
Jurisprudentie
BF3199
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7084 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7084 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Korting op WAO-uitkering vanwege inkomsten uit arbeid. Hennepkwekerij. Terugvordering wegens onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Bewijsrisico aan kant van betrokkene. Gezien verschil in procedure oordeel politierechter niet volgen.
Uitspraak
06/7084 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 november 2006, 06/1291 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.M. van Lieshout, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008, waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 9 februari 2006 (hierna: bestreden besluit), dat bij brief van 21 februari 2006 is gecorrigeerd, het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 14 juni 2005 en 22 september 2005 gegrond heeft verklaard. Bij die besluiten is bepaald dat de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over de periode van 1 januari 2004 tot 1 april 2004 met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Voorts is een bedrag van € 4.084,58 (netto) wegens over de voornoemde periode onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere gronden herhaald, namelijk dat hij zijn opslagruimte had onderverhuurd aan een hem onbekende man die er gedurende een periode van ongeveer zeven weken een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Voorts zijn de onderzoeksbevindingen van de deskundige van Eneco Energie bestreden en is gesteld dat het aantal oogsten niet juist is geschat. Ten slotte is onder verwijzing naar het strafvonnis van de politierechter herhaald dat hij geen enkele inkomsten uit die kwekerij heeft gehad.
4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant in de periode van 1 januari 2004 tot 1 april 2004 inkomsten uit arbeid heeft genoten en terecht deze inkomsten op appellants WAO-uitkering heeft gekort. De Raad stelt vast dat het Uwv bij het bepalen van die inkomsten, blijkens het rapport werknemersfraude, op goede gronden aansluiting heeft gezocht bij het proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 januari 2005,
de onderzoeksbevindingen van C. de Man, medewerker van Eneco Energie, en de door appellant afgelegde verklaringen van 26 april 2004 en 15 april 2005.
5. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het is aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. De Raad stelt vast dat appellant zijn standpunt niet met dergelijke gegevens heeft onderbouwd. Nu appellant heeft verklaard dat hij de opslagruimte had onderverhuurd, maar heeft geweigerd de naam van de onderhuurder prijs te geven, blijft het bewijsrisico aan zijn kant liggen. Dit rechtvaardigt dan ook de veronderstelling dat appellant, die huurder was van die opslagruimte, direct betrokken is geweest bij het opzetten en in bedrijf hebben van een hennepkwekerij en dat hij werkzaamheden van economische waarde heeft verricht, gericht op het kweken en verkopen van hennep.
6. Ten slotte leidt de omstandigheid dat de politierechter heeft uitgesproken dat appellant geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen de Raad evenmin tot een ander oordeel. De Raad volstaat hier met de opmerking dat in een strafrechtelijke procedure aan de rechter niet alleen een andere vraag ter beantwoording wordt voorgelegd, maar dat bovendien een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen, en de vereisten voor het bewijs in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure.
7. Gelet op het onder 4 tot en met 6 overwogene, slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) E.M. de Bree.
JL