Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3175

Datum uitspraak2008-09-26
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/437208-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is gedurende enkele jaren als tandarts opgetreden, terwijl hij daartoe niet meer bevoegd was ingevolge uitspraak medisch tuchtcollege. Dit leidt tevens tot veroordeling wegens mishandeling door het verrichten van aan tandartsen voorbehouden, pijn veroorzakende behandelingen in 5 gevallen en tot het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel door schuld in 1 geval. Verder wordt hij veroordeeld wegens 2x oplichting wegens het innen van geld voor tandheelkundige behandelingen, terwijl hij onbevoegd was, en 1x poging daartoe. Veroordeling tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met publikatie in vaktijdschriften en Het Parool als bijkomende straf.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/437208-05 Datum uitspraak: 26 september 2008 op tegenspraak VERKORT VONNIS van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] (Nederlands-Indië) ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1] De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10,11 en 12 september 2008. 1. Tenlastelegging 1.1. Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzittingen van 22 maart 2007 en 10 september 2008 is gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen 1, 2 en 3 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde tenlastelegging geldt als hier ingevoegd. 1.2 Ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde feit merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank leest, mede in het licht van de oorspronkelijke tenlastelegging, het in de eerste regel van de gewijzigde telastegelegging vermelde “in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 april 2005” als “in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 april 2004”, aangezien hier, mede gelet op de oorspronkelijke tenlastelegging, sprake is van een kennelijke verschrijving. Door de verbetering van deze verschrijving wordt verdachte niet in de verdediging geschaad. 2. Voorvragen 2.1. Beroep op nietigheid van de dagvaarding 2.1.1. De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat er sprake is van partiële nietigheid van de tenlastelegging ten aanzien van dat deel waar ten laste is gelegd dat ‘schade aan de gezondheid van patiënten’ zou kunnen worden veroorzaakt. Het begrip ‘schade’ behoeft naar het oordeel van de raadsman nadere feitelijke invulling. Tevens vermeldt de tenlastelegging niet welke (ongeoorloofde) handelingen verdachte zou hebben verricht. Nu het begrip handelingen onvoldoende feitelijk in de tenlastelegging is uitgewerkt, is de tenlastelegging zijns inziens ook op dat onderdeel nietig. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu naar haar oordeel de omschrijving van het verweten gedrag voldoende feitelijk is en verdachte heeft geweten waartegen hij zich moest verweren. 2.1.2. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 telastegelegde betoogd dat de tenlastelegging partiëel nietig is. Nu het ‘lichamelijk letsel’ louter kwalificatief is opgenomen in de tenlastelegging en niet verder is uitgewerkt, zou niet zijn voldaan aan de daaraan op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht te stellen eisen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu naar haar oordeel de omschrijving van het verweten gedrag voldoende feitelijk is en verdachte heeft geweten waartegen hij zich moest verweren. 2.1.3. Aan verdachte is onder 3, 5, 8, 9, 11 en 12 subsidiair dan wel impliciet alternatief ten laste gelegd dat hij een aantal aan tandartsen voorbehouden handelingen heeft uitgevoerd, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest en kon vermoeden, dat hij hiertoe niet (meer) bekwaam was. De raadsman heeft gesteld dat de dagvaarding op dit punt nietig is. Bij gebreke van een materiële uitwerking van de term ‘bekwaam’ zou deze -mede gezien de ruime periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft- niet voldoen aan de daaraan op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht te stellen eisen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de term ’niet bekwaam’ voldoende feitelijke betekenis. Uit het op dit punt gevoerde materiële verweer blijkt voorts dat voor verdachte en diens raadsman alleszins inzichtelijk is geweest tegen welk verwijt zij zich hadden te verweren. 2.1.4. Ten aanzien van het onder 12 aan verdachte tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overtreding van de artikelen 302/303 van het Wetboek van Strafrecht (verder te noemen: Sr) en de overtreding van de artikelen 300/301 Sr cumulatief ten laste is gelegd, hetgeen zou moeten leiden tot de nietigheid van de cumulatief ten laste gelegde overtreding van de artikelen 300/301 Sr. Deze wijze van tenlastelegging zou in strijd zijn met het ne bis in idem-beginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een kennelijke vergissing in die zin dat is bedoeld, overtreding van de artikelen 300/301 Sr subsidiair ten laste te leggen. Het verweer wordt verworpen. 2.2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. Als feit 9 en feit 11 meer subsidiair is tenlastegelegd het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door schuld. Op dit strafbare feit is een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste twee jaar. Het recht tot strafvervolging, voor dit soort feiten, vervalt na 6 jaren. Dit brengt mee dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de strafvervolging van deze feiten, voor zover het de periode betreft die langer teruggaat dan 6 jaar vóór dat verdachte werd aangehouden en in verzekering gesteld, dat wil zeggen vóór 12 april 1999. 3. Overwegingen omtrent het bewijs naar aanleiding van de gevoerde verweren en ambtshalve. De rechtbank zal allereerst een aantal onderwerpen bespreken die voor meerdere tenlastegelegde feiten gelden. 3.1. Teneinde te bepalen vanaf welke datum de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3, 5, 8, 11 en 12 zich hebben voorgedaan zal de rechtbank eerst ingaan op de aard en aanvang van de onbevoegdheid van verdachte om als tandarts op te treden en de bekendheid van verdachte hiermee. Het Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam heeft bij eindbeslissing van 11 november 2003 de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register voor de beroepen in de individuele gezondsheidszorg (verder te noemen het BIG register) opgelegd en tevens, bij wijze van voorlopige voorziening, schorsing van de inschrijving in voornoemd register met onmiddellijke ingang. Verdachte heeft aangevoerd dat hij meende dat hij, hangende zijn hoger beroep tegen deze eindbeslissing, nog bevoegd was om als tandarts te functioneren. Pas uit mededelingen van de inspecteur voor gezondheidszorg op 3 december 2003 zou hem duidelijk zijn geworden dat dit hem niet meer was toegestaan. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet BIG is het aan degenen die als tandarts in een register ingeschreven staan, voorbehouden die benaming als titel te voeren. Op grond van artikel 36 in samenhang met artikel 35 van deze wet is het verrichten van handelingen op het gebied van de tandheelkunde voorbehouden aan tandartsen. Op grond van artikel 4, derde lid, van de wet BIG, wordt degene wiens inschrijving in een register is geschorst, gelijkgesteld met een niet-ingeschrevene. Die persoon is derhalve niet langer bevoegd tot het verrichten van handelingen op het gebied van de tandheelkunde. Verdachte heeft, zoals blijkt uit het ambtelijk verslag van de Inspecteur voor de Gezondheidszorg van 23 december 2003, op 13 november 2003 de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in ontvangst genomen en kennis genomen van de inhoud hiervan. Hierin is tot twee maal toe met zoveel woorden te lezen dat verdachte met onmiddellijke ingang - dus ook gedurende de beroepstermijn en hangende een eventueel hoger beroep- de bevoegdheid werd ontzegd om als tandarts te functioneren. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte vanaf 13 november 2003 wist dat hij niet meer bevoegd was om aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. Zo verdachte hieromtrent toch mocht hebben getwijfeld, zou het op zijn weg hebben gelegen om (juridisch) advies in te winnen. 3.2. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 3, 5, 8, 9, 11 en 12 Aan verdachte is bij deze feiten ten laste gelegd het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel letsel en/of pijn. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende. 3.2.1. Feitelijke handelingen Aan verdachte wordt verweten dat hij (ondeugdelijk, in elk geval in strijd met de eisen die daaraan binnen de beroepsgroep gesteld worden) een aantal met name genoemde aan tandartsen voorbehouden handelingen heeft verricht. Volgens de raadsman geeft de officier van justitie met de tussen haakjes geplaatste zinsnede “ondeugdelijk, in elk geval in strijd met de eisen die daaraan binnen de beroepsgroep gesteld worden”, een specificatie en in feite ook een verenging van het meer generieke deel van de verweten gedragingen. Naar het oordeel van de raadsman zou er sprake zijn van een grondslagverlating als de rechtbank de feitelijke handelingen wel, maar het ondeugdelijke karakter daarvan niet bewezen zou verklaren. Blijkens de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting zijn de tussen haken geplaatste zinsneden bedoeld als een strafverzwarende omstandigheid en mogen zij worden weggestreept indien zij niet te bewijzen zijn. De rechtbank is van oordeel dat, binnen de redelijke grenzen van de tenlastelegging, de tussen haken geplaatste zinsneden op de wijze zoals door de officier van justitie is toegelicht, kunnen worden uitgelegd. De aard van het strafrechtelijke verwijt is immers gelijk, ongeacht of de tussen haken geplaatste gedeelten worden gehandhaafd of geschrapt. De rechtbank zal de tenlastelegging dan ook opvatten in de door de officier van justitie voorgestane betekenis en verdachte vrijspreken van het tussen haken gestelde, omdat daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is. 3.2.2. Wederrechtelijkheid in verband met onbevoegdheid De officier van justitie heeft gesteld dat met de onbevoegdheid van verdachte tot het verrichten van tandheelkundige handelingen, de wederrechtelijkheid van hierdoor veroorzaakt(e) pijn (en letsel) gegeven is. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Het is een feit van algemene bekendheid dat bepaalde aan tandartsen voorbehouden handelingen pijn met zich brengen. Gelet op zijn onbevoegdheid mocht verdachte niet langer uitgaan van een impliciet door de patiënt gegeven toestemming om hem/haar pijn te doen. Voor zover de betreffende voorbehouden handelingen zijn verricht na 13 november 2003, gaat de rechtbank derhalve uit van de wederrechtelijkheid hiervan. 3.2.3. Wederrechtelijkheid in verband met wetenschap van onbekwaamheid Aan verdachte is impliciet alternatief ten laste gelegd dat hij een aantal aan tandartsen voorbehouden handelingen heeft uitgevoerd, terwijl hij redelijkerwijs moest en kon vermoeden dat hij hiertoe niet (meer) bekwaam was. De raadsman heeft op dit punt (subsidiair) vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe -zakelijk weergegeven- onder andere aangevoerd dat de tuchtrechter, ondanks eerdere tuchtrechtelijke verwikkelingen, tot eind 2003 kennelijk niet heeft willen oordelen dat verdachte onbekwaam moest worden geoordeeld voor het vak. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het primair op de weg van de inspectie voor de volksgezondheid en de medische tuchtcolleges om te oordelen over de bekwaamheid van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. Nu de bevoegde tuchtcolleges tot 11 november 2003 niet hebben geoordeeld dat verdachte in algemene zin onbekwaam was om voorbehouden tandheelkundige handelingen te verrichten, kan niet worden bewezen dat verdachte tot aan deze datum onbekwaam moest worden geacht. De rechtbank zal verdachte op dit punt dan ook vrijspreken. Dit betekent ook dat de wederrechtelijkheid van de verrichtingen als tandarts door verdachte vóór 13 november 2003 -de datum waarop verdachte op de hoogte raakte van de einduitspraak van het Regionaal Tuchtcollege- niet kan worden vastgesteld. 3.2.4. Voorbedachte raad In de tenlastelegging mist een zinsnede als: na kalm beraad en rustig overleg. Ook overigens bevat de tenlastelegging geen feitelijke omschrijving die zou kunnen leiden tot het oordeel dat er bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. De rechtbank zal verdachte op dit punt dan ook vrijspreken. 3.3. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 5, 8, 9, 11 en 12 3.3.1. (Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij het verrichten van de hem verweten handelingen willens en wetens zwaar lichamelijk letsel aan zijn patiënten heeft toegebracht, in de zin zoals is tenlastegelegd. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg zou zijn van zijn handelen en dat hij de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard. De verklaringen van de verdachte of getuigen/deskundigen geven geen inzicht in hetgeen ten tijde van de gedragingen in de verdachte is omgegaan. Zijn gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook niet worden aangemerkt als zo zeer gericht op het ten laste gelegde gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom op dit punt vrijspreken. 3.3.2. Causaal verband tussen verweten handelingen en lichamelijk letsel Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aan de respectievelijke aangevers (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht door het verrichten van één of meer met name genoemde, aan de beroepsgroep tandartsen voorbehouden, expliciet genoemde handelingen. De rechtbank komt - gelet op deze wijze van tenlastelegging - niet meer toe aan de vraag of en in welke mate er causaal verband bestaat tussen de overigens geleden pijn en het geconstateerde letsel bij de aangevers en het handelen of nalaten van verdachte. Dit heeft tot gevolg dat verdachte slechts zal worden veroordeeld wegens mishandeling voorzover het gaat om het opzettelijk en wederrechtelijk toebrengen van pijn die naar algemene ervaringsregels inherent is aan bepaalde voorbehouden tandheelkundige handelingen. Voor het overige zal verdachte van de tenlastegelegde mishandelingen worden vrijgesproken. 3.4. Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 3, 5, 8 en 12 Met betrekking tot de uitleg van de in de tenlastelegging verwoorde tandheelkundige handelingen merkt de rechtbank het volgende op. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het boren en slijpen van tanden en/of kiezen bij de in de tenlastelegging genoemde patiënten heeft plaatsgevonden ten behoeve van het plaatsen van bruggen of kronen. De rechtbank zal deze handelingen in samenhang met elkaar lezen. Dit geheel van handelingen valt onder ‘het verstoren van de samenhang der lichaamsweefsels’ in de zin van de tenlastelegging. 4. Waardering van het bewijs 4.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 5 primair, 6 primair, 8 primair, 9 primair en subsidiair, 10 primair en subsidiair, 11 primair en 12 primair is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. 4.1.2. Met betrekking tot de vrijspraak van de onder 10 tenlastegelegde (poging tot) oplichting van [sl[achternaam slachtoffer 1] overweegt de rechtbank dat de aangifte van het slachtoffer in samenhang met de summiere brief van tandarts [tandarts 1] onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank betrekt de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris inzake [slachtoffer 1] niet bij het bewijs, nu verdachte ter zitting heeft verklaard, en ook heeft onderbouwd met gegevens uit de patiëntenadministratie, dat er sprake is van twee patiënten met de naam [achternaam slachtoffer 1] die bij hem onder behandeling stonden. Dat de verklaring bij de rechter-commissaris, zoals de verdachte stelt, betrekking heeft gehad op de andere patiënt is niet onaannemelijk. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat de betaling van het geldbedrag heeft plaatsgevonden in de periode waarin verdachte niet meer bevoegd was om werkzaam te zijn als tandarts. 4.2. De rechtbank zal hierna per feit aangegeven wat zij bewezen acht en waarom. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 4.2.1. Feit 1 primair in de periode van 13 november 2003 tot en met 11 april 2005 te Amsterdam, meermalen, terwijl hij niet meer ingeschreven stond in een register overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de wet BIG, telkens buiten noodzaak handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidszorg, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij schade aan de gezondheid van anderen zou kunnen veroorzaken, bestaande de aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van patiënten uit het door verdachte bij voortduren behandelingstechnisch en administratief onzorgvuldig en onkundig en ondeugdelijk verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Overweging Met betrekking tot feit 1 primair zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging, zoals hierna onder 6.2 zal worden toegelicht. De verweren met betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde behoeven derhalve geen bespreking meer. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of feit 1 subsidiair kan worden bewezen. 4.2.2. De rechtbank acht ten aanzien van feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: in de periode van 13 november 2003 tot en met 11 april 2005 te Amsterdam, meermalen, terwijl hij niet meer ingeschreven stond in een register overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van de wet BIG, telkens buiten noodzaak handelingen heeft verricht op het gebied van de individuele gezondheidszorg en daarbij een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander heeft veroorzaakt, bestaande de aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van patiënten uit het door verdachte bij voortduren behandelingstechnisch en administratief onzorgvuldig en onkundig en ondeugdelijk verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Bespreking van de verweren ten aanzien van feit 1 subsidiair De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet kan worden gesteld dat de (be)handelingen van verdachte bij voortduren en zonder uitzondering dermate onzorgvuldig en/of onkundig en/of ondeugdelijk waren dat zijn patiënten aanmerkelijk risico liepen schade aan hun gezondheid op te lopen. Tevens dient vrijspraak te volgen ten aanzien van het niet ingeschreven staan in het BIG-register in de periode van 11 november 2003 tot 24 augustus 2004. De doorhaling van verdachte in het BIG-register heeft pas plaatsgevonden na de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 24 augustus 2004, aldus de raadsman. Zoals reeds is overwogen wordt op grond van artikel 4, derde lid, van de wet BIG degene wiens inschrijving in een register is geschorst, gelijkgesteld met een niet ingeschrevene. Tegen de achtergrond van dat artikel is de rechtbank van oordeel dat onder de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “terwijl hij niet meer ingeschreven stond in een register” mede dient te worden verstaan het geschorst zijn. Deze zienswijze leidt tot de conclusie dat bewezen kan worden dat verdachte in die periode niet meer in het BIG-register ingeschreven stond. De rechtbank is ten aanzien van het eerste verweer van de raadsman van oordeel dat de verklaringen van de [deskundige 1] (tandarts) ter terechtzitting en bij de rechter-commissaris, in samenhang bezien met verklaringen van aangevers en de verklaring van de verdachte zelf voldoende bewijs opleveren. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 4.2.3. Feit 2 in de periode van 13 november 2003 tot en met 24 augustus 2004 te Amsterdam, meermalen, wetende dat - het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam bij vonnis van 11 november 2003 bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van de inschrijving met onmiddellijke ingang heeft uitgesproken, - hij ten gevolge van dit vonnis en de bepalingen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geen enkel gebruik meer mag maken van de titel “tandarts”, telkens in strijd met dit vonnis en de bepalingen in de Wet op de beroepen op de individuele gezondheidszorg heeft gehandeld door - een tandartsenpraktijk te voeren en - zich tegenover patiënten als tandarts bekend te maken en - patiënten met hem in de rol als tandarts een afspraak te laten maken voor het controleren en/of behandelen van hun gebit en - declaraties bij een of meerdere verzekeringsmaatschappij(en) in te (laten) dienen voor zijn verrichte werkzaamheden als ware hij een bevoegde tandarts. 4.2.4. Feit 3 primair op tijdstippen in de periode van 13 november 2003 tot en met 31 augustus 2004 te Amsterdam opzettelijk mishandelend, aan [slachtoffer 2], opzettelijk, een of meer aan de beroepsgroep “tandartsen” voorbehouden handelingen zoals bedoeld in artikel 36 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg heeft verricht, te weten: - het toedienen van (verdovings)injecties; - het verstoren van de samenhang der lichaamsweefsels die zich niet direct herstellen door: • het boren en slijpen van tanden en/of kiezen; • het plaatsen van een kroon; tengevolge waarvan [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden terwijl verdachte telkens wist dat hij ten tijde van het uitvoeren van bovenstaande handelingen niet meer bevoegd was om deze aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. Bespreking van het verweer De raadsman heeft betoogd dat de brieven van behandelend [tandarts 2] niet kunnen strekken tot het bewijs, omdat zij objectiviteit ontberen en de daarin ingenomen stellingen gegrond zijn op onjuiste feiten. De rechtbank zal de verklaring van [tandarts 2] niet voor het bewijs bezigen. Het verweer behoeft derhalve geen bespreking. 4.2.5. Feit 4 primair in de periode van 28 november 2003 tot en met 18 december 2003 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachto[slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van € 1650,-- , hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk zich voorgedaan als een bevoegd tandarts, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte. Bespreking van het verweer. De raadsman heeft zich ten aanzien van de oplichting van het slachtoffer door de verdachte op het standpunt gesteld dat de oplichting niet bewezen kan worden, nu er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de telastegelegde bedrieglijke gedraging van verdachte en de prestatie van de ander. De rechtbank is echter van oordeel dat het indienen van een declaratie als ware verdachte een bevoegd tandarts een voldoende oorzakelijk verband oplevert met de betaling van die declaratie door [slachtoffer 3]. 4.2.6. Feit 5 subsidiar in de periode vanaf 13 november 2003 tot en met 1 maart 2005 te Amsterdam, meermalen, opzettelijk mishandelend aan [slachtoffer 4] opzettelijk aan de beroepsgroep "tandartsen" voorbehouden handelingen heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 36 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, te weten: - het toedienen van (verdovings)injecties; - de samenhang der lichaamsweefsels verstoren die zich niet direct herstellen door: • het boren en slijpen van tanden en/of kiezen; • het plaatsen van een brug; tengevolge waarvan [slachtoffer 4] pijn heeft ondervonden terwijl verdachte wist dat hij ten tijde van het uitvoeren van bovenstaande handelingen niet meer bevoegd was om deze aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. 4.2.7. Feit 6 subsidiair in de periode van 14 maart 2005 tot en met 12 april 2005 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een listige kunstgreep [slachtoffer 5] en/of de ziektekostenverzekeraar van [slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van € 637,-- , met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk zich heeft voorgedaan als een bevoegd tandarts en een kroon die niet voldeed aan de eisen die aan een kroon gesteld mogen worden heeft geplaatst in het gebit van voornoemde Langeveld. 4.2.8. Feit 7 in de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 april 2004 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep, [slachtoffer 6] en Iza Ziektekosten-verzekering heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk zich voorgedaan als een bevoegd tandarts en een zenuwbehandeling aan 1 kanaal in rekening gebracht bij voornoemde [slachtoffer 6] terwijl voornoemde zenuwbehandeling niet is uitgevoerd, waardoor [slachtoffer 6] en Iza Ziektekosten-verzekering werden bewogen tot bovenomschreven afgifte; Bespreking van de verweren. De raadsman heeft gesteld dat het onder 7 tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden verklaard. Allereerst blijkt uit het dossier niet dat genoemd bedrag daadwerkelijk door [slachtoffer 6] aan verdachte is uitbetaald. Voorts blijkt niet uit de patiëntenkaart van verdachte dat de in rekening gebrachte wortelkanaalbehandeling zou hebben plaatsgevonden in het element 4.5 waar de kroon is geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat aan verdachte een geldbedrag is uitbetaald. Er bevindt zich in het dossier een factuur van verdachte, gedateerd 15 maart 2004 met daarop aangetekend “overgemaakt” en een uitkeringsbesluit van Iza zorgverzekering van 20 april 2004 waarin de vergoeding ten aanzien van de behandelingen is vastgesteld, alsmede de aangifte van het slachtoffer (van 13 juni 2005) waarin zij stelt dat zij en haar verzekeringsmaatschappij zijn benadeeld. Ten aanzien van het tweede verweer acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat de in rekening gebrachte wortelkanaalbehandeling betrekking zou hebben op een ander element dan de 4.5 zoals de verdachte heeft ter zitting verklaard. Op 25 februari 2004 zijn immers door verdachte meerdere behandelingen ten aanzien van element 4.5 in rekening gebracht. Behandeling van element 4.4 heeft volgens de patiëntenkaart veel eerder plaatsgevonden, namelijk rond 19 september 2003. De rechtbank verwerpt het verweer. 4.2.9. Feit 8 subsidiair in de periode van 13 november 2003 tot en met 11 april 2005 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend aan [slachtoffer 7] opzettelijk aan de beroepsgroep "tandartsen" voorbehouden handelingen heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 36 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, te weten: - het toedienen van verdovingsinjecties; - de samenhang der lichaamsweefsels verstoren die zich niet direct herstellen door: • het boren en slijpen van tanden en/of kiezen; • het plaatsen van kronen met een slechte pasvorm; tengevolge waarvan [slachtoffer 7] pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte wist dat hij ten tijde van het uitvoeren van bovenstaande handelingen niet meer bevoegd was om deze aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. Bespreking van het verweer De raadsman heeft bezwaar gemaakt tegen het bezigen van de schriftelijke stukken van [persoon 1] voor het bewijs, nu de verdediging met betrekking tot deze stukken haar verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank zal deze stukken niet voor het bewijs bezigen. Het verweer behoeft derhalve geen bespreking. 4.2.10. Feit 9 meer subsidiair in de periode van 12 april 1999 tot en met 1 februari 2003 te Amsterdam, aanmerkelijk onachtzaam en nalatig op technisch onjuiste wijze een kroon heeft geplaatst in het gebit van [slachtoffer 8], waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer 8] zwaar lichamelijk letsel, te weten een weggerotte kies (element 4.6) heeft bekomen. Nadere bewijsoverweging. Ten aanzien van het bewijs neemt de rechtbank in aanmerking de mede ter zitting afgelegde verklaring van [deskundige 1] voornoemd dat het onjuist voorbehandelen van het element in grote mate van waarschijnlijkheid tot de tenlastegelegde wegrotting heeft geleid. De rechtbank acht in het onjuist plaatsen het onjuist voorbehandelen begrepen. De rechtbank acht tevens het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bewezen nu er sprake is van blijvend letsel. 4.2.11. Feit 11 subsidiair in de periode vanaf 13 november 2003 tot en met 12 april 2005 te Amsterdam meermalen opzettelijk mishandelend aan [slachtoffer 9] opzettelijk aan de beroepsgroep "tandartsen" voorbehouden handelingen heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 36 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, te weten: - het toedienen van verdovingsinjecties; - het verstoren van de samenhang der lichaamsweefsels die zich niet direct herstellen door: • het boren, slijpen en trekken van tanden en/of kiezen; tengevolge waarvan die [slachtoffer 9] pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte wist dat hij ten tijde van het uitvoeren van bovenstaande handelingen niet meer bevoegd was om deze aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. 4.2.12. Feit 12 subsidiair in de periode van 13 november 2003 tot en met 31 december 2004 te Amsterdam opzettelijk mishandelend aan [slachtoffer 10] opzettelijk meerdere aan de beroepsgroep "tandartsen" voorbehouden handelingen, zoals bedoeld in artikel 36 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, heeft verricht, te weten - het toedienen van (verdovings)injecties; - de samenhang der lichaamsweefsels verstoren die zich niet direct herstellen door: • het boren en slijpen van tanden en/of kiezen; • het plaatsen van noodkronen; • het uitvoeren van een wortelkanaalbehandeling; tengevolge waarvan [slachtoffer 10] pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte wist dat hij ten tijde van het uitvoeren van bovenstaande handelingen niet meer bevoegd was om deze aan tandartsen voorbehouden handelingen uit te voeren. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 5. Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 6. De strafbaarheid van de feiten 6.1. De strafbaarheid van het onder 1 primair telastegelegde 6.1.1. De raadsman heeft zich ten aanzien van het primair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte niet zozeer wordt verweten dat hij met zijn handelen schade heeft veroorzaakt of dat hij aanmerkelijke kans op schade heeft veroorzaakt, maar dat dat zou kunnen gebeuren. Dit handelen van verdachte is niet strafbaar. 6.1.2. De rechtbank acht, met de raadsman het onder 1 primair bewezene niet strafbaar, nu een van de bestanddelen van het delict, te weten: “schade of een aanmerkelijke kans op schade is veroorzaakt” in de tenlastelegging ontbreekt en tevens aan verdachte in dit onderdeel van de tenlastelegging geen feitelijke gedragingen worden verweten die de schade of de aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van patiënten hebben veroorzaakt. Verdachte dient terzake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 6.2. De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7. De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8. Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 subsidiair, 7, 8 subsidiair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 (tien) jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het vonnis openbaar gemaakt zal worden door publicatie in de door haar in haar schriftelijk requisitoir genoemde dagbladen en vakbladen. 8.2. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft, nadat hij op 11 november 2003 met onmiddellijke ingang als tandarts was geschorst in het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg, gedurende lange tijd onbevoegd als tandarts gewerkt en patiënten behandeld. Deze patiënten, onder wie sommigen al zeer lange tijd, zelfs van kinds af aan, patiënt bij hem waren, hebben geen weet gehad van de onbevoegdheid van verdachte en hebben telkens weer vertrouwen gesteld in zijn vakbekwaamheid. Een aantal patiënten keerde steeds bij hem terug met ernstige problemen aan het gebit, in de hoop dat hij de klachten kon verhelpen. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de afhankelijke en ongelijke positie waarin die patiënten verkeerden. Door zo te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van zijn patiënten aangetast en het vertrouwen van zijn patiënten in de tandartsenstand ernstig beschaamd. Patiënten reageerden geschokt toen zij kennis namen van de onbevoegdheid van verdachte. Uit verschillende verklaringen die door oud-patiënten zijn afgelegd is de rechtbank gebleken dat zij nog steeds psychisch en lichamelijk nadelige gevolgen van het handelen van verdachte ondervinden. Bovendien heeft verdachte onbevoegd gedeclareerd en betalingen in ontvangst genomen. Daardoor zijn patiënten en/of verzekeringsmaatschappijen financieel benadeeld. Ook in zijn algemeenheid leidt het optreden als onbevoegd tandarts in de maatschappij tot gevoelens van onrust, angst en onzekerheid, nu immers de bevoegdheid van een tandarts aan de basis hoort te staan van iedere relatie tandarts/patiënt. Aan het vertrouwen in de tandheelkundige stand als zodanig is schade toegebracht. De rechtbank rekent verdachte dit zeer aan. De rechtbank rekent verdachte voorts zeer aan dat hij, hoewel hij uit eerdere tuchtrechtelijke uitspraken en uit zijn onmiddellijke schorsing had moeten afleiden dat hij niet langer bekwaam was om als tandarts te functioneren, hardnekkig is blijven doorwerken en de gezondheid van zijn patiënten in de waagschaal heeft gesteld. Verdachte heeft volgehouden, ook ter zitting, dat de bij sommige aangeefsters aangetroffen slechte staat van het gebit te wijten was aan onvoldoende hygiëne, beslissingen van die patiënten zelf ten aanzien van de door hem (aan)geboden behandelingen, dan wel het zich onvoldoende onder tandheelkundige behandeling stellen. Op een daartoe strekkende vraag van de rechtbank heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij zijn verantwoordelijkheid als tandarts meer had moeten nemen, maar het geheel van zijn verklaringen getuigt van een aanmerkelijk tekort aan verantwoordelijkheidsbesef bij verdachte en gebrek aan inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen. Weliswaar is het, gelet op de leeftijd van verdachte en zijn financiële situatie, niet zo waarschijnlijk dat verdachte weer het beroep van tandarts zal gaan uitoefenen, maar anderzijds is de rechtbank is er niet van overtuigd dat het daadwerkelijk tot verdachte is doorgedrongen dat het terecht is dat hij definitief onbevoegd is verklaard om als tandarts te functioneren. De rechtbank sluit de kans op herhaling daarom niet uit. De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte ook acht geslagen op het over hem opgemaakte psychologisch onderzoek door klinisch - en forensisch psycholoog [deskundige 2] van 25 september 2007, waarin wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij verdachte en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank gelet op het voorlichtingsrapport van de reclassering betreffende verdachte opgemaakt door [persoon 2] van 7 juni 2005. De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, een gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten, in het bijzonder feiten als de onderhavige. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank een deel van het ten laste gelegde niet bewezen acht. 8.3. Overschrijding van de redelijke termijn De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafproces veel vlotter had kunnen verlopen, indien het Openbaar Ministerie meer voortvarend had gehandeld. De afgelopen periode is voor verdachte reeds een periode van zware beproeving en bestraffing geweest. Naast de belastende beperkingen ten gevolge van de schorsingsbepalingen is de onzekerheid rond de voortgang van de strafzaak hem zwaar gevallen. De rechtbank overweegt het volgende. De redelijke termijn is gaan lopen bij de inverzekeringstelling van verdachte op 12 april 2005. Tot aan deze uitspraak heeft de procedure 3 jaar en ruim 5 maanden in beslag genomen. De rechtbank constateert dat de zaak complex is en dat – mede op verzoek van de verdediging – o.a. getuigen bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Op 14 januari 2008 heeft het laatste verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Gelet op voornoemde complexiteit en de te verrichten onderzoekshandelingen wordt deze behandelduur door de rechtbank als niet onredelijk aangemerkt. Na januari 2008 is de zaak om redenen van roostertechnische aard niet eerder op zitting geplaatst. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de redelijke termijn is overschreden met tenminste 6 maanden. Als regel wordt overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk in deze zaak in beginsel op zijn plaats is. De rechtbank zal na afweging van alle belangen, waaronder de mate van termijnoverschrijding en de maatschappelijke belangen in deze zaak de gevangenisstraf in die zin matigen dat één maand van de op te leggen onvoorwaardelijke straf, in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd, hetgeen resulteert in een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Gelet op de leeftijd van verdachte, zijn financiële situatie en de hierna te noemen openbaarmaking van een gedeelte van het vonnis, acht de rechtbank een proeftijd van twee jaren toereikend. Bijkomende straf De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het van belang is om deze uitspraak te publiceren in een aantal specifiek genoemde vakbladen voor tandartsen, ten einde te voorkomen dat verdachte wederom onbevoegd als tandarts werkzaam zal zijn. Daarnaast zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, alleen de openbaarmaking in dagblad Het Parool gelasten, nu de bewezen verklaarde feiten zich in Amsterdam hebben voorgedaan. De rechtbank zal daarbij uitdrukkelijk bepalen dat alleen dat gedeelte van de uitspraak mag worden gepubliceerd dat ziet op de onder 4, 6, en 7 bewezenverklaarde feiten, te weten de (poging) oplichting, omdat de wet niet voorziet in publicatie als bijkomende straf voor de overige feiten. Verbeurdverklaring De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een grijze tandartsstoel, een rvs kast met tandartsgereedschappen, 2 grijze stoelen uit tandartsenpraktijk, 1 zilverkleurig metalen bakje met vijlen en boren, 1 transparante container, 1 beige console met tandartsgereedschappen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan. Onttrekking aan het verkeer Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 fles met verdovingsmiddel Xylocaine, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het bewezengeachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Ten aanzien van de benadeelde partijen Vordering [slachtoffer 3] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1650,- (zestienhonderd en vijftig euro).Dit bedrag betreft de rekening die de benadeelde partij heeft betaald aan de verdachte. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering [slachtoffer 6] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 7 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 255,56 (tweehonderdvijfenvijftig euro en zesenvijftig cent).Dit bedrag betreft de rekening die de benadeelde partij heeft betaald aan de verdachte. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Vordering [slachtoffer 7] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 8 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 4.084,30 (vierduizendvierentachtig euro en dertig cent). Dit bedrag betreft de rekening die de benadeelde partij heeft betaald aan de verdachte. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering [slachtoffer 8] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 9 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze immateriële schade op een bedrag van € 300,- (driehonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering [slachtoffer 9] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9], niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering [slachtoffer 10] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 12 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1014,80 (duizendveertien euro en tachtig eurocent). Dit bedrag betreft de rekening die de benadeelde partij heeft betaald aan de verdachte. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van de hiervoor genoemde benadeelde partijen af. De rechtbank acht de maatregel niet opportuun vanwege het faillissement van verdachte. Vorderingen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], de civiele rechter reeds over de in het strafproces ingediende vordering heeft beslist. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun vordering. 9. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 45, 57, 63, 300, 308, 326 en 339 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 4, 96, 99 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 10. Beslissing Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte terzake van het onder feit 9 en 11 meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover het betreft de periode vóór 12 april 1999. Verklaart het onder 5 primair, 6 primair, 8 primair, 9 primair en subsidiair, 10 primair en subsidiair, 11 primair en 12 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7, 8 subsidiair, 9 meer subsidiair, 11 subsidiair, 12 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 subsidiair: Bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken, terwijl hij niet ingeschreven staat in een register als bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 2: Tijdens de duur van een schorsing handelen in strijd met het in artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg gestelde verbod, terwijl zijn inschrijving in het desbetreffende register is geschorst ten gevolge van een maatregel, bij wijze van voorlopige voorziening opgelegd overeenkomstig artikel 80, vijfde lid, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 3 primair, feit 5 subsidiair, feit 8 subsidiair, feit 11 subsidiair, feit 12 subsidiair: Mishandeling, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 4 primair en feit 7: Oplichting, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 6 subsidiar: Poging tot oplichting Ten aanzien van feit 9 meer subsidiair: Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt. Verklaart het in rubriek 4 onder 1 primair bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging terzake daarvan. Verklaart het in rubriek 6 onder 1 subsidiair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7, 8 subsidiair, 9 meer subsidiair, 11 subsidiair, 12 subsidiair bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Bepaalt ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feit dat geen straf wordt opgelegd. Verklaart verbeurd de volgende items: 9 grijze tandartsstoel 10 rvs kast met tandartsgereedschappen 11 2 grijze stoelen uit tandartsenpraktijk 12 1 zilverkleurig metalen bakje met vijlen en boren 13 1 transparante container 15 beige console met tandartsgereedschappen Verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende item: 14 1 fles met verdovingsmiddel Xylocaine Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende op het adres [adres 2] toe tot een bedrag van € 1650,- (zestienhonderd en vijftig euro). Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] wonende op het adres [adres 3] toe tot een bedrag van € 255,56 (tweehonderdvijfenvijftig euro en zesenvijftig cent). Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende op het adres [adres 4] toe tot een bedrag van € 4.084,30 (vierduizendvierentachtig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening, . Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende op het adres [adres 5] toe tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat de schade is vastgesteld, te weten 28 september 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening, Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 8] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10], wonende op het adres [adres 7] toe tot een bedrag van € 1014,80 (duizendveertien euro en tachtig eurocent). Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 10] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende items: 1 zak administratieve bescheiden 2 grijze computer COMPAQ pressario D1BKDK4N16W 3 grijze computer PLANHOLD POWER AT920181 4 Zilver telefoontoestel NOKIA 352956001679254 5 Telefoontoestel NOKIA 6230 352951003521638 6 1 waardezak met 2140 euro 7 84,80 euro kleingeld 8 Personenauto 15FJGn BMW 5ER REIHE 523i 2000 Kl:blauw Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Gelast dat deze uitspraak ten aanzien van de feiten 4, 6 en 7 openbaar wordt gemaakt in na te noemen vakbladen en na te noemen dagblad: • NT (Nederlands Tandartsenblad) • De Tandartspraktijk • Nederlands tijdschrift voor tandheelkunde • Nederlands tijdschrift voor gezondheidsrecht • Het medisch contact • Het Parool Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter, mrs. M.A.H. van Dalen-van Bekkum en H.J. Bunjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 september 2008.