
Jurisprudentie
BF3233
Datum uitspraak2008-06-19
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.003.105/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.003.105/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Koop- en kredietovereenkomst zijn niet rechtsgeldig tot stand gekomen, als bewezen wordt dat gebrekkig Nederlands sprekende klant, met betalingsproblemen, geen alarmsysteem wilde aanschaffen. Kredietmaatschappij financiert uitsluitend gespecificeerde aankopen.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[X],
wonend te Amsterdam,
APPELLANT,
procureur: mr. A. Govers-Schotten,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
ALEC BURLINGTON INTERIM B.V.,
gevestigd te Woerden,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. B.J.H. Crans.
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellant - [X] - is bij dagvaarding van 16 juni 2005 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter), onder zaaknummer 625021 CV EXPL 04-22333 tussen hem als gedaagde en geïntimeerde - Comfort Card - als eiseres gewezen en op 7 april 2005 uitgesproken vonnis.
1.2. [X] heeft van grieven gediend, daarbij bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vordering van Comfort Card zal afwijzen met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van Comfort Card in de kosten van beide instanties.
1.3. Daarop is door Comfort Card geantwoord, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [X] in de kosten van het hoger beroep.
1.4. Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
2. Grieven
[X] heeft twee grieven aangevoerd, waarvoor wordt verwezen naar zijn desbetreffende memorie.
3. Feiten
3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende weersproken, staat in hoger beroep het volgende vast:
1. Op 10 maart 2003 is door een zekere [M] (verder: [M]), een medewerker van HBP Home Security B.V. (hierna: HBP), aan [X] een formulier van Comfort Card (prod.1 bij de inleidende dagvaarding) voorgelegd. Dit formulier is door [X] op genoemde datum ondertekend. Op dat formulier is onder meer met de pen aangegeven dat het aangevraagde financiële product een “Credit Card (Budget Card)” betreft. Voorts is daarop achter “Bedrag via Comfort Card” met pen ingevuld “€ 2.350,-“, achter “Aankoopomschrijving” ”ALARMSYSTEEM” en onder bestedingslimiet “€ 2.400,-“ met daarachter vermelding van de verschuldigde rente.
2. Eveneens op 10 maart 2003 is een opdrachtbon van HBP door [X] en - namens HBP - door [M] getekend (prod. 2 bij de inleidende dagvaarding). Het betreft een aantal op die bon omschreven onderdelen van een alarmsysteem van HBP ten bedrage van € 2.350,- met vermelding: “Betalingswijze: (..) financiering comfort”.
3. Op 10 maart 2003 is voorts door [M] aan [X] een creditcard van Comfort Card overhandigd, waarbij [M] [X] mededeelde dat na installatie van het alarmsysteem de creditcard na telefonisch verzoek aan het hoofdkantoor kon worden geactiveerd.
4. Op 11 maart 2003 is ten laste van de ten name van [X] bij Credit Card geopende rekening een bedrag van € 2.350,- overgemaakt naar HBP.
5. Blijkens een op 20 maart 2003 door [X] getekend “opleverbewijs” van HBP is het voornoemde alarmsysteem op 20 maart 2003 bij [X] geïnstalleerd (prod. 5 bij de inleidende dagvaarding).
6. Na installatie van het alarm heeft [X] de creditcard doen activeren en heeft hij (met twee opnamen van € 50,- en € 20,-) een bedrag van € 70, - opgenomen. Dit bedrag heeft [X] later teruggestort op de rekening van Comfort Card.
4. Beoordeling
4.1. Met een beroep op het hiervoor in r.o. 3.1. sub 1 genoemde, door [X] op 10 maart 2003 getekende formulier, stelt Comfort Card dat [X] met haar een kredietovereenkomst is aangegaan ter financiering van het door HBP bij hem geïnstalleerde alarmsysteem, uit hoofde waarvan zij van [X] te vorderen heeft een bedrag van € 2.657,45 alsmede de contractuele rente vanaf 18 november 2003 tot 15 juni 2004 (ten bedrage van € 268,91) en de contractuele rente vanaf 15 juni 2004 tot de dag der algehele voldoening; voorts vordert Comfort Card buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 454,- met wettelijke rente.
4.2. De kantonrechter heeft de hoofdsom met rente als gevorderd toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijk kosten heeft de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 406,- met afwijzing van het terzake meer of anders gevorderde, waaronder de wettelijke rente, een en ander met veroordeling van [X] in de proceskosten.
4.3. Met zijn eerste grief verwijt [X] de kantonrechter, kort gezegd, dat deze zijn in eerste aanleg gevoerd verweer heeft verworpen. [X] ontkent dat hij een kredietovereenkomst heeft gesloten om daarmee de aanschaf van een duur alarmsysteem te financieren. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd:
[X] spreekt, schrijft en leest geen tot slecht Nederlands, spreekt wel redelijk Engels. Hij werkt als autospuiter en had indertijd betalingsproblemen. Via een vriend, die hij uit het asielzoekerscentrum kent, [V], is hij in contact gekomen met [M]. Deze deelde [X] telefonisch mee dat hij geld aan hem kon lenen als hij, [X], een alarmsysteem zou huren en dat hij het geld pas na installatie van het alarmsysteem zou krijgen.
Vervolgens is een afspraak gemaakt ten huize van [X]. [X] sprak Engels en [M] bleef Nederlands spreken. [M] liet vervolgens het in r.o. 3 sub 1 genoemde formulier aan [X] zien en vulde daarop een bedrag van € 2.350,- in. Op de vraag van [X] wat dat voor een bedrag was, antwoordde [M] dat dat het bedrag was, dat hij aan hem zou lenen. [X] heeft [M] ook gevraagd wat het maandelijkse huurbedrag van het alarmsysteem was. [M] antwoordde dat niet precies te weten, maar dat het niet erg hoog was. Vervolgens heeft [M] aan [X] een creditcard van Comfort Card overhandigd en hem gezegd dat hij daarmee na installatie van het alarm het geld kon opnemen, maar eerst naar het hoofdkantoor moest bellen om de kaart te activeren. Voorts werd hem door [M] uitgelegd dat hij het bedrag niet in één keer kon opnemen, maar wel € 250,- per dag totdat het tegoed op zou zijn. Daarna heeft [X] het formulier (de krediet-overeenkomst) en de opdrachtbon van HBP getekend.
Na de installatie van het alarm op 20 maart 2003 heeft [X] de kaart geactiveerd en getracht een bedrag van € 250,- te pinnen, maar het lukte hem slechts in totaal € 70,- op te nemen. Daarop heeft [X] HBP benaderd, waar hem werd meegedeeld, dat hij een bedrag van € 70,- per maand moest aflossen op het alarmsysteem.
[X] begreep toen dat hij door [M] was opgelicht. Hij heeft het opgenomen bedrag teruggestort en zowel aan HBP als Comfort Card te kennen gegeven dat het alarm moest worden verwijderd.
4.4. [X] stelt zich op het standpunt dat de gestelde koop en in samenhang daarmee de kredietovereenkomst niet tot stand zijn gekomen, nu zijn wil niet was gericht op de aanschaf van een alarmsysteem en het sluiten van een kredietovereenkomst ter financiering daarvan. Gezien zijn eenvoudige en onderhoudsachterstallige woning in Amsterdam West is de aanschaf van een alarmsysteem belachelijk en wegens zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal heeft hij zich niet gerealiseerd dat hij zich verbond tot het aanschaffen/kopen van het (voor hem kostbare) alarmsysteem. [M] - als feitelijk vertegenwoordiger van HBP én Comfort Card – had er zich van moeten vergewissen dat [X] ondanks zijn beperkte financiële middelen genoemde overeenkomsten werkelijk wilde aangaan. [M] heeft dat niet gedaan, maar heeft hem daarentegen onjuist en onvolledig voorgelicht.
Voorts stelt [X] dat [M] het formulier met betrekking tot de kredietovereenkomst buiten [X] om heeft ingevuld. Op de door [X] overgelegde doorslag (prod. 1 mvg) is – anders dan op het door Comfort Card bij de inleidende dagvaarding (in copie) overgelegde origineel - niet aangegeven welk financieringsproduct wordt aangevraagd. Ook de in het origineel ingevulde bestedingslimiet, verschuldigde rente, e.d. is op de door [X] overgelegde doorslag niet ingevuld en uit de opdrachtbon en het opleverbewijs heeft hij – in het licht van zijn gesprek met [M] en gegeven zijn gebrekkige kennis van het Nederlands - in redelijkheid niet kunnen afleiden dat het om aankoop van een alarmsysteem ging, aldus nog steeds [X].
4.5. Comfort Card stelt zich allereerst op het standpunt dat het door [X] aangevoerde “wilsgebrek” ten aanzien van de aanschaf van het alarm haar als financier niet aangaat.
Dit betoog van Comfort Card behoeft geen behandeling, omdat [X] - hoewel hij in de stukken zegt dat hij ontdekte dat hij was “opgelicht” - zich niet beroept op een wilsgebrek (dwaling, bedrog, dwang, misbruik van omstandigheden, op grond waarvan de overeenkomsten vernietigbaar zouden zijn), maar aanvoert dat de koopovereenkomst – en daarmee samenhangend de kredietovereenkomst - niet tot stand gekomen zijn wegens het ontbreken van wilsovereenstemming.
4.6. Comfort Card heeft aangevoerd dat het om een volstrekt normale aankoop gaat, dat het financiële product transparant is en dat de omvang van de verplichtingen helder zijn. Er is voor Comfort Card geen aanleiding te veronderstellen dat [X] de Nederlandse taal niet beheerst. Hij beschikt immers over een Nederlands paspoort en is al twee jaar in Nederland werkzaam als autospuiter.
De geconstateerde verschillen tussen het door [X] getekende origineel van het aanvraagformulier en de doorslag daarvan laat zich, volgens Comfort Card, hierdoor verklaren dat later, toen de doorslag van het origineel was gescheiden, op het origineel aanpassingen en aanvullingen zijn aangebracht. Dat doet, aldus Comfort Card, aan het bestaan van een kredietovereenkomst niet af, nu [X] zelf stelt dat hem een krediet is verleend van € 2.350,- en hij ook de alarminstallatie in ontvangst heeft genomen.
Voor het geval het hof van oordeel is dat de kredietovereenkomst niet tot stand is gekomen, beroept Comfort Card zich er op dat haar betaling aan HBP voor het door [X] verworven alarm als onverschuldigde betaling aan [X] heeft te gelden en daarom mét rente door deze aan haar moet worden terugbetaald.
Deze door Comfort Card aangevoerde subsidiaire grondslag voor haar vordering kan haar niet baten, reeds omdat – indien wordt aangenomen dat tussen partijen geen kredietovereenkomst tot stand is gekomen – de betaling van Comfort Card aan HBP geen betaling aan [X] is.
4.7. Indien de door [X] gestelde – hiervoor onder 4.3. weergegeven – feiten en omstandigheden komen vast te staan, is naar het oordeel van het hof wegens het ontbreken van wilsovereenstemming geen rechtsgeldige koopovereenkomst m.b.t. het alarmsysteem en dus ook geen rechtsgeldige kredietovereenkomst ter financiering van die aankoop tot stand gekomen.
Dat Comfort Card niet feitelijk bij een en ander betrokken is geweest en dus niet kan beoordelen of – en in hoeverre – [X] de Nederlandse taal beheerst en/of wat zich in de gesprekken tussen [X] en [M] heeft afgespeeld, kan daaraan niet afdoen, nu Comfort Card het sluiten van kredietovereenkomsten als hier aan de orde, overlaat aan de verkoper (in casu HBP) van de door deze “aan de man (in casu [X]) te brengen” goederen.
Haar betoog dat vast staat dat [X] geld nodig had en dat zij hem (dus) geld geleend heeft, gaat er aan voorbij dat Comfort Card (naar het hof ambtshalve bekend is) uitsluitend (en via de winkeliers) gespecificeerde aankopen financiert en geen leningen verstrekt, zoals een bank dat doet. Anders dan door haar (bij memorie van antwoord sub 12) is aangevoerd, kan dan ook niet geoordeeld worden, dat de “aanwending van het krediet” een zaak is die haar “als kredietgever in beginsel niet aangaat”.
4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist acht het hof het geboden [X] overeenkomstig diens bewijsaanbod toe te laten de hiervoor in 4.3. weergegeven feiten en omstandigheden te bewijzen
5. Beslissing
Het hof:
laat [X] toe de hiervoor in 4.3. weergegeven feiten en omstandigheden te bewijzen;
bepaalt dat - indien [X] dat bewijs door middel van getuigenverklaringen willen leveren - de getuigen kunnen worden gehoord ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde (plaatsvervangend) lid van het hof, mr. F.O. van Manen, die daartoe zitting zal houden op een nader te bepalen datum in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam;
verwijst deze zaak naar de rolzitting van donderdag 10 juli 2008 voor het nemen van een akte aan de zijde van [X], houdende opgave van de door deze voor te brengen getuigen, alsmede opgave van de verhinderdata van de raadslieden van beide partijen én van de voor te brengen getuigen in de maanden augustus tot en met oktober 2008;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.O van Manen, M. Flipse en A.K.C. de Brauw en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2008.