
Jurisprudentie
BF3177
Datum uitspraak2008-09-23
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsUtrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/46122, 08/12954
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsUtrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/46122, 08/12954
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beroep niet tijdig / dwangsom / 8:73 Awb / schadevergoeding
Eiser verblijft sinds 1992 in Nederland. Ter beoordeling stonden 4 beslissingen op bezwaar, neergelegd in 2 besluiten. Vlak voor zitting heeft verweerder de besluiten ingetrokken. Eiser heeft de beroepen niet ingetrokken en het petitum aangepast dat het thans opgevat dient te worden als zijnde beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de 4 bezwaarschriften van eiser. Onweersproken is dat de beslistermijnen zijn overschreden. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en draagt verweeder op om binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de Staat der Nederlanden aan eiser per bezwaarschrift een dwangom verbeurt ten bedrage van 100 euro voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van 20.000 euro per bezwaarschrift. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, nu niet zeker is wat de inhoud zal zijn van de nieuw te nemen besluiten. Het is thans niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja, in welke omvang schade is geleden. Beroepen gegrond.
Eiser verblijft sinds 1992 in Nederland. Ter beoordeling stonden 4 beslissingen op bezwaar, neergelegd in 2 besluiten. Vlak voor zitting heeft verweerder de besluiten ingetrokken. Eiser heeft de beroepen niet ingetrokken en het petitum aangepast dat het thans opgevat dient te worden als zijnde beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de 4 bezwaarschriften van eiser. Onweersproken is dat de beslistermijnen zijn overschreden. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en draagt verweeder op om binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de Staat der Nederlanden aan eiser per bezwaarschrift een dwangom verbeurt ten bedrage van 100 euro voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van 20.000 euro per bezwaarschrift. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, nu niet zeker is wat de inhoud zal zijn van de nieuw te nemen besluiten. Het is thans niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja, in welke omvang schade is geleden. Beroepen gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittinghoudende te Utrecht
Sector bestuursrecht
zaaknummers: AWB 07/46122 BEPTDN en AWB 08/12954 BEPTDN (beroepszaken)
uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 23 september 2008
inzake
[eiser], geboren op [1976], van Liberiaanse nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht,
tegen een besluit van
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.
Inleiding
1.1 Bij besluit van 15 november 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser van 20 september 2005 gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser van 18 augustus 2003 om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van zijn schrijnende omstandigheden (14-1-brief) ongegrond verklaard.
1.2 Eveneens bij voormeld besluit van 15 november 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser van 17 juli 2006 gericht tegen de beslissing van 20 juni 2006 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 december 2005 om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “conform beschikking Minister” te verlenen afgewezen.
1.3 Eiser heeft tegen het besluit van 15 november 2007, waarbij beide bezwaren ongegrond zijn verklaard, beroep bij deze rechtbank ingesteld (geregistreerd onder nummer AWB 07/46122 BEPTDN).
1.4 Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen de beslissingen van 14 februari 2007 en 19 februari 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning onder de beperking “medische noodsituatie” afgewezen. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag om verlenging en wijziging van de beperking in “voortgezet verblijf” afgewezen.
1.5 Eiser heeft tegen het besluit van 13 maart 2008, waarbij beide bezwaren ongegrond zijn verklaard, beroep bij deze rechtbank ingesteld (geregistreerd onder nummer AWB 08/12954 BEPTDN).
1.6 Op 8 september 2008 heeft verweerder per brief aan de gemachtigde van eiser laten weten dat de beschikkingen van 19 november 2007 (rechtbank begrijpt: 15 november 2007) en 13 mei 2005 (de rechtbank begrijpt: 13 maart 2008) zijn ingetrokken en dat verweerder opnieuw zal beslissen. Aan eiser is gevraagd of hij hierin aanleiding ziet de beroepen in te trekken.
1.7 Bij brief van 16 september 2008 heeft eiser bericht dat hij de beroepen wenst te handhaven als zijnde gericht tegen het niet tijdig beslissen op de namens eiser ingediende bezwaarschriften van 20 september 2005, 17 juli 2006 en twee maal 13 maart 2007.
1.8 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 18 september 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.
