
Jurisprudentie
BF3220
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4664 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4664 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Bij de in aanmerking genomen functies voldoende rekening gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid?
Uitspraak
06/4664 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2006, 06/216 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv een rapport ingediend van bezwaarverzekeringsarts
J.W. Heijltjes van 9 oktober 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008. Appellante is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerkster/assistent en filiaalleider en is in 1993 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten.
1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd aan appellante met ingang van 14 december 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Verzekeringsarts R.C.C. Janssen heeft bij een herbeoordeling inzake de voortzetting van de uitkering in het kader van het per 1 oktober 2004 aangepaste schattingsbesluit (aSB) appellante op 18 november 2004 onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum geconcludeerd dat appellante weliswaar over functionele mogelijkheden beschikt doch dat informatie bij de huisarts moet worden opgevraagd.
Na ontvangst van informatie van appellantes huisarts C.J. Smits heeft de verzekeringsarts appellante op 22 februari 2005 opnieuw op het spreekuur gezien en op basis van zijn onderzoek de mogelijkheden en beperkingen van appellante vervolgens weergeven in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 februari 2005.
Aan de hand van de FML en de arbeidsmogelijkhedenlijst van 3 maart 2005 heeft arbeidsdeskundige T. de Bruijni functies geselecteerd. In het door De Bruijni op 14 maart 2005 uitgebrachte rapport is het verlies aan verdiencapaciteit van appellante gesteld op 11,39%.
Bij besluit van 29 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 mei 2005 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
1.4. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts Heijltjes op 7 december 2005 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat uit de bevindingen en correspondentie van de verzekeringsarts en de ontvangen inlichtingen blijkt dat appellante beperkingen ondervindt in het persoonlijk en sociaal functioneren. Heijltjes heeft op 15 december 2005 een aangepaste FML opgesteld. In deze FML zijn alsnog beperkingen vastgelegd ten aanzien van het persoonlijk functioneren.
Bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren heeft in zijn rapport van 10 januari 2006 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 10 januari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante vervolgens ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op grond van de zich in het dossier bevindende medische stukken de ten aanzien van appellante in aanmerking genomen functionele mogelijkheden, zoals verwoord in de FML van 15 december 2005 niet heeft onderschat (lees: overschat). Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellantes grief met betrekking tot het aangewezen zijn op WSW-arbeid niet kan slagen aangezien de criteria die worden aangelegd bij een WSW-indicatie niet dezelfde zijn als de criteria die van belang zijn in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de WAO. Het gegeven dat ten aanzien van appellante een WSW-indicatie geldt, alsmede het feit dat appellante de proefplaatsing bij een tankstation niet heeft kunnen volhouden leidt naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie tot volledige arbeidsongeschiktheid. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat met de aan de schatting ten grondslag gelegde functieduiding kan worden ingestemd.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische restcapaciteit veel te hoog is ingeschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapportage van psycholoog N. Rexwinkel van 7 juli 2006 overgelegd. Ook heeft zij wederom gewezen op het mislukken van de werkhervatting bij een tankstation en de WSW-indicatie die voor haar is gesteld. Appellante erkent dat de WSW-beoordeling niet gelijk is te stellen met de WAO-beoordeling, maar dat uit alle gegevens tezamen blijkt dat zij niet hele dagen in het vrije bedrijf kan werken.
4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift gaat het in dit geding om de beantwoording van de vraag of het Uwv met de FML van 12 december 2005 alsmede met de bij de schatting in aanmerking genomen functies in voldoende mate rekening heeft gehouden met appellantes medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.
4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank heeft gedaan. Nu de verzekeringsarts lichamelijk onderzoek heeft verricht en informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van appellante was er voldoende medische informatie aanwezig. Op basis van de beschikbare informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gezien om aanvullende beperkingen te stellen ten aanzien van het persoonlijk functioneren. De in hoger beroep overgelegde informatie roept bij de Raad geen twijfel op aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, daar het schrijven van psycholoog Rexwinkel niet ziet op de situatie op de datum in geding maar op een periode daarna. De Raad onderschrijft het standpunt van bezwaarverzekeringsarts Heijltjes, die op 9 oktober 2006 heeft aangegeven dat de eisen die worden gesteld aan de werkzaamheden waarin appellante heeft getracht het werk te hervatten (bij het tankstation) niet in overeenstemming zijn met de voor haar geldende beperkingen en dat appellante in staat moet worden geacht om op de datum in geding routineafhankelijke en gestructureerde arbeid te verrichten.
5. Uitgaande van de juistheid van de FML staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier van belang in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Lochs.
MH