Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3223

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/189 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid vaststelling beperkingen? Het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd.


Uitspraak

05/189 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 december 2004, 04/277 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.A. van Straten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Na de behandeling van het geding ter zitting van 19 januari 2007 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen voor nader onderzoek. Vervolgens is appellante op verzoek van de Raad onderzocht door A.M.A. de Groot, zenuwarts/psychiater te Geleen, die op 23 januari 2008 rapport heeft uitgebracht. Op dit rapport is van de zijde van het Uwv gereageerd door middel van een rapport d.d. 11 februari 2008 van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen. Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 28 maart 2008, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs. Na de zitting van 28 maart 2008 heeft de Raad besloten het onderzoek nogmaals te heropenen voor nader onderzoek. Bij schrijven van 29 april 2008 heeft de deskundige De Groot voldaan aan het verzoek van de Raad om te reageren op het voormelde rapport van de bezwaarverzekeringsarts Tjen. Daarop is van de zijde van het Uwv gereageerd door middel van een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster en is op 27 februari 1998 uitgevallen als gevolg van rugklachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Laatstelijk ontving zij een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.2. Aangezien appellante van mening was dat er bij haar sprake was van toegenomen beperkingen is zij op 7 april 2003 onderzocht door de verzekeringsarts B. van Bavel. In een rapport van dezelfde datum is hij tot de conclusie gekomen dat er bij appellante, in tegenstelling tot voorheen, geen sprake meer was van een medische urenbeperking. Wel heeft hij beperkingen als gevolg van schouderklachten vastgesteld en met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige P. Hupperetz in zijn rapport van 21 mei 2003 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk. Wel heeft hij appellante geschikt geacht voor andere functies en op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport van de arbeidsdeskundige is appellante bij besluit van 23 mei 2003 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 24 juli 2003 wordt ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. 2.1. In haar bezwaarschrift heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij heeft gewezen op haar psychische klachten en daarnaast heeft zij gesteld dat ten onrechte geen beperkingen ten aanzien van de aspecten zitten en staan zijn aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft, heeft zij een verklaring van haar huisarts en sociaal psychiatrisch verpleegkundige overgelegd. Tevens is zij van mening dat haar belastbaarheid in de geselecteerde functies wordt overschreden. 2.2. Appellante is op verzoek van het Uwv onderzocht door de klinisch psycholoog M.P. Steger, die op 14 december 2003 rapport heeft uitgebracht. De bevindingen van deze psycholoog zijn voor de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen aanleiding geweest de voor appellante vastgestelde FML enigszins aan te passen. Op grond van deze aangepaste FML is de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat een tweetal geselecteerde functies niet meer geschikt is voor appellante. Op grond van de resterende drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. 3.1. In beroep is van de zijde van appellante een rapport d.d. 15 september 2004 van de psychiater B.J. van Eyk ingebracht, die van mening is dat appellante vanwege een persoonlijkheidsstoornis geen werkzaamheden kan verrichten. Daarop is door het Uwv gereageerd door middel van een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts Tjen. 3.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard. 4.1. In hoger beroep heeft appellante dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure, waarbij ze nog een nadere verklaring d.d. 19 januari 2005 van de psychiater Van Eyk heeft overgelegd. 4.2. Van de zijde van het Uwv is op verzoek van de Raad nog een rapport van de arbeidsdeskundige P. Hupperetz ingebracht, waarin een nadere toelichting is gegeven op de geschiktheid van de functies. 4.3. In de rubriek I genoemde rapporten d.dis. 11 februari 2008 en 21 mei 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts Tjen erop gewezen dat de deskundige De Groot bij de totstandkoming van zijn rapport de beschikking heeft gehad over medische informatie die hij niet heeft overgelegd. Hierdoor is Tjen de mogelijkheid onthouden te beoordelen in hoeverre deze informatie een ander licht werpt op de medische situatie van appellante ten tijde hier in geding. Een dergelijke gang van zaken acht hij niet juist. 4.4. Desgevraagd heeft de deskundige De Groot bij brief van 7 april 2008 aangegeven dat hij alle relevante informatie in zijn rapport heeft verwerkt. 5. De Raad overweegt als volgt. 5.1. De Raad is van oordeel dat beslissende betekenis moet worden toegekend aan het rapport van de als deskundige geraadpleegde zenuwarts/psychiater De Groot. Deze is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat er bij appellante op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis en dat zij op dat moment meer beperkingen had dan het Uwv heeft aangenomen. 5.2. De Raad is van oordeel dat deze deskundige, die appellante heeft gezien en bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld. De omstandigheid dat deze deskundige bij de totstandkoming van zijn rapport gebruikt heeft gemaakt van medische informatie die hij om redenen van privacy niet heeft willen overleggen, vormt voor de Raad in dit geval geen aanleiding geen waarde toe te kennen aan dit rapport. De Raad volgt de deskundige in zijn toelichting dat hij deze vertrouwelijke informatie op inzichtelijke wijze in dit rapport heeft verwerkt en is van oordeel dat de getrokken conclusie in voldoende mate is onderbouwd. De Raad ziet, gelet op alle gegevens, dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het in ’s-Raads vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. 5.3. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. 5.4. Gemachtigde van appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Nu het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. 6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de rapportages van de door appellante geraadpleegde psychiater Van Eyck, zijnde een bedrag van € 1.200,--. In totaal komt derhalve een bedrag van € 1.844,-- aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.844,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008. (get.) J.W. Schuttel. (get.) M. Lochs. MH