Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3221

Datum uitspraak2008-07-09
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers91453
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aansprakelijkheidsprocedure.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 91453 / HA ZA 02-1444 Vonnis van 9 juli 2008 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres, procureur mr. A.T. Bolt, advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht, tegen 1. [gedaagde 1], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat en procureur mr. H.A. Wiggers, 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagde, procureur mr. H. van Ravenhorst, advocaat mr. E.R. Looijen te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 8 juni 2005 - het proces-verbaal van getuigenverhoor op 24 januari 2006 - het vonnis in het incident tot afgifte van stukken d.d. 12 april 2006 - het proces-verbaal van getuigenverhoor op 19 september 2006 en de op voorhand ten behoeve van dit verhoor door [eiser] in het geding gebrachte producties (processen-verbaal van verhoor door de FIOD, requisitoir en rechtbankvonnis in de strafzaak tegen [gedaagde 1]) - de processen-verbaal van getuigenverhoor op 23 januari 2007 en 22 mei 2007 en de bij gelegenheid van het laatste verhoor door [gedaagde 1] ingediende akte, waarbij het arrest van het gerechtshof in die strafzaak in het geding is gebracht - de conclusie na getuigenverhoor van [eiser] d.d. 19 september 2007, met producties - de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde 1] d.d. 17 oktober 2007, eveneens met producties - de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde 2] d.d. 17 oktober 2007 - de rolbeschikking van 14 november 2007, waarbij na verzet het verzoek om pleidooi van [gedaagde 2] is afgewezen en in plaats daarvan een comparitie van partijen is bepaald - het proces-verbaal van (driemaal uitgestelde) comparitie van partijen op 10 juni 2008. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling Ten aanzien van [gedaagde 1]: 2.1. In het tussenvonnis van 8 juni 2005 heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde 1] een persoonlijk verwijt treft jegens [eiser] met betrekking tot het door [bedrijf] afgeven van facturen en oorsprongscertificaten ten behoeve van de aangiften ten invoer van rollen textiel, waarop veel te lage waarden voor de rollen textiel stonden vermeld en telkens, althans meerdere malen, een onjuist land van oorsprong. 2.2. [eiser] is geslaagd in dit bewijs. In dit civiele geding is een arrest van de strafkamer van het gerechtshof te Arnhem d.d. 22 februari 2007 overgelegd, waarbij [gedaagde 1] in hoogste feitelijke instantie tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld wegens: 1. het doen plegen van een ingevolge wettelijke bepaling vereiste aangifte onjuist of onvolledig doen, opzettelijk begaan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging, meermalen gepleegd, 2. het doen plegen van ingevolge wettelijke bepaling verplicht zijnde tot het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, valse of vervalste gegevensdragers vertonen, overgeven en voor raadpleging beschikbaar stellen, opzettelijk begaan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging, meermalen gepleegd. Het eerste bewezen verklaarde feit ziet op de onjuiste vermelding van het land oorsprong, het tweede op de onderbouwing met valse of vervalste certificaten van oorsprong en valse of vervalste facturen. Het betreft telkens [bedrijf] (en daarnaast ook [...]), de pleegperiode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 en, onder anderen, [eiser] als willoos werktuig. Het Hof spreekt in haar strafmotivering van een doortrapte constructie en vermeldt dat het handelen van [gedaagde 1] niet alleen aanmerkelijk nadeel voor ’s Rijks schatkist heeft doen ontstaan, maar onder meer ook voor [eiser]. 2.3. Tegen dit arrest loopt volgens [gedaagde 1] nog beroep in cassatie, zodat deze veroordeling nog niet onherroepelijk vaststaat. De veroordeling in twee feitelijke instanties heeft desalniettemin sterke bewijskracht en wordt nog ondersteund door in deze civiele procedure afgelegde getuigenverklaringen en overgelegde stukken. Het betreft onder meer: - de getuigenverklaring van [getuige], destijds interimdirecteur van [bedrijf], inhoudend, zakelijk weergegeven, dat hij een heftige discussie heeft gehad met [gedaagde 1] over de Litouwen route en dat [gedaagde 1] zei dat hij de verantwoordelijkheid nam; - die van [getuige], algemeen medewerkster, inhoudend, zakelijk weergegeven, dat zij vanaf de eerste truck wist dat de Litouwen route was om invoerrechten te ontduiken, dat zij zich realiseerde dat de aangiften niet goed waren, dat Letland als oorsprong werd aangegeven, terwijl de goederen een oorsprong in Rusland hadden, dat zij gedaan heeft wat [gedaagde 1], rechtbank) haar geleerd heeft en dat [gedaagde 1] iedereen misbruikte, alsmede dat er werd geknipt en geplakt bij de CVO’s en EUR-1’s, hetgeen zij zelf heeft gedaan en [gedaagde 1] ook, waarbij met Tipp-ex, een schaar en lijm een nieuw document werd gefabriceerd wat als kopie van een origineel werd ingeleverd bij de douane en dat zij de opdracht van [gedaagde 1] had om, als er twee facturen bij een vrachtwagen zaten, alleen de lage factuur te gebruiken; - en die van [getuige], bij [bedrijf] verantwoordelijk voor de inkoop, die, zakelijk weergegeven, heeft verklaard dat hij sinds eind 1999/begin 2000 wist dat de route via Litouwen niet juist was, dat hij toen discussies heeft gevoerd met [gedaagde 1], rechtbank), dat hij er achter kwam dat er sprake was van niet zuivere koek, dat de oorsprong wijzigen fout is, dat hij is gaan doorgraven hoe het werkelijk zat, dat hij van [gedaagde 1] aan Moskou moest doorgeven dat een vrachtwagen via Litouwen moest, dat hij dat eerst niet wilde doen, maar dat [gedaagde 1] hem toch zover heeft gekregen dat hij dat deed. Bij Litouwen was er een EUR-1 en was geen invoerrecht verschuldigd. Dat hij een hem als voorbeeld getoonde bestelling van linnen bij Larelini in Letland heeft ondertekend in opdracht van [gedaagde 1] en dat hij wist dat dit een vals document was. [gedaagde 1] had dit stuk opgesteld. Dat hij dit soort nepbestellingen op dringend verzoek van [gedaagde 1] heeft getekend waarna ze in de truckdossiers zijn gestopt. Dat het verhaal hier op neer komt dat achteraf in de driehoek kantoor Moskou/fabriek Kostroma Rusland/fabriek Larelini Letland contracten zijn opgemaakt om het verzonnen verhaal van [gedaagde 1] af te dekken, waarbij [bedrijf] vlas zou hebben uitgevoerd naar de fabriek in Rusland waar van dat vlas garen zou zijn gemaakt, dat deze garens naar Larelini in Letland zouden zijn vervoerd en dat daar van dit garen linnendoek zou zijn vervaardigd. Dat er invoerdocumenten zijn waarbij alleen het maakloon is aangegeven als douanewaarde en de bijbehorende vlasfactuur niet is meegenomen. Dat hij het zo heeft moeten aangeven in opdracht van [gedaagde 1] en of [voornaam] ([getuige], rechtbank). Dat hij later heeft gezien dat binnen [bedrijf] een brief lag van Ernst & Young, gedateerd in 1999, die aangaf dat de vlaskosten wel bij de douanewaarde moesten worden opgeteld, maar dat [gedaagde 1] hem desondanks heeft gezegd dat de vlaskosten niet bij de douanewaarde hoefde te worden aangegeven. Dat zijn instructies waren dat hij alleen het maakloon aan de boekhouding door zou geven. Dat hij samen met [getuige] begin 2001 een gesprek heeft gehad met [eiser], waarbij is afgesproken dat de grondstofwaarde in de douanewaarde wordt meegenomen. In dat gesprek met [eiser] is gezegd dat de commissies niet aangegeven hoeven te worden in de douanewaarde. Dat, nadat hij eind 1999 kennis kreeg van de binnen [bedrijf] gepleegde fraude, hieraan is blijven meewerken, omdat keihard nee niet kan bij [gedaagde 1], dat elke factuur via [gedaagde 1] liep, [gedaagde 1] bepaalde wat geboekt wordt en wat er betaald werd en dat [gedaagde 1] tegen hem zei dat hij zich er niet druk over hoefde te maken omdat hij de verantwoording had. Dat het personeel bang was voor [gedaagde 1]. 2.4. Met het een en ander acht de rechtbank bewezen dat [gedaagde 1] een ernstig persoonlijk verwijt treft jegens [eiser] door jarenlang, stelselmatig en op grote schaal als indirect bestuurder van [bedrijf] werknemers van [bedrijf] opdracht te geven om te frauderen met documenten ter ontduiking van invoerrechten en ook zelf te frauderen met documenten, waarbij hij wist of behoorde te weten dat deze fraude grote schade zou kunnen toebrengen aan [eiser]. [eiser] is als de douane expediteur tegenover de douanedienst aansprakelijk en haar zekerheid wordt geblokkeerd voor de ontdoken invoerrechten en de boetes. [gedaagde 1] is vanwege zijn overheersend en persoonlijk aandeel in dit onrechtmatig handelen naast [bedrijf] persoonlijk aansprakelijk voor de schade van [eiser]. 2.5. Voor zover [gedaagde 1] in zijn antwoordconclusie na enquête wil betogen dat hem ten aanzien van te laag opgegeven douanewaarden geen verwijt treft jegens [eiser] en/of dat [eiser] eigen schuld treft in de zin van artikel 6:101 BW, omdat [eiser] [bedrijf] onjuist geadviseerd zou hebben omtrent de op te geven inkoopcommissies en het maakloon, wordt dit door de rechtbank verworpen. [eiser] heeft betwist dat zij een dergelijk advies zou hebben gegeven en dit staat nog geenszins vast, maar het is niet nodig om dit verder uit te zoeken. [gedaagde 1] stelt immers dat dit advies zou zijn gegeven tijdens een gesprek tussen de getuige [getuige] en iemand van [eiser]. Deze [getuige] verklaart dat dit gesprek plaats had begin 2001 en wat toen gezegd is of begrepen kan zijn, is in deze zaak niet van belang, omdat de door het gerechtshof bewezen verklaarde fraude en de UTB’s, voor zover overgelegd en op één enkel contract na, betrekking hebben op de jaren daarvoor. 2.6. De in de dagvaarding onder 2 ten aanzien van [gedaagde 1] gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot schadevergoeding met verwijzing naar de schadestaatprocedure is toewijsbaar. In haar petitum duidt [eiser] bij de gevorderde verklaring voor recht [gedaagde 1] aan als de (mede) statutair bestuurder van [bedrijf]. Uit de stellingen in de dagvaarding en de daarbij overgelegde stukken volgt dat [gedaagde 1] niet direct statutair bestuurder is, maar bestuurder van de besloten vennootschap die statutair bestuurder is van [bedrijf]. Voor de aansprakelijkheid maakt dit geen verschil (artikel 2:11 BW) en de rechtbank verstaat het petitum van [eiser] aldus dat zij bedoeld heeft [gedaagde 1] aansprakelijk te houden in zijn hoedanigheid van indirect bestuurder van [bedrijf]. Overigens heeft deze hoedanigheid in deze zaak weinig toevoegende betekenis. Het gaat in deze zaak namelijk niet om bestuurdersaansprakelijkheid voor wanprestatie van de vennootschap op grond van de zogenaamde Beklamel-norm. [gedaagde 1] is niet alleen als bestuurder maar ook pro sé naast de vennootschap uit onrechtmatige daad aansprakelijk omdat hij zelf heeft gefraudeerd en ondergeschikten heeft aangezet tot frauderen. Het is de fraude zelf die onrechtmatig is en niet het bewerkstelligen van de niet-nakoming van de verbintenissen die uit die fraude voortvloeien. Met betrekking tot dat frauderen zijn alle strafrechtelijke vormen van daderschap in beeld: naast het functioneel daderschap ook plegen, doen plegen, medeplegen en uitlokking. 