Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3213

Datum uitspraak2004-11-29
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
Zaaknummers6 HLAR 18/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

1) Een rolzitting is geen openbare behandeling in de zin van de Lar; aangezien partijen niet uitdrukkelijk hebben ingestemd met het achterwege laten van een openbare behandeling, is de aangevallen uitspraak niet op juiste wijze tot stand is gekomen. 2) De Lar voorziet niet in de mogelijkheid van het doen van tussenuitspraken. 3) Een brief die een voornemen bevat om – in geval van het niet voldoen aan betalingsverplichtingen – verleende concessies in te trekken is niet op enig rechtsgevolg gericht. Geen sprake is van een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar.


Uitspraak

6 HLAR 18/03. Datum uitspraak: 29 november 2004 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: New Millennium Telecom Services N.V., gevestigd in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 september 2003 in het geding tussen: appellante en de Minister van Algemene Zaken. 1. Procesverloop Bij factuur van 4 oktober 2002, nr. 22132, is aan appellante Afl. 98.000,00 in rekening gebracht ter zake van de ter beschikking gestelde bandbreedte van 1 MHz ter completering van de bandbreedte van 6 MHz in de GSM 900 MHz frequentieband. Bij brief van 10 oktober 2002 is appellante gemaand het restant van het door haar voor de ter beschikking gestelde frequentiebanden verschuldigde periodieke bedrag, Afl. 1.372.000,00, uiterlijk op 8 januari 2003 te betalen. In deze brief wordt tevens aangekondigd dat, indien appellante hieraan niet voldoet, de aan haar verleende concessie vervallen zal worden verklaard. Tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaren tegen voormelde factuur en brief heeft appellante beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Bij uitspraak van 17 september 2003 heeft het Gerecht de beslissing op het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Minister van Algemene Zaken (hierna: de Minister) op het bezwaar tegen de factuur van 4 oktober 2002 aangehouden en het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Minister op het bezwaar tegen de brief van 10 oktober 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 oktober 2003, bij het Gerecht ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij brief van 15 januari 2004 heeft de Minister van antwoord gediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.C.G. Bikker, advocaat, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.J. Swaen, advocaat, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het Gerecht heeft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de factuur van 4 oktober 2002 gemaakte bezwaar en dat tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de brief van 10 oktober 2002 gemaakte bezwaar kennelijk gevoegd behandeld. Blijkens de uitspraak zijn in deze zaken op een zogenoemde rolzitting van 15 mei 2003 pleitnota’s ingediend. Daarna heeft appellante op 22 mei 2003 nog een zogenoemde akte uitlating producties ingediend. 2.1.1. Het Hof overweegt ambtshalve het volgende. De wijze van openbare behandeling van zaken als deze is voorgeschreven in paragraaf 4 van hoofdstuk III van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar). Daarin is onder meer bepaald dat de rechter getuigen of deskundigen kan opgeroepen, partijen en hun gemachtigden in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren en dat de rechter bevoegd is aan partijen en aan andere belanghebbenden of hun gemachtigden vragen te stellen. Verder worden partijen en andere belanghebbenden of hun gemachtigden in de gelegenheid gesteld het woord te voeren naar aanleiding van hetgeen door anderen naar voren is gebracht. Hieruit blijkt dat de rechter in beginsel een actieve rol vervult bij de openbare behandeling van de zaak en dat die behandeling bedoeld is om hoor en wederhoor van partijen te doen plaatsvinden. De in deze zaken gehouden zogenoemde (rol)zitting heeft een ander karakter. Ter zitting kunnen in beginsel alleen bepaalde proceshandelingen worden verricht met uitsluiting van andere, zoals het overleggen van processtukken of stukken, waarin bij de rechter gerezen vragen worden beantwoord. Die zitting voldoet daarom niet als openbare behandeling in de zin van de Lar. Nu het Gerecht zodanige openbare behandeling voorts achterwege heeft gelaten en partijen daarmee niet uitdrukkelijk hebben ingestemd, als bedoeld in artikel 37, vijfde lid, van