Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3224

Datum uitspraak2004-05-10
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
Zaaknummers9 HLAR 26/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het beroep is niet ingesteld zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden, nu eventuele fouten bij de behartiging van zijn zaken door een door hem aangewezen gemachtigde appellant moeten worden toegerekend.


Uitspraak

9 HLAR 26/03. Datum uitspraak: 10 mei 2004 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [plaats], Nederland, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 12 november 2003 in het geding tussen: appellant en de Minister van Justitie en Publieke Werken. 1. Procesverloop Bij brief van 7 september 1998 heeft de Minister van Justitie en Publieke Werken (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om een verklaring dat de Landsverordening toelating en uitzetting van Aruba niet op hem van toepassing is, dan wel hij van rechtswege toelating in Aruba heeft, afgewezen. Bij beschikking van 26 oktober 2001 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 november 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2003, bij het Gerecht ingekomen op 23 december 2003, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2004, waar appellant in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door A. Lumenier, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken en gaat de termijn in op de dag na die, waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend. Ingevolge artikel 28, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt. 2.2. De beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend op 26 oktober 2001. Appellant heeft op 27 februari 2003 beroep bij het Gerecht ingesteld. Het Gerecht heeft ten aanzien van deze termijnoverschrijding overwogen dat appellant de beslissing op het bezwaarschrift eerst op 27 februari 2003 heeft ontvangen en dat, nu appellant op deze dag ook zijn beroepschrift heeft ingediend, hij het beroepschrift zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kan worden heeft ingediend. Het tegendeel blijkt naar het oordeel van het Gerecht niet uit de brieven van de directeur van de Directie Juridische en Algemene Zaken (DJAZ) van 9 september 2002 en 13 november 2002. Het Gerecht heeft overwogen dat niet vaststaat dat appellant deze brieven heeft ontvangen en evenmin dat appellant op een andere manier kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op het bezwaarschrift. Het Gerecht acht het beroep daarom ontvankelijk. 2.3. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende. 2.3.1. Anders dan het Gerecht heeft overwogen, blijkt uit de stukken dat appellant de brief van 9 september 2002 met de daarbij gevoegde beslissing op het bezwaarschrift wel op enig moment heeft ontvangen. Het deurwaarderskantoor van N.E. Hart, waar de beslissing op het bezwaarschrift op verzoek van appellant naartoe was gezonden, heeft appellant mogelijk niet tijdig in kennis gesteld van de ontvangst van deze brief en de beslissing op het bezwaarschrift. In verband met ziekte en de beƫindiging van de praktijk heeft deurwaarder N.E. Hart de beslissing op het bezwaarschrift, naar gesteld, pas op 27 februari 2003 aan appellant overgelegd. De gevolgen van deze omstandigheden komen voor rekening van appellant. Appellant moeten eventuele fouten bij de behartiging van zijn zaken door een door hem aangewezen gemachtigde worden toegerekend. Nu is gesteld noch gebleken dat de gemachtigde door overmacht niet in staat was zijn zaken aan een ander over te dragen, is het beroep niet ingesteld, zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden. Het Gerecht had het beroep derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. 2.4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, verklaart het Hof het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk. 3. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 12 november 2003, LAR nr. 30; III. verklaart het beroep van appellant tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 26 oktober 2001 niet-ontvankelijk; IV. gelast dat het Land aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft. Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.C. Visser, griffier. w.g. Ter Berg w.g. Visser Voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,