Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF3162

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12947
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 5.1.e EVRM en oplegging tbs zonder advies strekkende daartoe van een deskundige. De opvatting dat een last tot tbs met dwangverpleging slechts kan worden gegeven indien (medische) deskundingen/specialisten adviseren dat een opname in een tbs-inrichting moet plaatsvinden, vindt geen steun in het recht. De beslissing tot tbs berust bij de rechter, die daartoe mede o.g.v. de ernst van het door verdachte gepleegde s.f. en de omstandigheden waaronder dit is begaan kan besluiten indien naar zijn oordeel aan de in art. 37a en 37 b Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Geen rechtsregel vereist dat de maatregel eerst kan worden opgelegd indien en vzv. die deskundigen opname in een tbs-inrichting met dwangverpleging adviseren. Het middel miskent dat de vrijheidsbeneming a.g.v. de rechterlijke beslissing tot oplegging van tbs niet slechts valt binnen de werkingssfeer van art. 5.1.e EVRM maar tevens binnen die van art. 5.1.a EVRM (vgl. EHRM 11 mei 2004, LJN AS5239).


Conclusie anoniem

Nr. S 07/12947 Mr Jörg Zitting 16 september 2008 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte] 1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 5 juli 2007 gelast dat verzoeker wegens de voortgezette handeling van, kort gezegd, diefstal met geweld en afpersing door twee of meer verenigde personen, en twee gevallen van diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen gepleegd, ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partijen toegewezen. 2. Namens verzoeker hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie. 3. Het eerste middel klaagt dat de op schrift gestelde pleitnotities van de raadsman d.d. 28 april 2006 zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding in hoger beroep bevinden, hetgeen nietigheid van 's hofs onderzoek en arrest met zich mee zou brengen. 4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 28 april 2006 blijkt noch dat de raadsman van verzoeker aan de hand van pleitnotities het woord tot verdediging heeft gevoerd noch dat hij deze heeft overgelegd aan het hof. Bij de stukken van het geding bevinden zich in het geheel geen pleitnotities die gedateerd zijn op 28 april 2006. 5. In de toelichting van het middel wordt echter gesteld dat de raadsman ter terechtzitting van het hof op 21 juni 2007 het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van 'een volgens het proces-verbaal terechtzitting aan dat proces-verbaal gehechte aanvullende pleitnotitie', waarin de volgende openingszin is opgenomen: "In aanvulling op de pleitnota van 28 april 2006 wil ik gaarne nog enkele opmerkingen maken met betrekking tot het onlangs verschenen rapport van het Pieter Baan Centrum (...)." 6. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting op 28 april 2006 als kenbron in cassatie geen melding maakt van door de raadsman op schrift gestelde en aan het hof overgelegde pleitnotities en deze (na navraag bij het hof)(1) ook niet teruggevonden kunnen worden bij de stukken van het geding, moet - anders dan de steller van het middel meent - ervan worden uitgegaan dat de raadsman van verzoeker op 28 april 2006 geen pleitnotities heeft overgelegd en dat deze zich dus ook niet bij de stukken hebben bevonden. 7. Hiervan uitgaande mist het eerste middel feitelijke grondslag, zodat het faalt. 8. Het tweede middel klaagt over schending van art. 5, eerste lid, EVRM doordat het hof ten onrechte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft opgelegd dan wel de oplegging van deze maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd. 9. In het bestreden arrest overweegt het hof met betrekking tot de strafbaarheid van de verzoeker en de oplegging van de tbs-maatregel onder meer het volgende: "Verdachte heeft geweigerd volledig medewerking te verlenen aan de onderzoeken door met name de gedragskundigen verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Als gevolg van deze weigering is het voor het Pieter Baan Centrum slechts zeer beperkt mogelijk gebleken om conclusies over de persoon van de verdachte te trekken en het hof te adviseren. Gelet op deze omstandigheid is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is om op de voet van het bepaalde in artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht ook te putten uit eerder over verdachte opgemaakte rapporten, ook al zijn deze eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting opgemaakt." 