2.7. Met betrekking tot de voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereiste aannemelijkheid van schade overweegt de rechtbank als volgt. Ook al heeft [bedrijf] inmiddels de ter zake van de onjuiste opgaven van land van oorsprong nageheven rechten en boetes geheel of grotendeels betaald, dan nog is voldoende aannemelijk dat [eiser] ook met betrekking tot deze UTB’s schade heeft geleden, reeds omdat gedurende een aantal jaren haar doorlopende zekerheidstelling bij de Douane geblokkeerd is geweest. 2.8. De rechtbank zal thans eindvonnis wijzen in deze aansprakelijkheidsprocedure ten aanzien van [gedaagde 1], nu deze zaak al zo lang sleept en de vervolgprocedure (de schadestaat) niet hoeft te wachten op de eindbeslissing ten aanzien van [gedaagde 2], hetgeen nodeloos verdere vertraging zou opleveren. [gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de proceskosten. Deze worden in het geding tussen [eiser] en [gedaagde 1] aan de zijde van [eiser] begroot op € 3.624,18, te weten: € 912,18 voor verschotten (vastrecht € 193,00, exploot dagvaarding € 65,18, getuigentaxen € 654,00) en € 2.712,00 voor salaris procureur (6 punten tarief € 452,00). Omtrent de kosten in het incident is reeds beslist en uitspraak gedaan. De proceshandelingen die alleen op [gedaagde 2] betrekking hebben zijn buiten beschouwing gelaten. Beslagkosten zijn bij [gedaagde 1] niet gevorderd. Ten aanzien van [gedaagde 2]: De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: 2.9. In het tussenvonnis van 15 december 2004 heeft de rechtbank overwogen en beslist dat [gedaagde 2] niet als feitelijk leidinggevende van [bedrijf] kan worden aangemerkt en uit dien hoofde aansprakelijk is jegens [eiser] en dat de vordering van [eiser] op deze grondslag niet toewijsbaar is. Het betreft haar vordering bij dagvaarding sub 3. Op deze bindende eindbeslissing kan de rechtbank niet terugkomen. 2.10. In haar conclusie na enquête betoogt [eiser] nu dat [gedaagde 2] ook onrechtmatig handelen kan worden verweten vanwege haar welbewuste persoonlijke medewerking aan het schonen van de administratie van [bedrijf] door belastende documenten te verwijderen en met Tipp-ex documenten aan te passen en omdat zij [eiser] niet heeft geïnformeerd omtrent het door [bedrijf] verstrekken van onjuiste feiten en omstandigheden, die relevant waren voor het verrichten van inklaringsactiviteiten. Deze verwijten sluiten echter niet aan bij haar petitum sub 3, waarbij [eiser] [gedaagde 2] aansprakelijk stelt in haar, door de rechtbank verworpen, hoedanigheid van (mede) feitelijk leidinggevende. Deze verwijten treffen ook overigens geen doel, omdat onvoldoende concreet bewijs is aangebracht dat [gedaagde 2] vóór dat opschonen van de administratie persoonlijk bekend was met die feiten en omstandigheden, terwijl zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk is dat het opschonen, hoe verwijtbaar ook, van invloed is geweest op het uitvaardigen en de hoogte van de UTB’s, die [eiser] heeft ontvangen. De naheffingen en boetes zijn, naar de rechtbank aanneemt, gebaseerd op de ontdoken douanerechten en/of de recidive te dien aanzien en niet op de, al dan niet geslaagde, poging om bewijsmateriaal te verdonkeremanen. 2.11. De vordering sub 3 zal dus worden afgewezen. De Pauliana 2.12. [eiser] vordert sub 1 de rechtshandeling tot levering van de onroerende zaak aan de [adres] vernietigen, althans voor recht te verklaren dat deze rechtshandeling is vernietigd. Subsidiair vordert [eiser] [gedaagde 2] te veroordelen tot vergoeding van de schade van [eiser] tot het bedrag van haar verrijking tengevolge van deze rechtshandeling. Het betreft de overdracht van het huis waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen wonen. [eiser] stelt dat deze rechtshandeling paulianeus is als bedoeld in artikel 3:45 BW. 2.13. In haar onderbouwing betoogt [eiser] dat geen reële overdracht heeft plaatsgevonden en spreekt zij van een schijntransactie. De rechtbank gaat ervan uit dat dit niet letterlijk moet worden genomen, omdat de overdracht blijkbaar feitelijk heeft plaatsgehad en, gezien de aantekeningen op de akte, ook is ingeschreven in de registers van het kadaster. 2.14. De leveringshandeling kan zelf niet als paulianeus worden aangemerkt. Deze levering was immers niet ‘onverplicht’ in de zin van artikel 3:45 BW. Uit de transportakte d.d. 16 maart 2001, waarop [eiser] zich beroept, blijkt dat het de uitvoering is van een in mei 2000 aangegane koopovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De rechtbank verstaat dat [eiser] die onderliggende koopovereenkomst wil vernietigen. [gedaagde 2] gaat daar ook van uit in haar conclusie van antwoord (randnummer 7). [gedaagde 2] erkent dat die koopovereenkomst onverplicht was (randnummer 11 ad 1), maar bestrijdt dat deze paulianeus was. Indien evenwel de rechtbank anders oordeelt en de onderliggende koopovereenkomst als vernietigd beschouwt, waarmee de titel wegvalt, dan brengt het causale stelsel met zich mee dat de overdracht ongeldig is en eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. 2.15. Om als paulianeus aangemerkt te kunnen worden, zal de koopovereenkomst niet alleen een onverplichte rechtshandeling moeten zijn geweest, maar zal daarnaast moeten komen vast te staan dat de schuldeisers van [gedaagde 1] daardoor in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zijn en dat [gedaagde 1] dit wist of behoorde te weten. Volgens de transportakte was een koopsom overeengekomen (Hfl 380.000,00) en was het dus geen rechtshandeling om niet, zodat op grond van het tweede lid van artikel 3:45 BW ook moet komen vast te staan dat [gedaagde 2] wist of behoorde te weten dat de schuldeisers van [gedaagde 1] door die transactie werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. De omstandigheid dat de koopsom gedeeltelijk is gefinancierd vanuit een besloten vennootschap, waarvan [gedaagde 1] enig aandeelhouder en bestuurder was, doet daar niet aan af. 2.16. Bij de vraag of sprake was van benadeling van schuldeisers van [gedaagde 1] gaat het alleen om [eiser] zelf. Omtrent het bestaan van andere schuldeisers is niets gesteld en daarvan is ook niet gebleken, behoudens de hypothecaire geldlening ad hfl 235.000,00 bij de ABN AMRO BANK N.V., maar deze schuldeiseres is niet in haar verhaalsmogelijkheden benadeeld, omdat haar hypotheek op het huis in stand is gelaten. [eiser] had ten tijde van de verkoop en overdracht nog geen opeisbare vordering op [gedaagde 1], maar dat doet niet ter zake, omdat de laatste bijzin van het eerste lid van artikel 3:45 BW bepaalt dat de vernietigingsgrond ook kan worden ingeroepen door een schuldeiser wiens vordering na de handeling ontstaat. 2.17. Dat [eiser] door de transactie daadwerkelijk is benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden, is voldoende komen vast te staan, reeds omdat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat de onroerende zaak het enige reële verhaalsobject van [gedaagde 1] was. 2.18. Daarbij is gebleken dat [eiser] zich ook niet kan verhalen op de opbrengst van de onroerende zaak. Volgens de akte is de koopsom gedeeltelijk betaald door overname door [gedaagde 2] van de hypotheekschuld van [gedaagde 1], voor welke schuld [gedaagde 2] mede-schuldenaar wordt. Zo is het ook uitgevoerd. De hypotheekschuld is op naam van [gedaagde 1] blijven staan en [gedaagde 2] heeft slechts een hoofdelijkheidsverklaring afgegeven ten behoeve van de ABN AMRO Bank. Er is dus geen sprake is van volledige schuldoverneming. [gedaagde 1] blijft zelf schuldenaar ten aanzien van de hypotheekschuld ad hfl 235.000,00, terwijl hij geen eigenaar meer is van het onderpand. Dit is een aantasting van zijn vermogenspositie, waardoor de andere schuldeisers dan de bank ernstig zijn benadeeld. Het restant van de koopsom ad hfl 145.000,00 is volgens de transportakte voldaan door storting op de derdengeldrekening van de notaris. Dat is volgens de stukken ook gebeurd, zij het niet door [gedaagde 2] maar door [naam holding] , zijnde de persoonlijke holding van [gedaagde 1], die volgens [gedaagde 2] dit bedrag (vermeerderd met de overdrachtskosten) aan haar heeft geleend. [gedaagde 2] stelt wel dat zij op deze lening rente betaalt en aflost, maar niet dat dat is verzekerd met bijvoorbeeld een hypotheek. Ook hierdoor is sprake van verschraling van de vermogenspositie van [gedaagde 1]. Wat gebeurd is met het onder de notaris gestorte deel van de koopsom, is niet opgehelderd, maar wat daarvan voor de schuldeisers van [gedaagde 1] lijkt te resteren is een verhaalsmogelijkheid op zijn aandelen in een besloten vennootschap, die een onverzekerde geldvordering heeft op [gedaagde 2]. Ten slotte heeft [eiser] onweersproken gesteld dat de waarde van de woning bij een geveltaxatie door een makelaar is vastgesteld op hfl 800.000,00 tot hfl 1.000.000,00, zijnde meer dan tweemaal de overeengekomen koopsom, die volgens [gedaagde 1] was gebaseerd op de WOZ-waarde. Ook in dit opzicht lijkt sprake van een voor de schuldeisers van [gedaagde 1] nadelige transactie. 2.19. Ten aanzien van de voor een actio pauliana vereiste wetenschap van benadeling aan beide zijden beroept [eiser] zich tevergeefs op de wettelijke vermoedens van artikel 3:46 BW. [eiser] kan zich hier niet op beroepen omdat de koopovereenkomst, uitgaande van de juistheid van de transportakte, is gesloten in mei 2000 en dat is meer dan een jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond. Wanneer [eiser] zich op de vernietigingsgrond heeft beroepen is niet helemaal duidelijk, maar dat is volgens haar eigen stellingen in elk geval niet voor 9 april 2002 geweest. Ook de overdracht van de onroerende zaak heeft niet plaats gehad binnen één jaar voordien. Voor oprekking van de éénjaarstermijn van artikel 3:46 BW bestaat geen wettelijke grondslag. 2.20. Dit neemt niet weg dat die, door [eiser] aan te tonen en bij betwisting te bewijzen, wetenschap aan de zijde van [gedaagde 1] als vaststaand kan worden aangenomen, omdat deze door [gedaagde 1] zelf niet is weersproken en door [gedaagde 2] slechts ‘bij gebrek aan wetenschap’, waarbij zij er op wijst dat een reële koopsom zou zijn overeengekomen. De rechtbank heeft hiervoor al aangegeven dat dit laatste niet juist is, reeds omdat, los van de prijsstelling, [gedaagde 1] niet uit de hypothecaire schuld is ontslagen. Voorts kent de rechtbank veel gewicht toe aan de omstandigheid dat hierboven bewezen is verklaard dat [gedaagde 1] zich in de jaren voorafgaand aan de gewraakte koopovereenkomst en ook nog ten tijde daarvan heeft schuldig gemaakt aan grootschalige en stelselmatige fraude met invoerrechten en opzettelijk onder anderen [eiser] valse aangiften heeft laten doen en valse of vervalste certificaten en facturen heeft laten overleggen. Daarbij kon en moest [gedaagde 1] verwachten dat [eiser] als douane expediteur UTB’s zou krijgen bij ontmaskering van de fraude en dat [eiser] ter zake op hem verhaal zou zoeken. Uit het arrest van de strafkamer van het gerechtshof blijkt dat op 12 april 2000, dus kort voor de gewraakte koopovereenkomst, door ambtenaren van de Belastingdienst Douane een administratieve controle is ingesteld bij Viramed en [bedrijf], waarbij onregelmatigheden werden aangetroffen, welk onderzoek volgens de getuige [douanejurist], douanejurist, op 26 april 2000 is gestaakt in verband met de verdenking van fraude. [gedaagde 1] moet op dat moment hebben zien aankomen dat hij tegen de lamp zou lopen en de tijd rijp hebben gevonden om zijn privé vermogen in veiligheid te stellen. 2.21. Op basis van de tot op heden gepresenteerde stellingen, overgelegde stukken en afgelegde getuigenverklaringen acht de rechtbank vooralsnog ook bewezen dat [gedaagde 2] wist of behoorde te weten dat door de transactie een of meer schuldeisers van [gedaagde 1] zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Volgens haar eigen stellingen bij antwoord woonde [gedaagde 2] samen met [gedaagde 1] en werkte zij bij [bedrijf] als secretaresse, waarbij zij gedurende enige tijd als procuratiehoudster aanvragen tot legalisatie van certificaten van oorsprong ondertekende. Bewezen is dat valse of vervalste certificaten zijn ingediend. Dat dit ook geldt voor certificaten, die [gedaagde 2] onderhanden heeft gehad, en dat zij toen al wist dat die stukken vals waren, staat niet vast, maar dat zij ten tijde van de koopovereenkomst wist of behoorde te weten dat de administratie van [bedrijf] ernstige onregelmatigheden vertoonde acht de rechtbank bewezen op grond van de getuigenverklaring van [getuige], die als getuige bij de rechtbank is gebleven bij zijn eerdere verklaringen bij de FIOD, in het bijzonder: Iedereen binnen [bedrijf] wist van de Litouwen route. (17 oktober 2002) en: Op een bepaald moment, ik denk dat dat voor het 1ste bezoek van de FIOD is geweest, was [gedaagde 1], rechtbank) op een middag zenuwachtig en begon allerlei mappen door te bladeren. Hij haalde allerlei bescheiden uit mappen en hij wijzigde bepaalde bescheiden. [gedaagde 1] heeft zelf met typex zitten werken. Ongeveer alle aanwezige medewerkers hielpen mee, [gedaagde 1] mobiliseerde de mensen daarvoor. Aanwezig waren onder meer [naam 1], [getuige], ikzelf, [naam 2], [naam 3], [gedaagde 2], rechtbank), iedereen moest uit de truckmappen de bescheiden halen die geen betrekking hadden op het transport. Er zijn veel documenten uit de truckmappen verwijderd en door de shredder gegaan. Ik hield zelf de communicatie met Rusland bij, die stukken heb ik verwijderd….[gedaagde 1] wilde de stukken niet hebben en toen heb ik ze op een bepaald moment weggedaan bij de vuilnis. Ook andere medewerkers hebben stukken achter in de auto gehad….De reden voor het opschonen van de truckmappen was de lopende of aangekondigde douanecontrole. De door mij en de andere mensen meegenomen stukken moesten voor de douane verborgen blijven. Het was iedereen duidelijk dat de dossiers moesten worden opgeschoond omdat er controle verwacht werd. (10 oktober 2002) in samenhang met de verklaring van [betrokkene] bij de FIOD op 7 augustus 2002, inhoudend: Ik kan mij herinneren dat ik een keer heb moeten overwerken, dit was een week voor de eerste inval. De instructies waren of wij wilden kijken of de administratie op orde was…Dit heb ik toen samen gedaan met…[gedaagde 1] [gedaagde 1]…[betrokkene]...en [gedaagde 2]. ...Ik weet dat er stukken uit de inkomende truckmappen zijn gehaald en dat die in een zak zijn gestopt…Ik hoorde [naam 1] en [gedaagde 1] tegen elkaar zeggen dat dit wel en dat niet er in mocht zitten…Hetgeen eruit gehaald werd ging in meerdere zakken…Op enig moment zijn de zakken bij [betrokkene] en/of [gedaagde 2] in de auto terecht gekomen en zijn ’s nachts of in de vroege ochtend naar de stort gebracht. 2.22. Na de getuigenverhoren en het in het geding brengen van de strafstukken tegen [gedaagde 1] heeft de advocaat van [gedaagde 2] om pleidooi gevraagd om nog het een en ander naar voren te kunnen brengen omtrent de pauliana. De andere partijen hebben zich verzet tegen pleidooi en de rechtbank heeft toen in overleg met alle partijen een comparitie belegd. Op deze comparitie is [gedaagde 2] echter zelf niet verschenen om van haar onschuld te doen blijken tegenover deze bewijzen van wetenschap en betrokkenheid. [gedaagde 2] heeft in haar conclusie van antwoord de overdracht van het huis verklaard met een voorgeschiedenis, waarin zij door haar voorgaande partner zonder pardon op straat werd gezet en berooid achterbleef, en met de mededeling dat zij in haar nieuwe relatie (deels) afhankelijk zou worden van [gedaagde 1], die diabeet is en in zijn manier van zakendoen grote risico’s loopt. [gedaagde 2] zocht blijkbaar financiële zekerheid en onafhankelijkheid. Daar is niets op tegen, zolang dat niet paulianeus ten koste van de schuldeisers van [gedaagde 1] gaat, en de rechtbank neemt aan dat dat nu net het geval is. 2.23. De rechtbank zal [gedaagde 2] de gelegenheid geven om tegenbewijs te leveren tegen deze aanname. Iedere verdere beslissing wordt nu aangehouden. 3. De beslissing De rechtbank: Ten aanzien van [gedaagde 1]: 3.1. verklaart voor recht dat [gedaagde 1] als (indirect en mede) statutair bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade in verband met uitnodigingen tot betaling en boetes met betrekking tot de aangiften ten invoer welke door [eiser] voor [bedrijf] BV zijn verricht, 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] tot het betalen van vergoeding van alle schade die [eiser] in verband met de aangiften ten invoer voor [bedrijf] BV heeft geleden en nog zal lijden, daaaronder uitdrukkelijk begrepen alle kosten die zij heeft gemaakt in verband met het verkrijgen van een zekerheidstelling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 3.3. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 3.624,18, 3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, Ten aanzien van [gedaagde 2]: 3.5. laat [gedaagde 2] toe tot tegenbewijs tegen de aanname dat zij wist of behoorde te weten dat de schuldeisers van [gedaagde 1] in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zouden worden door de tussen haar en [gedaagde 1] gesloten koop/verkoopovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan de [adres], 3.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 juli 2008 voor uitlating door [gedaagde 2] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel, 3.7. bepaalt dat [gedaagde 2], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 3.8. bepaalt dat [gedaagde 2], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen in de maanden september tot en met november 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 3.9. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. N.W. Huijgen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4, 3.10. bepaalt dat [gedaagde 2] en [eiser] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 3.11. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2008.