
Jurisprudentie
BF3208
Datum uitspraak2008-06-05
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.002.857/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.002.857/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Wilsgebrek bij totstandkoming beëindigingsovereenkomst. Werknemer is arbeidsovereenkomst aangegaan met bv die bedrijf van werkgever zou overnemen. Bv is niet opgericht en onderneming niet overgenomen. Nog in dienst bij oude werkgever.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[WERKNEMER],
wonende te Alkmaar,
APPELLANT,
procureur: mr. J.C. Klompé,
t e g e n
1. [WERKGEVER],
wonende te Schagen,
en
2. […],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
GEÏNTIMEERDEN,
niet verschenen.
1. Het verdere geding in hoger beroep
1.1 Partijen zullen hierna worden aangeduid als [werknemer], [werkgever] en [de derde].
1.2 Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar het in deze zaak op 15 juni 2006 gewezen tussenarrest, waaraan het hof zich houdt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.
1.3 De bij dat arrest bepaalde comparitie van partijen vond plaats op 21 augustus 2007. [Werknemer] is bij die gelegenheid verschenen. [Werkgever] en [de derde] waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Van het besprokene is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.
1.4 [Werknemer] heeft ten slotte wederom arrest gevraagd op de processtukken van beide instanties. De inhoud van die stukken geldt als hier ingelast.
2. Verdere beoordeling
2.1 De vraag die in de eerste plaats beantwoord moet worden is of [werknemer] zich terecht op het standpunt stelt dat het dienstverband, dat hij op 22 augustus 2000 met [werkgever] is aangegaan, na mei 2003 is blijven voortbestaan omdat aan zijn instemming dat dienstverband te beëindigen en met ingang van 1 juni 2003 een dienstverband met Allround Nederland B.V. aan te gaan, een wilsgebrek kleeft, zoals [werknemer] ter onderbouwing van zijn primaire vordering heeft aangevoerd. [Werknemer] verkeerde bij het aangaan van de op 1 juni 2003 door hem getekende arbeidsovereenkomst met Allround Nederland B.V. in de veronderstelling dat [een derde] het door [werkgever] gevoerde bedrijf zou overnemen en in die besloten vennootschap zou onderbrengen. Gebleken is evenwel volgens [werknemer] dat Allround Nederland B.V. niet is opgericht en dat [de derde] de onderneming van [werkgever] niet heeft overgenomen. De arbeidsovereenkomst met Allround Nederland B.V. is ook niet door [de derde] maar door [werkgever] geparafeerd, aldus [werknemer]. Hij heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat [werkgever] nadat [werknemer] die overeenkomst had ondertekend bij zijn ([werkgevers]) paraaf onder die overeenkomst “[voorletter en achternaam van de derde]” heeft geschreven. Nu er geen overname van het bedrijf van [werkgever] heeft plaatsgevonden is [werknemer], zo voert hij aan, bij [werkgever] in dienst gebleven en dient [werkgever] ook het aan [werknemer] toekomende salaris (door) te betalen.
2.2 Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft [werkgever] onder meer een factuur van hem aan Allround B.V. van 12 juni 2003 in het geding gebracht ten bedrage van € 30.000,-- en een notariële akte van geldlening en hypotheekverstrekking van 25 november 2003 tussen hem (en mevouw […]) en [de derde] waarbij aan laatstgenoemde € 30.000,-- wordt geleend. Anders dan [werkgever] betoogt blijkt uit deze stukken niet dat [de derde] de gehele door [werkgever] gedreven onderneming van deze heeft overgenomen. De factuur is gericht aan Allround B.V. (en niet aan [de derde] privé) en vermeldt weliswaar dat die betrekking heeft op de overname van het bedrijf van [werkgever] maar noemt als verkochte zaken alleen drie auto’s. Dit feit en het feit dat Allround (Nederland) B.V. niet is opgericht leiden tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat een overname van de onderneming van [werkgever] heeft plaatsgevonden.
2.3 [Werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij heeft bewilligd in beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [werkgever] in de veronderstelling dat de onderneming van [werkgever] zou worden overgenomen. Nu die overname niet blijkt te hebben plaatsgevonden, beroept [werknemer] zich terecht op een wilsgebrek bij het tot stand komen van de beëindigingovereenkomst. Hij kan aan die overeenkomst niet worden gehouden. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en [werkgever] is blijven voortbestaan en dat de primaire vordering van [werknemer] (ook over de periode vanaf 1 juni 2003) jegens [werkgever] toewijsbaar is, met dien verstande dat er aanleiding is de gevorderde wettelijke verhoging te beperken tot 10 procent van het achterstallige salaris en dat een vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen niet kan worden toegewezen zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, hetgeen hier het geval is.
3. Conclusie
De grief leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis. De primaire vordering (uitsluitend gericht tegen [werkgever]) wordt alsnog toegewezen (voor zover die niet reeds is toegewezen bij het bestreden vonnis) en de vordering voor zover gericht tegen [de derde] wordt afgewezen. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [werkgever] veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties aan de zijde [werknemer] en wordt [werknemer] veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [de derde] eveneens in beide instanties. Laatstbedoelde kosten worden gesteld op nihil.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het tussen partijen op 17 november 2004 gewezen vonnis van de kantonrechter te Alkmaar met uitzondering van de veroordeling onder 5.1 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat aan de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] als werkgever en [werknemer] als werknemer geen rechtsgeldig einde is gekomen en veroordeelt [werkgever] om, onder overlegging van een deugdelijke loonspecificatie, aan [werknemer] te voldoen:
diens salaris en vakantietoeslag vanaf 1 juni 2003 totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd te vermeerderen met 10 procent terzake wettelijke verhoging en met de wettelijke rente over het aldus verschuldigde vanaf de respectieve vervaldata;
wijst af het ten aanzien van [werkgever] meer of anders gevorderde;
wijst af het ten aanzien van [de derde] gevorderde;
veroordeelt [werkgever] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [werknemer] tot aan deze uitspraak begroot op € 275,78 aan verschotten en op € 540,-- aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 329,60 aan verschotten en op € 1.788,-- aan salaris procureur voor de procedure in appel, op de voet van artikel 243 Rv. te betalen aan de griffier van respectievelijk de rechtbank te Alkmaar en het gerechtshof te Amsterdam;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [werknemer] in de kosten van de procedure aan de zijde van [de derde] tot aan deze uitspraak in beide instanties begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, J.E. Molenaar en G.J.T.M. van den Bergh en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2008 door de rolraadsheer.