Overwegingen
2.1 Eiser heeft het petitum van zijn beroepen in zoverre aangepast dat deze thans opgevat dienen te worden als zijnde beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaarschriften van eiser van 20 september 2005, 17 juli 2006 en twee maal 13 maart 2007. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een beslissing op de bezwaarschriften te nemen, met oplegging van een dwangsom € 250,- voor elke dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat verweerder in gebreke blijft daaraan te voldoen. Tevens verzoekt eiser verweerder te veroordelen in de proceskosten alsmede tot vergoeding van de door de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam vastgestelde eigen bijdragen. Voorts verzoekt eiser verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt, te weten schade als gevolg van de lange behandelingsduur en de psychische schade, en te dezer zake toepassing te geven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2 Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat eiser nog een asielverzoek heeft ingediend, waarop door verweerder nog niet is beslist. Verweerder wenst de zaken zorgvuldig te bestuderen. Gelet daarop is een termijn van zes weken waarbinnen verweerder een beslissing op de onderhavige bezwaarschriften dient te hebben genomen met oplegging van een dwangsom indien verweerder in gebreke blijft, erg krap.
2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
2.4 Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van een bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.
2.5 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, van de Awb het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
2.6 In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift beslist. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken kan verdagen. Hiervan wordt schriftelijk mededeling gedaan. Verweerder heeft van dit artikellid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.7 Verweerder heeft met het enkele intrekken van de besluiten van 15 november 2007 en 13 maart 2008 en het niet opnieuw beslissen op de bezwaarschriften van 20 september 2005 en 17 juli 2006 en twee maal 13 maart 2007, niet binnen de wettelijke termijn op de bezwaarschriften beslist. Daarmee is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit, hetgeen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit wordt gelijk gesteld. Hiermee is een, ten opzichte van het besluit waartegen het beroep oorspronkelijk was gericht, een nieuw (fictief) besluit als bedoeld in artikel 6:18 Awb ontstaan. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zijn de beroepen daarom mede gericht tegen dat niet tijdig nemen van een besluit. Vaststaat dat verweerder de beslistermijnen heeft overschreden. Gelet op het voorgaande zullen de beroepen gegrond worden verklaard.
2.8 De rechtbank zal bepalen dat verweerder gehouden is een besluit te nemen op de bezwaarschriften. Naar het oordeel van de rechtbank mag van verweerder verwacht worden dat hij na deze uitspraak zo spoedig mogelijk een besluit neemt op de bezwaarschriften van eiser. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de bezwaarschriften te nemen.
2.9 Ten aanzien van het verzoek van eiser om verweerder een dwangsom op te leggen indien verweerder niet tijdig op de bezwaarschriften beslist, overweegt de rechtbank als volgt. Onweersproken is gebleven dat verweerder op de bezwaren van 20 september 2005, 17 juli 2006 en twee maal 13 maart 2007 niet heeft beslist binnen de wettelijke termijn. Nu verweerder daarmee te passief is gebleven bij het afronden van de desbetreffende bezwaarprocedures ziet de rechtbank hierin aanleiding het verzoek van eiser om oplegging van een dwangsom toe te wijzen en met toepassing van artikel 8:72, zevende lid, van de Awb te bepalen dat de Staat der Nederlanden per bezwaarschrift een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 20.000,- per bezwaarschrift.
2.10 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde [over samenhangende zaken in artikel 3] in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt per beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.
2.11 De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de betaalde eigen bijdrage voor rechtsbijstand. In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een limitatieve opsomming gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend. In een vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen eigen bijdrage is daarbij niet voorzien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiser gevorderde kosten niet voor vergoeding in het kader van het Bpb in aanmerking (kunnen) komen.
2.12 Met betrekking tot het verzoek om verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder dient alsnog een besluit te nemen op de door eiser ingediende bezwaarschriften. Niet zeker is wat de inhoud daarvan zal zijn. Het is derhalve thans niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja, in welke omvang schade is geleden. Daarmee ontbreekt de grond voor toewijzing van dit verzoek in de onderhavige procedure, zodat dit aan de orde dient te komen in het/de door verweerder nieuw te nemen besluit(en).
2.13 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dat verweerder de betaalde griffierechten ad € 143,- en € 145,- dient te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van 20 september 2005, 17 juli 2006 en twee maal 13 maart 2007, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser per bezwaarschrift een dwangsom verbeurt ten bedrage van € 100,- voor elke dag dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit, met een maximum van € 20.000,- per bezwaarschrift;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;
wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van de door eiser betaalde griffierechten ad € 143,- en € 145,-
Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter, als voorzitter en mrs. F.M.D. Aardema en M.P. Glerum, als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2008.
De griffier: De voorzitter:
mr. M.M. van Luijk-Salomons
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.