
Jurisprudentie
BF2995
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200705250/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200705250/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Noord Irak / provincie Duhok / herhaalde aanvraag / artikel 15c Dri / geen binnenlands gewapend conflict ten tijde van bestreden besluit / hetgeen overigens is aangevoerd is niet relevant in de zin van artikel 83 Vw
Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn is voor de vreemdeling slechts relevant, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk, van waaruit hij afkomstig is, sprake was van een binnenlands gewapend conflict dan wel dat daar op dat moment sprake was van gevolgen voor hem van een elders in Irak bestaand conflict. Uit voormeld ambtsbericht van december 2006 noch uit het rapport van UNAMI kan worden afgeleid dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk sprake was van een gewapend conflict, als hiervoor onder 2.4.2. bedoeld. In deze stukken wordt, voor zover thans van belang, juist vermeld dat de veiligheidssituatie in de KRG-gebieden relatief stabiel is. De informatie, vervat in voormeld rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe en het UNHCR-rapport van september 2007, dat de veiligheidssituatie in de provincie Dohuk onvoorspelbaar is, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat daaruit niet is af te leiden dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit een georganiseerde gewapende groep het grondgebied van Irak gedeeltelijk beheerste op een zodanige wijze dat zij in staat was in deze provincie militaire operaties in vorenbedoelde zin uit te voeren. Voormelde uitspraken van 11 en 24 april 2008 bevatten geen informatie waaruit het bestaan van een binnenlands gewapend conflict in die provincie kan worden afgeleid. Voormelde uitspraken van 28 en 30 november 2006 bevatten geen informatie over de situatie in de provincie Dohuk ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006. Dit geldt evenzeer voor de uitspraak van 7 december 2006; deze ziet bovendien op een Afghaanse vreemdeling. Aldus heeft de vreemdeling niet aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit in de provincie Dohuk sprake was van een binnenlands gewapend conflict, als vorenbedoeld. Dat de gevolgen van een gewapend conflict, in de zin van voormelde bepaling, elders in Irak zich op dat moment in de provincie Dohuk deden gevoelen, is door de vreemdeling evenmin aangetoond. Voor zover de vreemdeling in zijn brief van 1 juli 2008, alsmede ter zitting op 7 juli 2008 - onder verwijzing naar, onder meer, voormeld UNHCR rapport van september 2007 en voormelde uitspraak van 11 april 2008 - heeft aangevoerd dat ná de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006 in de provincie Dohuk een gewapend conflict is ontstaan, aangezien het Turkse leger daar, in het bijzonder in februari 2008, militaire operaties heeft uitgevoerd tegen leden van de Partiya Karkerên Kurdistan, wordt als volgt overwogen. Voor zover in de provincie Dohuk met de militaire operaties in februari 2008 sprake zou zijn geweest van een gewapend conflict, heeft de vreemdeling op geen enkele wijze aangetoond dat zich in die provincie thans nog steeds zodanig conflict voordoet. Evenmin heeft hij aangetoond dat daar thans sprake is van gevolgen voor hem van een elders bestaand gewapend conflict. Het aldus aangevoerde kan daarom niet als relevant in de zin van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt, zodat de Afdeling het niet bij haar beoordeling kan betrekken. Gezien het vorenoverwogene, valt de vreemdeling niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Derhalve is deze bepaling voor hem geen relevante wijziging van het recht.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn is voor de vreemdeling slechts relevant, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk, van waaruit hij afkomstig is, sprake was van een binnenlands gewapend conflict dan wel dat daar op dat moment sprake was van gevolgen voor hem van een elders in Irak bestaand conflict. Uit voormeld ambtsbericht van december 2006 noch uit het rapport van UNAMI kan worden afgeleid dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk sprake was van een gewapend conflict, als hiervoor onder 2.4.2. bedoeld. In deze stukken wordt, voor zover thans van belang, juist vermeld dat de veiligheidssituatie in de KRG-gebieden relatief stabiel is. De informatie, vervat in voormeld rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe en het UNHCR-rapport van september 2007, dat de veiligheidssituatie in de provincie Dohuk onvoorspelbaar is, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat daaruit niet is af te leiden dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit een georganiseerde gewapende groep het grondgebied van Irak gedeeltelijk beheerste op een zodanige wijze dat zij in staat was in deze provincie militaire operaties in vorenbedoelde zin uit te voeren. Voormelde uitspraken van 11 en 24 april 2008 bevatten geen informatie waaruit het bestaan van een binnenlands gewapend conflict in die provincie kan worden afgeleid. Voormelde uitspraken van 28 en 30 november 2006 bevatten geen informatie over de situatie in de provincie Dohuk ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006. Dit geldt evenzeer voor de uitspraak van 7 december 2006; deze ziet bovendien op een Afghaanse vreemdeling. Aldus heeft de vreemdeling niet aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit in de provincie Dohuk sprake was van een binnenlands gewapend conflict, als vorenbedoeld. Dat de gevolgen van een gewapend conflict, in de zin van voormelde bepaling, elders in Irak zich op dat moment in de provincie Dohuk deden gevoelen, is door de vreemdeling evenmin aangetoond. Voor zover de vreemdeling in zijn brief van 1 juli 2008, alsmede ter zitting op 7 juli 2008 - onder verwijzing naar, onder meer, voormeld UNHCR rapport van september 2007 en voormelde uitspraak van 11 april 2008 - heeft aangevoerd dat ná de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006 in de provincie Dohuk een gewapend conflict is ontstaan, aangezien het Turkse leger daar, in het bijzonder in februari 2008, militaire operaties heeft uitgevoerd tegen leden van de Partiya Karkerên Kurdistan, wordt als volgt overwogen. Voor zover in de provincie Dohuk met de militaire operaties in februari 2008 sprake zou zijn geweest van een gewapend conflict, heeft de vreemdeling op geen enkele wijze aangetoond dat zich in die provincie thans nog steeds zodanig conflict voordoet. Evenmin heeft hij aangetoond dat daar thans sprake is van gevolgen voor hem van een elders bestaand gewapend conflict. Het aldus aangevoerde kan daarom niet als relevant in de zin van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt, zodat de Afdeling het niet bij haar beoordeling kan betrekken. Gezien het vorenoverwogene, valt de vreemdeling niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Derhalve is deze bepaling voor hem geen relevante wijziging van het recht.