de Lar, moet worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak niet op juiste wijze totstandgekomen is. Het Hof overweegt voorts dat de Lar niet voorziet in de mogelijkheid van het doen van tussenuitspraken. Het stond het Gerecht dan ook niet vrij om bij wijze van tussenuitspraak en onder aanhouding van iedere verdere beslissing op het beroep van appellante tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de factuur van 4 oktober 2002 gemaakte bezwaar te beslissen. In voorkomend geval kan het Gerecht wel met toepassing van artikel 45 van de Lar beslissen dat een nader onderzoek of een voortzetting van de behandeling ter zitting nodig is. Tegen een dergelijke tussenbeslissing, die thans niet aan de orde is, kan geen hoger beroep worden ingesteld. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. 2.2. Ingevolge artikel 53d, eerste lid, van de Lar bevestigt het Hof de uitspraak van het Gerecht of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen het Gerecht had behoren te doen. Ingevolge het tweede lid wordt het beroepschrift naar het Gerecht terugverwezen om te worden hervat in de stand, waarin de behandeling zich bevond, indien het Gerecht de niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkheidsverklaring. 2.2.1. Aan die bepalingen ligt kennelijk de bedoeling ten grondslag dat de eerste inhoudelijke beoordeling van een zaak is voorbehouden aan het Gerecht. Redelijke toepassing ervan brengt daarom met zich dat het Gerecht zich uitspreekt over de zaak die betrekking heeft op de factuur van 4 oktober 2002. Het heeft zich hierover immers nog geen definitief oordeel gevormd. Het Hof wijst deze zaak daarom terug naar het Gerecht om door hem te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. 2.3. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordeelt het Hof thans het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de brief van 10 oktober 2002 gemaakte bezwaar. 2.3.1. Bij de factuur van 18 juli 2002 is appellante Afl. 1.960.000,00 in rekening gebracht voor het ter beschikking stellen van een bandbreedte van 20 MHz. Uit de brief van 10 oktober 2002 kan worden afgeleid dat appellante begin oktober een deel van deze rekening heeft betaald, te weten Afl. 588.000,00. In de brief wordt zij gemaand om het restant ten bedrage van Afl. 1.372.000,00 uiterlijk op 8 januari 2003 te voldoen. Doet zij dat niet, dan zal de aan haar bij Landsbesluit van 5 juli 2002 verleende concessie vervallen worden verklaard, aldus de brief. 2.3.2. De brief is aldus niet op enig rechtsgevolg gericht. Deze bevat slechts een voornemen om de concessie mogelijk vervallen te verklaren, indien appellante de volledige vergoeding niet tijdig betaalt. Tegen de eventuele beslissing van de Minister om de concessie vervallen te verklaren of in te trekken kan appellante, indien zij dat wenst, rechtsmiddelen aanwenden. Voorzover zij bezwaar heeft tegen de hoogte van de in rekening gebrachte vergoeding, wordt overwogen dat de brief niet beoogt het verschuldigde bedrag vast te stellen en dus ook in zoverre niet op enig rechtsgevolg gericht is. Het tegen de brief van 10 oktober 2002 gemaakte bezwaar is daarom niet-ontvankelijk. Het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar kan in dit geval worden aangemerkt als een niet-ontvankelijkverklaring daarvan. Het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen het uitblijven van die beslissing is, gelet hierop, ongegrond. 2.4. Een en ander leidt tot de na te melden beslissing. 3. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 17 september 2003 in zaak Lar nr. 27 van 2003, voorzover die uitspraak betrekking heeft op het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Minister van Algemene Zaken op het door appellante tegen de factuur van 4 oktober 2002 gemaakte bezwaar en dat tegen het uitblijven van een beslissing van die minister op het door appellante tegen de brief van 10 oktober 2002 gemaakte bezwaar; III. wijst de zaak aangaande het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de factuur van 4 oktober 2002 gemaakte bezwaar naar het Gerecht terug; IV. verklaart het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de brief van 10 oktober 2002 gemaakte bezwaar ongegrond; V. gelast dat het Land Aruba aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden), teruggeeft. Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier. w.g. Ter Berg w.g. Visser Voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2004. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,