Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3210

Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1847 WWB + 07/1848 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verblijf op camping. Onduidelijkheid woonplaats. Schending inlichtingenverplichting. Schending vertrouwensbeginsel? Zorgvuldigheidsbeginsel.


Uitspraak

07/1847 WWB 07/1848 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2007, 05/9246 en 06/4328 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College) Datum uitspraak: 23 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.C. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een gezin, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. Op grond van de bevindingen van een onderzoek door de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Zoetermeer naar de rechtmatigheid van de aan appellant en [v.d. L.] (hierna: [v.d. L.]) verleende bijstand heeft het College de conclusie getrokken dat appellant en [v.d. L.] vanaf 1 september 2002 hun woonplaats niet meer hadden in de gemeente [naam gemeente 1] maar in [gemeente 2]. 1.3. Bij besluit van 9 september 2005 heeft het College de bijstand van appellant en [v.d. L.] ingaande 1 september 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). 1.4. Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het College vervolgens de bijstand van appellant en [v.d. L.] ingetrokken ingaande 1 september 2002 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2005 tot een bedrag van € 33.781,34 van hen teruggevorderd. 1.5. Bij besluiten van 28 november 2005 en 3 april 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 9 september 2005 en 11 oktober 2005 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 28 november 2005 en 3 april 2006 ongegrond verklaard. 2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad wat de intrekking van de bijstand betreft in dit geding ter beoordeling staat de periode van 1 september 2002 tot en met 9 september 2005. 3.2. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en (vanaf 1 januari 2004) artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw en artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. 3.3. Op grond van de bevindingen van het onderzoek door de Afdeling Bijzonder Onderzoek is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellant in de periode in geding zijn woonstede had verplaatst naar [gemeente 2], waar appellant verbleef in een chalet op camping “[naam camping]”. De Raad heeft zich daarbij in hoofdzaak gebaseerd op de perioden waarin de Telegraaf naar het adres in [gemeente 2] is doorgezonden, betalingen en kasopnames door appellant in de buurt van [gemeente 2], de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van de eigenaar van de camping, waarnemingen bij de woning in [naam gemeente 1], het geringe verbruik van water, elektriciteit en gas op het adres in [naam gemeente 1] en de tegenover de sociale recherche door appellant zelf afgelegde verklaring omtrent zijn verblijf in [gemeente 2]. 3.4. Uit het vorenstaande volgt dat appellant op grond van artikel 63, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 40, eerste lid, van de WWB vanaf 1 september 2002 geen recht op bijstand jegens het College had. Door niet aan het College mee te delen dat hij het merendeel van de tijd in [gemeente 2] verbleef, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand vanaf 1 september 2002. 3.5. Het beroep dat appellant op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan slaagt niet. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat het College reeds in 2001 bekend was met het feit dat hij op een camping in [gemeente 2] over een chalet beschikte. Appellant doelt daarbij op een gesprek op 6 februari 2001 met de toenmalige bijstandsconsulent. De Raad stelt vast dat in dat gesprek de waarde van het chalet centraal stond doch dat de frequentie van het verblijf op de camping daarbij niet aan de orde is geweest. Voorts is van belang dat, zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, appellant niet alle van belang zijnde informatie aan het College heeft gemeld. Appellant mocht er derhalve niet op vertrouwen dat intrekking van bijstand over een voorliggende periode niet aan de orde zou zijn nadat het College met betrekking tot die periode wel over de volledige informatie de beschikking had. 3.6. Verder heeft appellant een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel, in die zin dat het College gerekend vanaf 2001 te lang heeft gewacht met het nemen van een intrekkings- en herzieningsbesluit. Deze grief slaagt niet, reeds omdat in dit geval sprake is geweest van het niet volledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. 3.7. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken. 3.8. Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2005 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd om de kosten van bijstand over deze periode terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken. 4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 september 2008. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) N.L.E.M. Bynoe. IJ