
Jurisprudentie
BF3225
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5794 TW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5794 TW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Nieuwe feiten of omstandigheden? Bestuursrechter zelfstandige bevoegdheid ten aanzien van beslissing Officier van Justitie. Boeteoplegging. Schending inlichtingenverplichting. Beleid.
Uitspraak
06/5794 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 augustus 2006, 05/1353 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv is – met bericht van verhindering – evenmin verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, geboren [in] 1964, is met ingang van 1 augustus 1984 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is, wegens intrekking van de AAW, per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.1. Met ingang van 6 november 2000 heeft het Uwv appellante op haar verzoek een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend. Deze toeslag is door het Uwv per 1 november 2001 beëindigd wegens het inkomen van appellante in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding. In verband hiermee heeft het Uwv hetgeen over de periode van 1 november 2001 tot en met 31 maart 2002 aan toeslag onverschuldigd is betaald van appellante teruggevorderd. Tevens heeft het Uwv aan appellante een boete ad € 132,-- opgelegd in verband met schending van de mededelingsverplichting.
1.2. Met ingang van 1 oktober 2002 heeft het Uwv appellante op haar verzoek wederom een toeslag ingevolge de TW toegekend. Naar aanleiding van een ontvangen anonieme tip over het voeren van een gezamenlijke huishouding door appellante heeft het Uwv een onderzoek in laten stellen. Op grond van het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2005 de appellante toegekende toeslag per 1 oktober 2002 ingetrokken. Bij besluit van dezelfde datum, gecorrigeerd op 20 januari 2005, heeft het Uwv hetgeen over de periode van
1 oktober 2002 tot en met 31 januari 2005 onverschuldigd aan toeslag is betaald van appellante teruggevorderd.
Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 maart 2005 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij brief van 15 maart 2005 heeft appellante het Uwv verzocht haar met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de TW. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 20 januari 2005.
2.1. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 20 januari 2005, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 671,00, zijnde 10% van het benadelingsbedrag, verhoogd met 50% tot een bedrag van € 1006,50, wegens het schenden van de mededelingsverplichting aangezien appellante niet heeft meegedeeld dat zij – weer – samenwoonde.
Namens appellante is tegen dit besluit eveneens bezwaar gemaakt.
2.3. Bij besluit van 8 september 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv de bezwaren tegen zowel het besluit van 31 maart 2005 als het besluit van 15 april 2005 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij de vraag of bij het verzoek van appellante nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gemeld, ontkennend beantwoord. Ten aanzien van de aan appellante opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van appellante slechts is aangevoerd dat er dringende redenen, gelegen in de financiële sfeer, bestonden om van het opleggen van een boete af te zien en dat de gevolgen van de boete niet in verhouding staat tot het met het besluit te dienen doel, maar dat dit standpunt niet nader onderbouwd is.
4. Namens appellante is in hoger beroep verwezen naar hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd. Daaraan is toegevoegd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, welke zijn gelegen in de omstandigheid dat uit informatie van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Groningen blijkt dat de vermeende partner van appellante slechts tot 2000 zijn verblijfadres bij appellante heeft gehad. Het Uwv is, aldus de gemachtigde van appellante, uitgegaan van een uitdraai ‘Raadplegen Basisadministratie’ welke uitdraai andere informatie behelst dan een uittreksel uit de GBA-registers.
Ten aanzien van de opgelegde boete wordt door de gemachtigde van appellante volgehouden dat die, mede gelet op het bedrag van de reeds bestaande terugvordering, niet evenredig en derhalve buiten proportioneel is. Voorts is in dit kader aangevoerd dat niet getoetst is aan de ‘afstemming op de ernst van de gedraging’, aangezien appellante een persoon is met een beneden gemiddeld intellect, hetgeen bij het Uwv bekend is. Voorts is namens appellante gewezen op de sepotbeslissing van de Officier van Justitie van 10 maart 2005.
5. De Raad overweegt ten aanzien van de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van 20 januari 2005 het volgende.
5.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
5.2. Ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen van het besluit van 20 januari 2005 heeft appellante gesteld dat uit gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Groningen blijkt dat de vermeende partner van appellante (slechts) tot 9 november 2000 ingeschreven stond op het adres van appellante.
5.3. De Raad is van oordeel dat deze informatie niet aangemerkt kan worden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, reeds omdat het Uwv daarmee in de besluitvorming op bezwaar rekening heeft gehouden.
5.4. Ten aanzien van de beslissing van de Officier van Justitie om af te zien van rechtsvervolging merkt de Raad op dat dit gegeven weliswaar aan te merken is als een nieuw feit, maar dat het Uwv – gelet op zijn zelfstandige bevoegheid te dezen – daarna geen aanleiding behoefde te zien om terug te komen van het eerdere besluit.
5.5. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv mitsdien in redelijkheid kunnen weigeren om terug te komen van het besluit van 20 januari 2005.
6. Ten aanzien van de appellante opgelegde boete van € 1006,50 overweegt de Raad als volgt.
6.1. Artikel 12 van de TW bepaalt – kort gezegd – dat degene die aanspraak maakt op een toeslag verplicht is aan het Uwv onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.
6.2. Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de TW legt het Uwv degene die aanspraak maakt op een toeslag en die de verplichting als bedoeld in artikel 12 niet of niet behoorlijk is nagekomen een boete op van ten hoogste € 2.269,00.
De hoogte van de boete wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin degene die aanspraak maakt op een toeslag de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ingevolge het vierde lid van artikel 14a van de TW kan het Uwv in die daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
6.3. De boete wordt ingevolge artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op tenminste € 45,00 wordt vastgesteld en naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 11,00.
6.4. In de bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers, zoals dit besluit luidde tot 17 mei 2007, is als beleid van het Uwv neergelegd dat het basis boetebedrag met 50% wordt verhoogd, indien in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het bekendmaken van de boete, is vastgesteld dat bij overtreding van dezelfde inlichtingenverlichting door dezelfde persoon destijds een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd.
De boete wordt verlaagd indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt, dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen achttien maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen van de belanghebbende, dan wel de voor de belanghebbende geldende aflossingscapaciteit. De Raad acht dit beleid niet onredelijk.
6.5. De Raad is van oordeel dat het Uwv bij de boeteoplossing heeft gehandeld in overeenstemming met voornoemde regels. De stelling van appellante dat geen ‘afstemming’ als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de TW zou hebben plaatsgevonden, kan dan ook niet slagen. Het gegeven dat appellante een persoon is met een beneden gemiddeld intellect heeft het Uwv, naar het oordeel van de Raad, geen aanleiding hoeven geven om het niet nakomen van de inlichtingenplicht minder verwijtbaar te achten, nu appellante reeds eerder deze verplichting geschonden heeft, terwijl niet is gebleken dat appellant – die reeds diverse malen een toeslag heeft aangevraagd – overigens niet in staat zou zijn haar belangen adequaat te behartigen. De Raad is tenslotte van oordeel dat in de door appellante gestelde financiële omstandigheden geen reden kan worden gezien om tot een ander oordeel te komen. Blijkens het bestreden besluit heeft het Uwv daarmee, door de persoonlijke omstandigheden van appellante, haar inkomen en haar zogeheten beslagrijke voet in aanmerking te nemen, genoegzaam rekening gehouden.
7. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M. Lochs.
JL