10. Hierna noemt het arrest de zich bij de stukken bevindende conclusies van de opgemaakte rapporten van vijf verschillende gedragsdeskundigen die verzoeker tussen februari 2005 en mei 2007 hebben onderzocht. Blijkens het zich bij de stukken van het geding bevindende Pro Justitia-rapport d.d. 30 mei 2007 luiden de gezamenlijke conclusies van C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, en A.C. Bruijns, psychiater, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, als volgt: "Ondanks weigering van betrokkene om mee te werken aan het onderzoek, zijn er voldoende observaties in het huidig onderzoek die het mogelijk maken om de eerder gestelde diagnoses te onderschrijven. Er is bij betrokkene sprake van een schizofrene stoornis, misbruik van cannabis en beperkte intellectuele capaciteiten. Eveneens is het ons duidelijk geworden dat voor de schizofrene stoornis medicamenteuze behandeling geïndiceerd is en, in verband met betrokkenes geringe intellectuele bagage, nadrukkelijke begeleiding nodig is. (...) Op basis van de combinatie van vroegere gegevens en onze eigen indruk kan worden gesteld dat zijn intelligentie zich waarschijnlijk beweegt in het grensgebeid van zwakbegaafd en (licht) zwakzinnig. (...) De weigering van betrokkene om mee te werken aan dit onderzoek heeft ook consequenties voor de gedragskundige inschatting van de doorwerking van de stoornis(sen) in de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. Het gevolg hiervan is dat advisering over de mate van toerekeningsvatbaarheid op basis van beperkt onderzoek niet mogelijk is. Wij achten het niet waarschijnlijk in verband met de ernst van de stoornissen in combinatie met zijn beperkte verstandelijke vermogens, dat betrokkene volledig toerekeningsvatbaar zou kunnen zijn. (...)" 11. Zoals blijkt uit deze Pro Justitia-rapportage hebben Van Deutekom en Bruijns de volgende eindconclusie genomen: "Samengevat luidt de eindconclusie van dit onderzoek dat de beperkingen van het onderzoek zijn ingegeven door de weigering van betrokkene, dat wij ondanks deze beperkingen de aard van de stoornissen hebben kunnen bepalen, maar dat het niet mogelijk is gedragskundig ondersteunde uitspraken te doen over de exacte hoedanigheden van die stoornissen, over de mate van beïnvloeding van het delinquente gedrag door die stoornissen en over het recidivegevaar op basis van diezelfde stoornissen. Daarom zijn wij ook niet in staat Uw College te adviseren omtrent een behandeling in een strafrechtelijk kader om de kans op herhaling in de toekomst te voorkomen of te beperken." 12. Na de weergave van de gedragskundige rapporten in het arrest vervolgt het hof zijn overwegingen: "Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande rechtens genoegzaam is komen vast te staan, dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van door schizofrenie aangetaste vermogens, met periodes waarin hij psychotisch is. Verdachte heeft zeer beperkte intellectuele capaciteiten op de grens van zwakbegaafd en licht zwakzinnig. Daar komt bij dat verdachte geen ziektebesef heeft en dat sprake is van misbruik van cannabis en alcohol. Verdachte heeft vanaf 1999, rond zijn 13e of 14e levensjaar, vrijwel aaneensluitend ofwel in detentie dan wel in opvangcentra gezeten. Zodra hij op vrije voeten kwam, recidiveerde hij binnen korte tijd. Onderhavige feiten heeft verdachte dan ook gepleegd tijdens een verlof van de psychiatrische afdeling van De Meren. Hij heeft nooit zelfstandig op enigszins normale wijze in de samenleving gefunctioneerd. Het hof is op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat aannemelijk is dat de bewezenverklaarde gedragingen verdachte op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verminderde mate kunnen worden toegerekend en dat hij slechts in beperkte mate in staat was om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Niet valt in te zien dat verdachte in de nabije toekomst wel in staat zal zijn af te zien van delinquent gedrag. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de kans dat verdachte, zonder langdurige behandeling en begeleiding, in de toekomst opnieuw ernstige strafbare feiten tegen personen of goederen zal plegen zeer groot is te noemen.Mede door het gebrek aan ziektebesef is verdachte niet bereid aan dergelijke behandeling en begeleiding mee te werken en is zulks slechts in een gesloten kader mogelijk. Alhoewel de gedragskundigen in hun rapportages niet hebben geadviseerd dat verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd, is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, de veiligheid van personen en goederen eist dat deze maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij." 13. Tenslotte overweegt het hof in het bijzonder ten aanzien van de oplegging van de tbs-maatregel nog als volgt: "De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan diefstallen met geweld en afpersing waarbij hij en zijn mededader de slachtoffers hebben bedreigd met messen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarnaast heeft zijn mededader een broekriem om de nek van een slachtoffer gedaan en daaraan getrokken en hebben verdachte en zijn mededader dit slachtoffer voorts geschopt en geslagen. Door aldus te handelen heeft verdachte op zeer ingrijpende wijze inbreuk op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers gemaakt en bij hen grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 juni 2007 is verdachte eerder veroordeeld ter zake van onder meer poging tot diefstal met geweld en diefstallen met geweld. Het hof acht, alles afwegende, een terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege passend en geboden. Anders dan de raadsman kennelijk meent kan niet volstaan worden met een deels voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf binnen welk kader ambulante behandeling van verdachte zou kunnen plaatsvinden. Daarvoor zijn naar het oordeel van het hof de problematiek van verdachte en de kans op herhaling van het plegen van ernstige strafbare feiten door verdachte te groot en zijn de bewezengeachte feiten te ernstig." 14. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de last tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in casu strijdig is met art. 5, eerste lid, EVRM, omdat - gelet op de jurisprudentie van het EHRM - deze tbs-maatregel met dwangverpleging wegens het ontbreken van een deskundigenadvies strekkende tot een dergelijke maatregel, opgevat moet worden als een willekeurige vrijheidsbeneming. In ieder geval zou de oplegging van deze maatregel daardoor onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zijn. 15. Ingevolge art. 37a, eerste lid, jo. art. 37, derde lid, Sr kan een zogenaamde weigerende observandus, waarvan in casu sprake is, slechts op last van de rechter ter beschikking worden gesteld nadat: 1. de psychische stoornis is vastgesteld, 2. voor zover mogelijk een rapport over de reden van de weigering is opgemaakt door gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk, en 3. zoveel mogelijk andere adviezen of rapporten omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de tbs-last aan de rechter zijn overgelegd. Aan deze voorwaarden is voldaan. 16. Gezien de tekst van art. 37a, vierde lid, Sr is de rechter niet gebonden aan het advies. Mitsdien kan de rechter de terbeschikkingstelling gelasten, ook als deze maatregel niet is geadviseerd. Het omgekeerde is eveneens mogelijk: de rechter ziet in weerwil van het advies af van de terbeschikkingstelling (Hofstee in T&C Sr, 6e, aant. 3b bij art. 37a alsmede: idem, TBS, 2e, p. 89; HR 7 september 2004, LJN AP2122 en HR 5 december 2006, LJN AZ0223). 17. In de onderhavige zaak heeft het hof de terbeschikkingstelling van de weigerende observandus gelast, terwijl deze maatregel door geen van de rapporteurs is geadviseerd. Ondanks het ontbreken van een tot plaatsing strekkend advies heeft het hof dus ambtshalve daartoe besloten, maar niet nadat het duidelijk en uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat het bewezenverklaarde verzoeker op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verminderde mate kan worden toegerekend (HR 9 januari 2001, NJ 2001, 112) en het bij deze vaststelling rekening heeft gehouden met hetgeen in de conclusies van de deskundigenrapportages omtrent de psychische gesteldheid en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verzoeker is gesteld (HR 4 januari 2000, NJ 2000, 226). 18. Gezien het bovenstaande kan moeilijk anders worden geconcludeerd dan dat 's hofs last tot terbeschikkingstelling in overeenstemming is met art. 5, eerste lid, EVRM. Ten eerste is voldaan aan de algemene vereisten die in deze bepaling worden genoemd in het eerste lid sub a, te weten dat er bij deze vrijheidsberoving sprake is van een rechtmatige detentie na veroordeling door een daartoe bevoegd gerecht. Dat in casu aan deze eerste algemene vereisten is voldaan wordt in cassatie niet betwist. Ten tweede wordt in het eerste lid sub e geëist dat deze vrijheidsbeneming dient te voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden, zoals die door de jaren heen door het EHRM zijn ontwikkeld: 1. "the individual concerned should not be deprived of his liberty unless he has been reliably shown to be of 'unsound mind'," 2. "the mental disorder must be of a kind or degree warranting compulsory confinement," en 3. "the validity of continued confinement depends upon the persistence of such a disorder" (EHRM 24 oktober 1979, nr. 6301/73, Winterwerp tegen Nederland). In de kern komt de klacht erop neer dat aan de tweede bijzondere voorwaarde niet is voldaan, omdat er geen deskundigenadvies is dat een rechtvaardiging geeft voor verplichte opname in een tbs-instelling. De steller van het middel erkent dat volgens de Nederlandse wet de rechter erover beslist of de stoornis de maatregel rechtvaardigt, maar betoogt dat die bevoegdheid neerkomt op een willekeurige vrijheidsbeneming en in strijd is met art. 5, eerste lid, EVRM indien zij niet wordt ondersteund door een (medische) verklaring met dezelfde strekking. 19. De opvatting dat de tbs-maatregel slechts kan worden opgelegd indien het deskundigenadvies zelf inhoudt dat de maatregel is gerechtvaardigd, vindt geen grondslag in het recht. Het advies dient ertoe duidelijkheid te krijgen over een eventuele geestelijke stoornis, de toerekeningsvatbaarheid en het risico dat de verdachte oplevert voor zichzelf en anderen. In beginsel dient er door een deskundige een stoornis te zijn vastgesteld. Maar de vraag of tbs met dwangverpleging de aangewezen maatregel is, is verder geheel aan de rechter. De rechter is dus in zoverre niet gebonden aan het deskundigenadvies en de wet staat er niet aan in de weg de maatregel op te leggen indien er volgens de deskundige geen of weinig behandelingsmogelijkheden zijn. Een andere opvatting is uit de door de steller van het middel aangehaalde rechtspraak over art. 5 EVRM niet af te leiden. De steller van het middel beroept zich op rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad (t.a.v. de BOPZ) waarin wordt overwogen dat voor het opleggen van een maatregel als tbs met dwangverpleging door een (medisch) deskundige moet worden vastgesteld dat de stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar van zodanige aard en ernst zijn dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is. Die overweging houdt echter niet meer in dan dat een deskundige een stoornis van een bepaalde aard en ernst moet vaststellen, niet dat de deskundige de maatregel gerechtvaardigd moet achten. Ook overigens behelst de toelichting op het middel geen duidelijke argumenten waarom een (medisch) deskundige die een stoornis heeft vastgesteld een beslissende stem dient te hebben in het al dan niet opleggen van tbs met dwangverpleging. 20. Het feit dat het hof in weerwil van de gedragskundige adviezen gekozen heeft voor de tbs-maatregel maakt die keuze niet willekeurig, aangezien het op grond van de Nederlandse wet daartoe bevoegd is en het wettelijk niet gebonden is aan dergelijke adviezen. Bovendien is die keuze van feitelijke aard en kan deze in cassatie niet op juistheid worden getoetst. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk, nu het uitdrukkelijk en toereikend heeft gemotiveerd waarom het de terbeschikkingstelling van verzoeker met verpleging van overheidswege gerechtvaardigd heeft geacht. 21. Het tweede middel faalt derhalve. 22. Het derde middel behelst de klacht dat het hof heeft nagelaten verzoeker een straf op te leggen, althans niet naar behoren heeft gemotiveerd waarom het geen straf heeft opgelegd. 23. Voor zover het middel klaagt over het gebrek aan een motivering op grond van art. 9a Sr jo. art. 359, vierde lid, Sv mist het feitelijke grondslag, nu blijkens het bestreden arrest het hof art. 9a Sr in het geheel niet heeft toegepast. Het hof heeft de oplegging van de tbs-maatregel daarentegen genoegzaam gegrond op art. 37a en 37b Sr. Ook de klacht dat bij toepassing van art. 9a Sr geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr kan worden opgelegd, mist daarom dezelfde grondslag. 24. Verder richt het middel zich tegen het ontbreken van motivering voor de loutere oplegging van de tbs-maatregel en het niet opleggen van enige straf. Dit terwijl verzoeker in eerste aanleg tot vijf jaar gevangenisstraf was veroordeeld, hij in hoger beroep gedeeltelijk toerekeningsvatbaar is verklaard, in die procesfase de advocaat-generaal tegen hem een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar heeft geëist en de raadsman namens hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een gedwongen ambulante psychiatrische behandeling heeft bepleit. 25. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, kan de rechter bij het geven van een last tot terbeschikkingstelling ingevolge art. 37a, eerste en tweede lid, Sr afzien van het opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend. In casu heeft het hof dan ook niet in strijd met die bepaling beslist door verzoeker uitsluitend de tbs-maatregel op te leggen en door af te zien van enige straf. 26. De vraag is echter of het hof zijn 'afwijkende' beslissing voldoende heeft gemotiveerd. De controle op de motivering van de opgelegde straf of maatregel is - indien geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht - in cassatie verder slechts marginaal. Dat betekent dat de Hoge Raad nagaat of zich een geval voordoet waarop de rechter behoorde te responderen. De toetsing van de inhoud van de respons zal vaak niet verder kunnen gaan dan op begrijpelijkheid, aangezien vele aspecten die met de straftoemeting verbonden zijn niet als juist dan wel onjuist kunnen worden gekwalificeerd. Indien geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ligt de ondergrens voor het toezicht door de Hoge Raad bij het zogenaamde verbazingscriterium (Nijboer in T&C Sv, 6e, aant. 8a bij art. 359 Sv). Mijns inziens is 's hofs beslissing niet zodanig afwijkend dat het de oplegging van enkel en alleen de tbs-maatregel onbegrijpelijk dan wel verbazingwekkend maakt. Weliswaar wijkt deze beslissing af van zowel de veroordeling in eerste aanleg als de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman in hoger beroep, maar het hof heeft in zijn overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van de verzoeker en de oplegging van de tbs-maatregel voldoende redenen opgegeven die tot die beslissing hebben geleid. Zo heeft het hof, zoals reeds bij bovenstaande bespreking van het tweede middel is gebleken, duidelijk en uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het - i.t.t. de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman - de terbeschikkingstelling van verzoeker met verpleging van overheidswege passend en geboden heeft geacht. De klacht dat de loutere oplegging van de tbs-maatregel en het niet opleggen van enige straf ongemotiveerd, onbegrijpelijk of zelfs verbazingwekkend zou zijn, is dus ongegrond. 27. Tenslotte is het middel gericht tegen de door het hof opgelegde combinatie van de enkele tbs-maatregel en de schadevergoedingsmaatregelen ex art. 36f Sr. 28. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de volgende beslissingen genomen: "Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven. (...) Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar. Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd." 29. Voorts heeft het hof de vorderingen toegewezen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (tot een bedrag van € 500,00), [benadeelde partij 2] (tot een bedrag van € 655,00) en [benadeelde partij 3] (tot een bedrag van € 800,00) en aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling van deze sommen gelds aan de staat ten behoeve van benadeelde partijen. 30. De vraag is dus of de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gecombineerd kan worden met de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partijen. Van belang hierbij is om vast te stellen wanneer een schadvergoedingsmaatregel ex. art. 36f Sr kan worden opgelegd. Art. 36f Sr - voor zover hier van belang - luidt als volgt: "1. Bij een rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld, kan hem de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer. 2. De rechter kan de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht. 3. De maatregel kan te zamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd." 31. In HR 12 oktober 2004, LJN AO3233 (zie ook HR 7 februari 2006, LJN AU5787) heeft Uw Raad het volgende overwogen, voor zover thans van belang: "5.3. De wet bepaalt in welke gevallen straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd. In de regel is daarvoor nodig dat de verdachte wordt veroordeeld, dat wil zeggen dat de rechter het feit bewezen en strafbaar en de verdachte strafbaar acht. Bij sommige maatregelen is dat niet het geval. Zo kan ingevolge art. 36b Sr een onttrekking aan het verkeer ook buiten het geval van een veroordeling worden toegepast. De wettelijke voorwaarde voor de oplegging van een zogenoemde schadevergoedingsmaatregel is dat de verdachte wegens een strafbaar feit "wordt veroordeeld". Art. 36e, eerste lid, Sr behelst voor de maatregel van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook die voorwaarde. De bewoordingen van art. 36f, eerste lid, Sr laten dus niet toe dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd in het geval dat de verdachte, zoals hier, van alle rechtsvervolging is ontslagen. De wetsgeschiedenis dwingt ook niet tot de conclusie dat de term "veroordeeld" - in strijd met de gangbare terminologie - in art. 36f, eerste lid, Sr een andere inhoud heeft dan elders in de wet. Daaraan kan niet afdoen hetgeen in art. 36f, derde lid, Sr is bepaald omtrent de mogelijkheid om de schadevergoedingsmaatregel met andere maatregelen te combineren. Opmerking verdient in dit verband nog dat art. 37 Sr niet voorziet in de mogelijkheid van een combinatie van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis met andere maatregelen. Bij de Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 waarbij art. 36f in het Wetboek van Strafrecht is ingevoegd, is art. 37 Sr niet gewijzigd, terwijl uit de parlementaire geschiedenis van die wet geen aanwijzingen te putten zijn dat de wetgever een dergelijke combinatie voor ogen heeft gehad. Aan het voorgaande kan evenmin afdoen dat in art. 361, tweede lid, Sv voor wat betreft de - civiele - vordering van de benadeelde partij op de verdachte is bepaald dat een voorwaarde voor de ontvankelijkheid daarvan is dat de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd dan wel toepassing wordt gegeven aan art. 9a Sr, zodat een dergelijke vordering ook kan worden toegewezen indien de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging maar hem een maatregel is opgelegd." 32. Ingevolge art. 36f, derde lid, Sr kan de schadevergoedingsmaatregel gecombineerd worden met andere strafrechtelijke maatregelen. Als strikte voorwaarde geldt hierbij wel dat een schadevergoedingsmaatregel alleen kan worden opgelegd indien de verdachte "wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld" (eerste lid). Zoals blijkt uit het zojuist geciteerde arrest laten deze bewoordingen niet toe dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ingeval de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging met last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex art. 37, eerste lid, Sr (Hofstee in T&C Sr, 6e, aant. 5a bij art. 36f). 33. In casu is echter wel sprake van een veroordeling als bedoeld in art. 36f, eerste lid, Sr. De eerste drie vragen van art. 350 Sv zijn immers positief beantwoord door het hof: het tenlastegelegde feit is bewezen verklaard, het feit is strafbaar en verzoeker is strafbaar. Er is dus sprake van vrijspraak noch ontslag van alle rechtvervolging. In dit geval verzet de wet zich geenszins tegen de cumulatie van de schadevergoedingsmaatregel en de last tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Ik voel mij gesteund door wat P.A.M. Mevis stelt in Hoofdlijnen van het strafrechtelijk sanctiestelsel, 2e, p. 67: "De mogelijkheid van het gezamenlijk opleggen van straffen en maatregelen wordt overigens wel beperkt door de aard van de desbetreffende maatregel. De plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan alleen worden gelast als de verdachte wegens ontoerekeningsvatbaarheid wordt ontslagen van rechtsvervolging of vrijgesproken (art. 37, eerste lid Sr). Ook terbeschikkingstelling kan bij ontslag van alle rechtsvervolging worden gelast. Alsdan vindt geen veroordeling plaats, zodat toepassing van art. 36f (schadevergoeding) niet mogelijk is." Hieruit kan a contrario worden afgeleid dat toepassing van art. 36f Sr wel mogelijk is indien een veroordeling plaatsvindt en de gedeeltelijk toerekeningsvatbare verdachte ter beschikking wordt gesteld. 's Hofs oordeel dat de enkele tbs-maatregel ex art. 37b Sr gecombineerd kan worden met de schadevergoedingsmaatregelen ex art. 36f Sr geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 34. Het derde middel faalt dus ook. 35. Gronden waarop Uw Raad de bestreden beslissing ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen. 36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Namens mij is aan de strafgriffie van het hof Amsterdam navraag gedaan naar de bewuste pleitnotities. Door de griffie is bevestigd dat deze zich niet in de stukken van het geding bevinden.


Uitspraak

20 januari 2009 Strafkamer nr. 07/12947 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2007, nummer 23/004929-05, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Amsterdam, locatie Het Schouw" te Amsterdam. 1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 2. Beoordeling van het eerste en het derde middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat de last tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in strijd met art. 5, eerste lid onder e, EVRM is gegeven, nu deze als een willekeurige vrijheidsbeneming moet worden beschouwd aangezien een advies van een (medisch) deskundige en/of specialist strekkende tot een dergelijke opname ontbreekt. 3.2.1. Het Hof heeft zijn oordeel over het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling mede gebaseerd op rapporten van gedragsdeskundigen. Die rapporten betreffen het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte, de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, de kans dat hij in herhaling vervalt en diens behandelbaarheid. In die rapporten is niet geadviseerd tot oplegging van de maatregel. 3.2.2. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een last tot terbeschikkingstelling slechts kan worden gegeven indien (medisch) deskundigen en/of specialisten adviseren dat een opname van de verdachte in een tbs-inrichting moet plaatsvinden, vindt geen steun in het recht. De beslissing tot het opleggen van terbeschikkingstelling berust bij de rechter, die daartoe mede op grond van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, kan besluiten indien naar zijn oordeel aan de in de art. 37a en 37b Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Geen rechtsregel vereist dat de maatregel eerst kan worden opgelegd indien en voor zover die deskundigen opname in een tbs-inrichting met dwangverpleging adviseren. Het middel miskent dat de vrijheidsbeneming die het gevolg is van de rechterlijke beslissing tot oplegging van de terbeschikkingstelling niet slechts valt binnen de werkingssfeer van art. 5, eerste lid onder e, EVRM maar tevens binnen die van art. 5, eerste lid onder a, EVRM (vgl. EHRM 11 mei 2004, nr. 49902/99 (Brand tegen Nederland), LJN AS5239, NJ 2005, 57). 3.3. Het middel faalt. 4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De Hoge Raad doet in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 januari 2009. Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.