Uitspraak
200705250/1.
Datum uitspraak: 19 september 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/61549 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 juni 2007 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 juni 2007, verzonden op 27 juni 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris heeft, bij brief van 3 augustus 2007, een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft, bij brief van 6 augustus 2007, een nader stuk ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling, bij brief van 1 juli 2008, nadere stukken ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de staatssecretaris, bij brief van 1 juli 2008, een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, advocaat te ’s Gravenhage, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De staatssecretaris heeft het hoger beroep niet binnen de bij artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) daartoe gestelde termijn van één week ingesteld. Nu het hoger beroep wel is ingesteld binnen de termijn die is vermeld in de aan de uitspraak van 21 juni 2007 toegevoegde rechtsmiddelenvoorlichting, kan - zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 september 2003 in zaak nr. 200304946/1, JV 2003/483) - anders dan de vreemdeling heeft betoogd, redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de staatssecretaris daarmee in verzuim is geweest.
2.2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl).
Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.
2.2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
2.2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 16 maart 2003, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 19 september 2005 heeft de minister, voor zover thans van belang, deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 18 december 2006 is van gelijke strekking als dat van 19 september 2005, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.
2.2.4. Door te overwegen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn) van de Raad van de Europese Unie een wijziging van het recht is en daarin reeds aanleiding te zien het besluit van 18 december 2006 te toetsen en te vernietigen, heeft de rechtbank niet onderkend dat zij, gezien het hiervoor onder 2.2.1. vermelde beoordelingskader, eerst diende te bezien of deze bepaling voor de vreemdeling relevant is.
2.3. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
2.4. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 12 december 2006, ten grondslag gelegd dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn een voor hem relevante wijziging van het recht is. Zijn stelling, dat in de provincie Dohuk ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict, heeft de vreemdeling nader toegelicht door te verwijzen naar:
- het algemeen ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2006,
- het rapport "Human Rights Report 1 January - 31 March 2007" van de United Nations Assistance Mission for Iraq (hierna: UNAMI),
- het artikel "Irak Update" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 22 mei 2007,
- het rapport "Governorate assessment report Dahuk governorate" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) van september 2007,
- een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem van 11 april 2008 in zaak nrs. 08/6416, en 08/6417, en
- een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 24 april 2008 in zaak nr. 08/11563.
Ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn heeft de vreemdeling voorts verwezen naar:
- een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 november 2006 in zaak nr. 06/55252,
- een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 30 november 2006 in zaak nrs. 06/54962 en 06/54963, en
- een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 7 december 2006 in zaak nrs. 06/56728 en 06/56730.
2.4.1. Ook indien - zoals de vreemdeling onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2007 in zaak nr. 06/51459, heeft betoogd - artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn een wijziging van het recht zou inhouden, hetgeen overigens in het midden moet blijven, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2008 in zaak nr. 200701108/1, www.raadvanstate.nl, dat een vreemdeling, ten aanzien van wie na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen en die afkomstig is uit een land waar zich, naar door hem gesteld, een binnenlands gewapend conflict voordoet, eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn valt en deze bepaling derhalve voor hem relevant is, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict in het deel van het land, van waaruit hij afkomstig is, dan wel dat op dat moment in dat deel sprake was van gevolgen voor hem van een elders in dat land bestaand gewapend conflict.
2.4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2007 in zaak nr. 200608939/1, www.raadvanstate.nl, is in ieder geval sprake van een binnenlands gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, indien een gewapend conflict plaatsvindt op het grondgebied van een land tussen de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land en een andere georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel die het grondgebied van dat land gedeeltelijk beheerst op een zodanige wijze dat zij in staat is aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Uit voormelde uitspraak van 3 april 2008 volgt dat ook sprake is van een binnenlands gewapend conflict, indien een gewapend conflict plaatsvindt op het grondgebied van een land tussen georganiseerde gewapende groepen, als hiervoor bedoeld, zonder dat de strijdkrachten van de autoriteiten daarbij zijn betrokken.
2.4.3. De vreemdeling heeft in het kader van zijn eerdere procedure verklaard dat hij vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek uit Irak op 26 februari 2003 heeft gewoond in de provincie Dohuk, dat onder het bestuur van de Koerdistan Regional Government (hierna: KRG) valt, en derhalve afkomstig is uit Noord-Irak. Deze verklaring is in die procedure onbestreden gebleven. Nu de vreemdeling in de onderhavige procedure terzake geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, moet deze verklaring thans - voor de beantwoording van de vraag of artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn een voor hem relevante wijziging van het recht is - als in rechte vaststaand worden aangenomen.
2.4.4. Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn is voor de vreemdeling slechts relevant, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk, van waaruit hij afkomstig is, sprake was van een binnenlands gewapend conflict dan wel dat daar op dat moment sprake was van gevolgen voor hem van een elders in Irak bestaand conflict.
Uit voormeld ambtsbericht van december 2006 noch uit het rapport van UNAMI kan worden afgeleid dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit in de provincie Dohuk sprake was van een gewapend conflict, als hiervoor onder 2.4.2. bedoeld. In deze stukken wordt, voor zover thans van belang, juist vermeld dat de veiligheidssituatie in de KRG-gebieden relatief stabiel is. De informatie, vervat in voormeld rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe en het UNHCR-rapport van september 2007, dat de veiligheidssituatie in de provincie Dohuk onvoorspelbaar is, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat daaruit niet is af te leiden dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit een georganiseerde gewapende groep het grondgebied van Irak gedeeltelijk beheerste op een zodanige wijze dat zij in staat was in deze provincie militaire operaties in vorenbedoelde zin uit te voeren. Voormelde uitspraken van 11 en 24 april 2008 bevatten geen informatie waaruit het bestaan van een binnenlands gewapend conflict in die provincie kan worden afgeleid. Voormelde uitspraken van 28 en 30 november 2006 bevatten geen informatie over de situatie in de provincie Dohuk ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006. Dit geldt evenzeer voor de uitspraak van 7 december 2006; deze ziet bovendien op een Afghaanse vreemdeling. Aldus heeft de vreemdeling niet aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit in de provincie Dohuk sprake was van een binnenlands gewapend conflict, als vorenbedoeld. Dat de gevolgen van een gewapend conflict, in de zin van voormelde bepaling, elders in Irak zich op dat moment in de provincie Dohuk deden gevoelen, is door de vreemdeling evenmin aangetoond.
Voor zover de vreemdeling in zijn brief van 1 juli 2008, alsmede ter zitting op 7 juli 2008 - onder verwijzing naar, onder meer, voormeld UNHCR rapport van september 2007 en voormelde uitspraak van
11 april 2008 - heeft aangevoerd dat ná de totstandkoming van het besluit van 18 december 2006 in de provincie Dohuk een gewapend conflict is ontstaan, aangezien het Turkse leger daar, in het bijzonder in februari 2008, militaire operaties heeft uitgevoerd tegen leden van de Partiya Karkerên Kurdistan, wordt als volgt overwogen. Voor zover in de provincie Dohuk met de militaire operaties in februari 2008 sprake zou zijn geweest van een gewapend conflict, heeft de vreemdeling op geen enkele wijze aangetoond dat zich in die provincie thans nog steeds zodanig conflict voordoet.
Evenmin heeft hij aangetoond dat daar thans sprake is van gevolgen voor hem van een elders bestaand gewapend conflict. Het aldus aangevoerde kan daarom niet als relevant in de zin van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt, zodat de Afdeling het niet bij haar beoordeling kan betrekken.
Gezien het vorenoverwogene, valt de vreemdeling niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Derhalve is deze bepaling voor hem geen relevante wijziging van het recht.
2.5. Voorts heeft de vreemdeling aan zijn aanvraag van 12 december 2006, ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat hij blijkens een faxbericht van een vriend heeft te vrezen voor eerwraak van de zijde van de vader van zijn toenmalige vriendin.
2.5.1. Het door de vreemdeling overgelegde faxbericht is niet afkomstig van een objectieve bron van informatie. Bovendien bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling zijn vrees voor eerwraak niet eerder naar voren had kunnen en derhalve had moeten brengen, aangezien hij, blijkens pagina 4 van het rapport van het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 12 december 2006, heeft verklaard dat hij reeds toen hij Irak verliet, wist dat hij problemen zou kunnen krijgen met de vader van zijn toenmalige vriendin. Het aldus aangevoerde kan derhalve niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
2.6. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangetoond dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45, is voor rechterlijke toetsing van het besluit van 18 december 2006 geen plaats. Het beroep dient reeds hierom ongegrond te worden verklaard.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 juni 2007 in zaak nr. 06/61549;
III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van Loo
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008
418.
Verzonden: 19 september 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak