
Jurisprudentie
BF3060
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805279/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805279/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Derdelander, die relatie heeft met EU-onderdaan, maar geen geregistreerd partnerschap, kan niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan Richtlijn 2004/38/EG ontlenen / derdelander moet aan vereisten voldoen / mogelijkheid om aan vereisten te voldoen staat niet aan inbewaringstelling in de weg
De vreemdeling kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij op grond van de enkele aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument op de voet van artikel 8.13 van het Vb 2000 dient te worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de vreemdeling en zijn partner. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de vreemdeling geen familielid is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn schrijft de lidstaten slechts voor, overeenkomstig hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een duurzaam bewezen relatie heeft te vergemakkelijken. Aan die bepaling wordt in de Richtlijn echter geen nadere invulling gegeven, zodat de vreemdeling niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen, maar daarvoor is aangewezen op het nationale recht van de desbetreffende lidstaat. [...] Gelet op artikel 8.11, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, is voor rechtmatig verblijf op de voet van eestgenoemd artikellid vereist dat de desbetreffende vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Niet in geschil is dat het paspoort van de vreemdeling is voorzien van een valse verlenging, zodat hij niet aan dat vereiste voldoet. Dat de vreemdeling op grond van artikel 8.8, vierde lid, van het Vb 2000 de mogelijkheid dient te worden geboden binnen een redelijke termijn alsnog een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen alvorens te kunnen worden uitgezet, staat aan de inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet in de weg, omdat de vreemdeling op het moment van de inbewaringstelling niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had op de voet van artikel 8.11 van het Vb 2000. Nu voorts niet in geschil is dat de gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de vreemdeling op 14 juni 2008 ten onrechte in bewaring is gesteld.
De vreemdeling kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij op grond van de enkele aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument op de voet van artikel 8.13 van het Vb 2000 dient te worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de vreemdeling en zijn partner. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de vreemdeling geen familielid is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn schrijft de lidstaten slechts voor, overeenkomstig hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een duurzaam bewezen relatie heeft te vergemakkelijken. Aan die bepaling wordt in de Richtlijn echter geen nadere invulling gegeven, zodat de vreemdeling niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen, maar daarvoor is aangewezen op het nationale recht van de desbetreffende lidstaat. [...] Gelet op artikel 8.11, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, is voor rechtmatig verblijf op de voet van eestgenoemd artikellid vereist dat de desbetreffende vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Niet in geschil is dat het paspoort van de vreemdeling is voorzien van een valse verlenging, zodat hij niet aan dat vereiste voldoet. Dat de vreemdeling op grond van artikel 8.8, vierde lid, van het Vb 2000 de mogelijkheid dient te worden geboden binnen een redelijke termijn alsnog een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen alvorens te kunnen worden uitgezet, staat aan de inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet in de weg, omdat de vreemdeling op het moment van de inbewaringstelling niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had op de voet van artikel 8.11 van het Vb 2000. Nu voorts niet in geschil is dat de gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de vreemdeling op 14 juni 2008 ten onrechte in bewaring is gesteld.
Uitspraak
200805279/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B],
appellanten,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/21733 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2008 in het geding tussen:
[appellant A]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2008 is [appellant A] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 2 juli 2008, verzonden op 3 juli 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve wordt het volgende overwogen.
2.1.1. De aangevallen uitspraak heeft slechts betrekking op het door de vreemdeling ingestelde beroep. Door deze uitspraak wordt [appellante B] niet rechtstreeks in haar belangen geraakt, zodat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan worden aangemerkt.
2.1.2. Het hoger beroep, voor zover door [appellante B] ingesteld, is derhalve niet-ontvankelijk.
2.2. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder 'familielid': a) de echtgenoot;
b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met het huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.
Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 EG/EER van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met de vreemdeling heeft.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.
Ingevolge artikel 8.8, vierde lid, wordt een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, niet uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten vaststellen of bewijzen dat hij recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
Volgens paragraaf B2/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, kan het bestaan van een duurzame en een exclusieve relatie worden aangetoond door de ondertekening van een relatieverklaring door beide partners (bijlage 13 VV). Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden. Deze verklaring vormt echter geen onweerlegbaar bewijs. De aanvraag wordt, ongeacht de ondertekening van de relatieverklaring, afgewezen indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie, aldus deze paragraaf.
Volgens paragraaf B10/5, voor zover thans van belang, geldt, dat voor het verblijf van de partner in de zin van artikel 8.7, derde lid, onder f (lees: artikel 8.7, vierde lid) van het Vb 2000, deugdelijk bewijs van de duurzame relatie (relatieverklaring) moet bestaan. Bij twijfel omtrent het bestaan van de familierechtelijke relatie of omtrent de afhankelijke positie van het familielid, moet contact worden opgenomen met het Ministerie van Justitie, aldus deze paragraaf.
2.3. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij niet kan worden aangemerkt als familielid in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn en derhalve niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen. Daartoe voert hij onder meer aan dat hij, gelet op de aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 8.13 van het Vb 2000 die hij op 11 juni 2008 heeft ingediend, als gemeenschapsonderdaan aangemerkt dient te worden en dat hij duurzaam partner is van een burger van de Unie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn, op grond waarvan hij binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn valt.
2.3.1. De vreemdeling kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij op grond van de enkele aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument op de voet van artikel 8.13 van het Vb 2000 dient te worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de vreemdeling en zijn partner. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de vreemdeling geen familielid is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn schrijft de lidstaten slechts voor, overeenkomstig hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een duurzaam bewezen relatie heeft te vergemakkelijken. Aan die bepaling wordt in de Richtlijn echter geen nadere invulling gegeven, zodat de vreemdeling niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen, maar daarvoor is aangewezen op het nationale recht van de desbetreffende lidstaat.
De grief faalt.
2.4. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met het enkele overleggen van een relatieverklaring de duurzame relatie tussen hem en [appellante B] niet deugdelijk bewezen is. De rechtbank heeft aldus miskend dat hij, naast de relatieverklaring, meer documenten heeft overgelegd om de duurzame relatie aan te tonen. Voorts wijst de vreemdeling op paragraaf B2/4.2 van de Vc 2000, waaruit volgt dat een relatieverklaring in beginsel onomstotelijk bewijs vormt voor het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie.
2.4.1. Vaststaat dat de vreemdeling een relatieverklaring heeft overgelegd. Die verklaring is zowel door hem als door zijn partner ondertekend. Voorts bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake zou zijn van een schijnrelatie en heeft evenmin contact plaatsgevonden met het Ministerie van Justitie, zoals in paragraaf B10/5 van de Vc 2000 is voorgeschreven indien sprake is van twijfel, zo deze paragraaf al betrekking heeft op de duurzame relatie tussen een burger van de Unie en diens partner, afkomstig uit een derde land.
Onduidelijk, en in de aangevallen uitspraak niet nader gemotiveerd, is op grond van welke bepalingen in het Vb 2000 of beleidsregels uit de Vc 2000 de rechtbank aanleiding heeft gezien om, onder deze omstandigheden, te overwegen dat het overleggen van de door beide partners ondertekende relatieverklaring niet volstaat om het bestaan van een duurzame relatie deugdelijk bewezen te achten.
2.4.2. Hoewel de in de grief vervatte klacht in zoverre terecht is voorgedragen, kan dat niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Gelet op artikel 8.11, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, is voor rechtmatig verblijf op de voet van eestgenoemd artikellid vereist dat de desbetreffende vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Niet in geschil is dat het paspoort van de vreemdeling is voorzien van een valse verlenging, zodat hij niet aan dat vereiste voldoet.
Dat de vreemdeling op grond van artikel 8.8, vierde lid, van het Vb 2000 de mogelijkheid dient te worden geboden binnen een redelijke termijn alsnog een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen alvorens te kunnen worden uitgezet, staat aan de inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet in de weg, omdat de vreemdeling op het moment van de inbewaringstelling niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had op de voet van artikel 8.11 van het Vb 2000. Nu voorts niet in geschil is dat de gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de vreemdeling op 14 juni 2008 ten onrechte in bewaring is gesteld.
2.5. Hetgeen de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd kan, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. en 2.4.1. is overwogen, evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het door [appellante B] ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van de Kolk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
343-562.
Verzonden: 17 september 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak