen heeft hij het raster, zoals dat er sindsdien onveranderd is blijven staan, voor het eerst gezien. Het kan volgens hem kloppen dat de gemeente het raster heeft geplaatst.
Anders dan bij enkele van de bij de dagvaarding overgelegde foto’s is vermeld kan als vaststaand worden aangenomen dat het raster langs de waterkant aan de oostzijde van het weitje door de gemeente is geplaatst. Dat moet zijn gebeurd vóór het schrijven van de brief van 26 juni 1973. Op het daarbij gevoegde kaartje is de afrastering immers al aangegeven. Daarom moet bij gebreke van andersluidende aanwijzingen worden aangenomen dat dat het bewuste raster was. Er is weliswaar sprake van nog een raster, maar dat liep langs [adres], zoals bijvoorbeeld op foto 13 (productie 10 bij de dagvaarding) goed is te zien. Dat raster is na verloop van tijd in verval geraakt. Daarvan zijn de resten later verwijderd. Daaruit volgt dat een raster op de door de gemeente voorgestelde nieuwe eigendomsgrens (blauw en groen) achterwege is gebleven en dat niet alleen het met blauw maar ook het met groen omlijnde gedeelte bij de familie [betrokkenen] in gebruik is geweest. Het gaat dus om het gehele perceel [nummer].
Waarom er indertijd een verschil van mening was tussen de [betrokkene] en de gemeente over de eigendom van het weitje waarop de brief van 26 juni 1973 slaat, valt niet meer te achterhalen. Het dossier van de gemeente waarin de brief thuishoort is onvindbaar. Tijdens de comparitie hebben de erven [eisers] betoogd dat zij op grond van de brief van de gemeente de eigendom van het weitje hebben. De feitelijke situatie sluit immers aan bij het door de gemeente gedane voorstel. Dit is door de gemeente tegengesproken. Omdat de [betrokkene] indertijd niet positief op de brief hebben gereageerd is volgens de gemeente geen sprake van aanvaarding van het gedane voorstel. Of er al dan niet sprake is van aanvaarding kan in het midden blijven op grond van hetgeen hierna wordt overwogen over het door de erven [eisers] gedane beroep op verjaring.
4. Voor het antwoord op de vraag of de erven [eisers] door verjaring de eigendom hebben verkregen is beslissend of [betrokkene] gedurende een termijn van tien jaar te goeder trouw of van twintig jaar bij kwade trouw bezitter is geweest volgens de in artikel 3:108 BW genoemde maatstaf. Dat komt neer op de vraag of [betrokkene] zich naar de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen de exclusieve macht over het in geschil zijnde weitje heeft verschaft, waaruit enerzijds de pretentie van eigendom blijkt, terwijl anderzijds duidelijk moet zijn dat de macht van de gemeente over hetgeen [eisers] in gebruik had of heeft genomen is geëindigd. De in dit verband in acht te nemen verjaringstermijn vangt aan op de dag volgend op die waarop [eisers] zich als bezitter is gaan gedragen (artikel 3:314 lid 2 BW).
Als bezitsdaden van [eisers] zijn in de correspondentie met de gemeente opgesomd het omheinen van het perceel, het onderhouden en maaien ervan, het er laten grazen van paarden en het snoeien en oogsten van daarop staande fruitbomen. Dat dit alles is gebeurd wordt op zichzelf door de gemeente niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Anders dan de gemeente opwerpt zijn de beschreven bezitsdaden in onderling verband en samenhang beschouwd wel degelijk aan te merken als inbezitneming van de grond. Door dit alles had het de gemeente duidelijk moeten zijn dat [betrokkene] zich de exclusieve zeggenschap had toegeëigend (als niet reeds zijn rechtsvoorganger(s) dat had(den) gedaan). Nu uit de overgelegde foto’s blijkt dat het perceel in elk geval in het voorjaar van 1977 langs [adres] was afgerasterd, is het verantwoord de aanvang van het bezit te stellen op 1 juli 1977, zodat de verjaringstermijn de dag daarop is aangevangen.
5. Voor het geval van inbezitneming door [eisers] sprake is, voert de gemeente aan dat dat bezit er niet meer was op het tijdstip dat de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit zou verjaren.
Dit verweer wordt verworpen. Een bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt (artikel 3:117 lid 1 BW). Noch het een noch het ander doet zich hier voor. Dat het beheer (het maaien) van het perceel na het overlijden van [betrokkene] op een zeker moment door de gemeente is overgenomen en dat mogelijk door haar (resten van) het raster langs [adres] zijn verwijderd is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat het op 1 juli 1977 aangevangen bezit is blijven voortduren (artikel 3:117 lid 2 BW).
6. Of er sprake is van verjaring te goeder trouw kan worden daargelaten. Ook wanneer de voor verjaring te kwade trouw geldende termijn van twintig jaar wordt aangehouden is deze op 1 juli 1997 voltooid, nu enige stuitingshandeling gedurende de looptijd niet is gesteld en daarvan ook niet is gebleken. De slotsom is dat de erven [eisers] als eigenaar van het in geschil zijnde perceel dienen te worden aangemerkt. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden gegeven.
7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente de kosten van deze procedure moeten dragen.
De beslissing
de rechtbank,
verklaart voor recht dat het perceel gelegen aan het [adres], kadastraal bekend [kad.gegevens], aan de erven [eisers] in eigendom toebehoort,
veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de erven [eisers] bepaald op € 1.243,44, waarvan € 339,44 wegens verschotten en € 904,-- wegens salaris,
verklaart de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
Coll.: