Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3163

Datum uitspraak2008-09-26
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers319343 / KG ZA 08-1155
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Aan de orde is de vraag of de Staat onrechtmatig handelt, in het bijzonder in strijd met artikel 3 EVRM, jegens eiser door hem niet in een psychiatrische kliniek in de zin van artikel 15 lid 5 Penitentiaire Beginselenwet te doen opnemen en de detentie te continueren. Vordering afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 26 september 2008, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 319343 / KG ZA 08-1155 van: [eiser], wonende te [plaats] en thans verblijvende in het Penitentiaire Selectie Centrum te 's-Gravenhage, eiser, advocaat mr. W.P. den Hertog te Den Haag, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna genoemd: '[eiser]' en 'de Staat'. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 18 september 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. [eiser] heeft van juni tot november 2006 vijf maanden in uitleveringsdetentie doorgebracht in Braziliaanse gevangenissen. In november 2006 is [eiser] door Brazilië uitgeleverd aan Nederland en vervolgens geplaatst in penitentiaire inrichting Overamstel te Amsterdam. 1.2. Bij vonnis van 19 juli 2007 is [eiser] door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 1.3. In december 2007 is [eiser] vanuit penitentiaire inrichting Overamstel overgeplaatst naar penitentiaire inrichting Alphen aan de Rijn. 1.4. Op verzoek van [eiser] heeft professor H.J.C. van Marle (hierna te noemen: 'Van Marle') [eiser] meermalen onderzocht. Van Marle heeft daarover op 18 januari 2008 en 11 april 2008 gerapporteerd. Van Marle kwam tot de conclusie dat [eiser] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), ten gevolge waarvan [eiser] detentieongeschikt moet worden geacht. Volgens Van Marle zal het uitblijven van behandeling van de PTSS tot blijvende schade aan de gezondheid van [eiser] leiden. Bovendien stelt Van Marle dat behandeling van [eiser] in detentiesituatie niet mogelijk is. 1.5. Ter terechtzitting in het hoger beroep op 14 april 2008 heeft de raadsman van [eiser], mr. C.F. Korvinus, verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis te schorsen. Het hof heeft vervolgens op 15 april 2008 een beslissing inzake de gevorderde schorsing van de voorlopige hechtenis genomen en terzake het navolgende overwogen: '(...) Het hof heeft het door de verdediging gemotiveerde en door het openbaar ministerie bestreden verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte beoordeeld aan de hand van het verhandelde ter terechtzitting van 14 april 2008, alwaar de deskundigen van de verdediging en het openbaar ministerie zijn gehoord aan de hand van de door hen uitgebrachte rapportage met betrekking tot verdachte. Op grond van het één en ander wil het hof er van uitgaan dat verdachte lijdende is aan een detentiegerelateerde post traumatische stress stoornis. Door de verdediging is aangevoerd dat deze stoornis van verdachte noodzaakt tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, omdat naar het standpunt van de verdediging behandeling van deze stoornis illusoir is in detentie. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan evenwel niet worden gezegd dat behandeling van deze stoornis in een detentiesituatie bij deze verdachte bij voorbaat onmogelijk is. (...)' 1.6. Op 26 juni 2008 is [eiser] geplaatst in het Penitentiair Selectie Centrum (PSC) in 's-Gravenhage. In het kader van deze overplaatsing heeft de selectiefunctionaris beslist dat [eiser] daar door de heer E.P.K. Sikkens, psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, nader zal worden onderzocht op detentiegeschiktheid. 1.7. Sikkens heeft bij brief van 15 september 2008 het navolgende bericht ter zake van de detentiegeschiktheid van [eiser]: '(...) Naar aanleiding van uw schriftelijk verzoek (...) heb ik op 26 augustus 2008 (...) [eiser] (...) bezocht, ter beantwoording van de volgende vragen: - is betrokkene lijdende aan een psychiatrische stoornis en zo ja, hoe is deze te omschrijven? - is, als de huidige geboden zorg ontoereikend is, extra zorg binnen het huidige detentieregiem te realiseren of is overplaatsing naar een andere detentieregiem (zoals IBA of FOBA) noodzakelijk? - is, indien binnen detentie niet de medisch noodzakelijk geachte zorg kan worden geboden, overplaatsing naar een zorgsetting buiten gevangeniswezen aangewezen en zo ja, welke intensiteit van zorg en beveiliging wordt dan nodig geacht en binnen welk juridisch kader zou dit te realiseren zijn? (...) Conclusie: Betr. kon slechts beperkt worden onderzocht. Er is slechts met hem gesproken over de ervaringen m.b.t. zijn detentie in Brazilië en er zijn enkele klachten passend bij de PTSS besproken. Er is, doordat er geen tweede gesprek heeft plaatsgevonden, geen uitgebreidere anamnese geweest en er is niet met betr. over zijn levensgeschiedenis gesproken. Dit heeft het onderzoek naar andere psychiatrische stoornissen dan de PTSS (...) verhinderd. Beantwoording van de vraagstelling is dan ook niet mogelijk gebleken. Wel kan het volgende gesteld worden. Er zijn aanwijzingen dat er bij betr. sprake is van een PTSS, zoals eerder door collega's Van Marle, Baneke en Lionarons is vastgesteld. (...) Opvallend is dat er bij betr. geen sprake lijkt te zijn van afstomping of vermijding, symptomen die veelal wel worden gezien bij mensen met een PTSS; (...) Samenvattend kan dan in dit onderzoek de diagnose PTSS dan ook niet met zekerheid gesteld of verworpen worden. Niet uitgesloten kan worden dat er bij betr. sprake is van bijvoorbeeld simulatie van PTSS omdat er bij hem geen sprake is van afstomping. Zoals eerder gesteld in mijn brieven van 10 en 28 juli j.l. is er zeker een indicatie om een uitgebreidere (klinische) screening van betr. te doen waarbij naast een psychiatrisch onderzoek tevens een psychologisch onderzoek kan plaatsvinden, en waar onderzoek gedaan kan worden naar de optimale behandelmogelijkheden van de eventuele stoornis(sen) (...)' 1.8. De raadsman van [eiser] heeft een afschrift van zijn brief van 4 september 2008 aan de Minister van Justitie verzonden aan de directeur van het PSC. Hierin verzocht de raadsman om binnen 24 uur mede te delen dat [eiser] ex artikel 15 lid 5 Penitentiaire Beginselenwet (PBW) zal worden voorgedragen voor een daartoe geëigend instituut. Als reactie hierop heeft de directeur aan het Bureau Selectie en Detentie gevraagd een selectieadvies voor [eiser] te maken voor een individuele begeleidingsafdeling (IBA). Dit selectieadvies is op 8 september 2008 aan de selectiefunctionaris voorgelegd. 1.9. Ter zitting is gebleken dat de selectiefunctionaris heeft beslist dat [eiser] vanaf 19 september 2008 kan worden geplaatst op een IBA in Vught. 2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. [eiser] vordert de Staat te gelasten om onverwijld, en uiterlijk binnen 24 uur, [eiser] voor te dragen voor plaatsing/behandeling in Centrum 45, althans enig psychiatrisch ziekenhuis in de zin van artikel 15 lid 5 PBW. 2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig door zijn detentie te continueren en hem niet te laten behandelen in een psychiatrische kliniek in de zin van artikel 15 lid 5 PBW, onder meer omdat de Staat daarmee handelt in strijd met artikel 3 EVRM, het verbod op foltering. [eiser] lijdt als gevolg van de gebeurtenissen in de uitleveringsdetentie in Brazilië, waar hij ernstig is mishandeld en verkracht, aan een zeer ernstige PTSS. Deze PTSS is in hoge mate detentiegerelateerd. [eiser] verwijst in dat verband naar de rapportages van Van Marle. Er sprake van een medische noodzaak tot een adequate behandeling van het PTSS-complex van [eiser], welke niet in detentie maar in een psychiatrische kliniek dient plaats te vinden. Plaatsing op de IBA in Vught zoals de Staat ter zitting heeft voorgesteld, wijzigt niets aan het feit dat [eiser] ook dan in detentie zal verblijven, wat nu juist blijvende schade kan veroorzaken. Bovendien ontbreekt op een IBA de specialisatie en ervaring om de PTSS van [eiser] te behandelen. 2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. In deze procedure is aan de orde de vraag of de Staat onrechtmatig handelt, in het bijzonder in strijd met artikel 3 EVRM, jegens [eiser] door hem niet in een psychiatrische kliniek in de zin van artikel 15 lid 5 Penitentiaire Beginselenwet te doen opnemen en de detentie te continueren. 3.2. [eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de rapportages van Van Marle van 18 januari 2008 en 11 april 2008. De Staat voert daartegen aan dat de rapportages van Van Marle weliswaar aanleiding zijn geweest om [eiser] nader te onderzoeken op detentiegeschiktheid en wel door een psychiater van het NIFP, maar dat de in dat kader aangewezen psychiater Sikkens niet in de gelegenheid is geweest zich een oordeel te vormen over de detentiegeschiktheid van [eiser]. Aldus is er (nog) geen indicatie om [eiser] reeds in dit stadium naar een psychiatrische kliniek in de zin van artikel 15 lid 5 PBW over te plaatsen. 3.3. Gelet op de beperkte mogelijkheden in kort geding om deskundigen te raadplegen dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter de beslissing van het hof Den Haag van 15 april 2008 als uitgangspunt te worden genomen. Ter terechtzitting van 14 april 2008, welke zitting heeft geleid tot de beslissing van 15 april 2008, zijn zowel deskundigen van de zijde van de Staat als van de zijde van [eiser] gehoord. Het hof Den Haag heeft vervolgens overwogen dat het ervan uit wil gaan dat [eiser] lijdt aan detentiegerelateerde PTSS. De voorzieningenrechter ziet naar voorlopig oordeel geen aanleiding om anders te oordelen over de gezondheidstoestand van [eiser]. 3.4. Vervolgens komt dan aan orde de stelling van [eiser] dat behandeling van zijn aandoening, namelijk detentiegerelateerde PTSS, niet kan worden behandeld in detentie. Hij verwijst in dat kader naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 juni 2007, Novak t. Kroatië (8883/04), waarvan het hof Den Haag ten tijde van zijn beslissing d.d. 15 april 2008 kennelijk geen kennis heeft genomen, aldus [eiser]. Naar voorlopig oordeel kan dit betoog niet slagen. In de uitspraak 'Novak tegen Kroatië' van 14 juni 2007 heeft het EHRM kritiek geleverd op het ernstige gebrek aan adequate medische behandeling voor Novak, een gedetineerde die leed aan PTSS. Novak kreeg uitsluitend medicatie ter behandeling van de bij hem geconstateerde PTSS, terwijl daarnaast andere psychiatrische behandeling geïndiceerd was. Deze andere psychiatrische behandeling kon echter niet in het Kroatische detentieregime worden geboden. Het Kroatische detentieregime verschilt in die zin van het Nederlandse regime, aangezien andersoortige behandeling van psychiatrische problemen, bijvoorbeeld psychotherapie, in detentie in Nederland tot de mogelijkheden behoort. De zaak Novak is derhalve niet gelijk aan de onderhavige kwestie. Daar komt bij dat uit de correspondentie en uit het debat ter terechtzitting naar voren is gekomen dat verdere en uitgebreidere screening van [eiser], op basis waarvan onderzoek kan worden gedaan naar de optimale behandelmogelijkheden van de eventuele stoornis(sen) van [eiser], ook door de Staat geïndiceerd wordt geacht. Tegen deze achtergrond ziet de voorzieningenrechter aanleiding om evenmin af te wijken van het oordeel van het hof Den Haag d.d. 15 april 2008, daar waar het heeft geoordeeld dat: 'evenwel niet [kan] worden gezegd dat behandeling van deze stoornis in een detentiesituatie bij deze verdachte bij voorbaat onmogelijk is.' 3.5. [eiser] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij door de voorgenomen overplaatsing naar de IBA te Vught op korte termijn onherstelbare schade aan zijn gezondheid zal oplopen. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat vooralsnog niet kan worden geoordeeld dat de Staat onrechtmatig handelt, al dan niet in strijd met artikel 3 EVRM, door [eiser] niet te plaatsen in een psychiatrische kliniek in de zin van artikel 15 lid 5 PBW en de detentie te continueren. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen. 3.6. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. 4. De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst de vordering af; - veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 254,-- aan griffierecht; - verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2008. FVK/IB