Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2994

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 08/2657
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

CAO Uitzendkrachten 2004-2009. Afwijzing van verzoek om dispensatie als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en verzoeken om algemeen verbindendverklaring. Verweerder heeft de afwijzing gebaseerd op termijnoverschrijding bij de indiening van het verzoek om dispensatie. Beroep van verzoekers op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding faalt, nu de hier relevante wetgeving geen mogelijkheid biedt om een uitzondering te maken op het dwingend geformuleerde voorschrift van artikel 2:7, derde lid, van het Besluit.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummers: AWB 08/2657 Uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2008 inzake de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid 1. Please Payroll B.V., 2. Please B.V., 3. Please Flex B.V., 4. Please Nederland B.V., 5. Please Employ B.V., 6. Please Call B.V. allen te Helmond, verzoeksters, gemachtigde mr. D. van Tilborg, tegen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, gemachtigde mr. G.A. Sneller-Jonkers. Op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben aan het geding deelgenomen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Algemene Bond van Uitzendondernemingen, te Amsterdam (hierna te noemen: ABU), gemachtigde mr. G.A. Tsiris, alsmede de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid FNV Bondgenoten, te Utrecht, CNV Dienstenbond, te Hoofddorp, en De Unie, te Culemborg (hierna tezamen te noemen: de vakbonden), gemachtigde mr. N. Ruiter. Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2008 heeft verweerder geweigerd verzoeksters dispensatie te verlenen van de algemeen verbindendverklaring van de CAO Uitzendkrachten 2004-2009 (hierna: de cao) voor de periode van 31 maart 2008 tot en met 29 maart 2009. Hiertegen hebben verzoeksters op 31 juli 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van diezelfde datum hebben verzoeksters tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De zaak is behandeld ter zitting op 11 september 2008, waar verzoeksters zijn verschenen bij hun gemachtigde, bijgestaan door mr. B.A.F. Stommels, werkzaam bij Please Holding B.V., statutair bestuurder van verzoeksters, en mr. I Vermeulen, werkzaam bij verzoekster sub 2. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. ABU is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door mr. S Meijer, werkzaam bij ABU. De vakbonden zijn verschenen bij hun gemachtigde, bijgestaan door M.A.E. van Essen, werkzaam bij FNV Dienstenbond. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening als hier bedoeld moet worden beoordeeld of het nadeel dat verzoeker zal ondervinden als gevolg van de uitvoering van het bestreden besluit onevenredig is in verhouding tot de met dit besluit te dienen belang. Veelal zal eerst aanleiding zijn een voorziening te treffen indien, op grond van de beschikbare gegevens, moet worden geoordeeld dat er gerede twijfel bestaat of het in hoofdzaak bestreden besluit in stand kan blijven. 3. Voor zover toetsing aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde criterium met zich meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor het geschil in de bodemprocedure. 4. De voorzieningenrechter gaat bij zijn beoordeling uit van de navolgende niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden, zoals deze uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken. 5. ABU en de vakbonden hebben de CAO voor Uitzendkrachten 2004-2009 (hierna: de cao) afgesloten. De looptijd van de cao is van 29 maart 2004 tot en met 31 maart 2009. Bij besluit van 15 juni 2007 is de cao algemeen verbindend verklaard voor de periode tot en met 30 maart 2008. Verzoeksters hebben desverzocht dispensatie van deze algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao verkregen. Bij verzoek van 1 februari 2008 hebben ABU en de vakbonden algemeen verbindend verklaring verzocht van de cao voor een volgende periode, te weten van 31 maart 2008 tot 29 maart 2009. Het verzoek van 1 februari 2008 is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 februari 2008, met daarbij onder meer de vermelding dat bedenkingen tegen dit verzoek dan wel dispensatieverzoeken schriftelijk kunnen worden ingediend bij verweerder voor of op 12 maart 2008. Op 12 maart 2008 eindigde eveneens de in artikel 2:7, eerste lid, van het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en verzoeken om algemeen verbindend verklaring (hierna: het Besluit) genoemde termijn van tervisielegging van dit verzoek. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft verweerder het verzoek tot algemeen verbindend verklaring toegewezen. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 25 mei 2008. Uiterlijk op 16 juni 2008 zijn verzoeksters ervan op de hoogte geraakt dat zij niet zijn gedispenseerd van de bij besluit van 21 mei 2008 algemeen verbindend verklaarde bepalingen. Op 8 juli 2008 hebben verzoeksters een verzoek tot dispensatie van bedoelde bepalingen ingediend. Bij besluit van 31 juli 2008, het bestreden besluit, is op dit dispensatieverzoek afwijzend beslist. 6. Het wettelijk kader luidde op de datum van het bestreden besluit als volgt. 7. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: de Wet AVV) kan de minister bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, die in het gehele land of in een gedeelte van het land voor een - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het gehele land of in dat gedeelte van het land algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door de minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar de aard van de arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking van de verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden. 8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet AVV kan de verbindendverklaring alleen geschieden op verzoek van één of meer werkgevers of één of meer verenigingen van werkgevers of werknemers, die partij zijn bij de collectieve arbeidsovereenkomst. 9. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wet AVV wordt door Onze Minister van de indiening van het verzoek mededeling gedaan in de Staatscourant. Daarbij wordt een termijn bepaald, binnen welke bedenkingen schriftelijk bij hem kunnen worden ingebracht. 10. Artikel 2:7 van het Besluit luidt als volgt: 1. Een verzoek om dispensatie van algemeen verbindend te verklaren bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten wordt ingediend gedurende de periode dat tevens de toepasselijke werkingssfeerbepalingen ter visie liggen. Een dergelijk verzoek kan uitsluitend worden gehonoreerd als daaraan een rechtsgeldige collectieve arbeidsovereenkomst ten grondslag ligt. 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk ingediend en ondertekend door of namens alle partijen die de rechtsgeldige collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten op grond waarvan dispensatie wordt gevraagd. Het in de eerste zin bedoelde verzoek wordt gedaan aan de hand van een daarvoor bestemd formulier dispensatie van avv dat volledig moet zijn ingevuld. 3. Een verzoek om dispensatie dat buiten de periode van tervisielegging, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan, wordt niet gehonoreerd. 11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 12. De vakbonden hebben betwist dat verzoeksters een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeksters stellen dat zij ten gevolge van het onderhavige besluit tot en met 29 maart 2009 onder de werking van de cao vallen en niet meer onder haar eigen ondernemingcao. Dit vergt van verzoeksters, zo acht de voorzieningenrechter aannemelijk, (onder andere) aanmerkelijke aanpassingen op organisatorisch en administratief gebied, hetgeen niet noodzakelijk zou zijn indien verzoeksters van de werking van de cao zouden zijn gedispenseerd. Van de aanwezigheid van een spoedeisend belang bij verzoeksters is hiermee afdoende gebleken. 13. De voorzieningenrechter constateert dat de onderhavige afwijzing van het dispensatieverzoek van verzoeksters is gegrond op de niet tijdige indiening van dit verzoek. Partijen gaan er met juistheid vanuit dat sprake is van niet tijdige indiening, nu ingevolge artikel 2:7, eerste lid, van het Besluit de termijn van tervisielegging eindigde op 12 maart 2008. Verzoeksters hebben echter betoogd dat de niet tijdige indiening als verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Awb moet worden aangemerkt vanwege door verweerder gemaakte fouten bij de bekendmaking van het verzoek tot en het besluit tot algemeenverbindendverklaring van 1 februari 2008, respectievelijk 21 mei 2008. De overige partijen hebben betwist dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. 14. Alle partijen gaan er derhalve vanuit dat artikel 6:11 van de Awb bij een termijnoverschrijding als de onderhavige van toepassing is. Dit is echter onjuist, nu genoemd wetsartikel uitsluitend betrekking heeft op de indiening van bezwaar- of beroepschriften na afloop van de daarvoor geldende termijn. De voorzieningenrechter constateert voorts dat in artikel 2:7, derde lid, van het Besluit dwingend is voorgeschreven dat een te laat ingediend verzoek tot dispensatie niet wordt gehonoreerd, alsmede dat in de Wet AVV of in het Besluit geen bepaling is opgenomen op grond waarvan het maken van een uitzondering op het voorschrift van artikel 2:7, derde lid, van het Besluit is toegestaan. 15. De voorzieningenrechter concludeert op grond van het in de voorgaande alinea overwogene dat de hier relevante wetgeving geen mogelijkheid biedt een uitzondering te maken op het voorschrift van artikel 2:7, derde lid, van het Besluit. Daarmee is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder terecht heeft beslist tot afwijzing van het verzoek tot dispensatie wegens het niet tijdig indienen daarvan. 16. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat ook indien ervan zou worden uitgegaan dat de hier relevante wetgeving ruimte zou laten voor een beroep op verschoonbaarheid van bedoelde termijnoverschrijding, verzoeksters in het onderhavige geval geen gerechtvaardigd beroep op verschoonbaarheid zouden kunnen doen. Daargelaten wat partijen overigens hebben aangevoerd, is immers niet in geschil dat verzoeksters in ieder geval op 16 juni 2008 ervan op de hoogte waren dat aan hen geen dispensatie was verleend. Verzoeksters hebben echter niet binnen een redelijke termijn na 16 juni 2008 alsnog om dispensatie verzocht, maar eerst op 8 juli 2008. De brief van verzoeksters van 17 juni 2008 kan, anders dan verzoeksters lijken te menen, niet worden aangemerkt als een verzoek tot dispensatie als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van het Besluit, reeds nu verzoeksters daarbij niet alle daartoe benodigde gegevens hebben verstrekt. Bovendien is deze stelling niet goed te rijmen met het gegeven dat verzoeksters later, op 8 juli 2008, met gebruikmaking van het daartoe verplicht gestelde formulier een verzoek tot dispensatie hebben ingediend. 17. Op grond van het hiervoor overwogene bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gerede twijfel of het in de hoofdzaak bestreden besluit in bezwaar stand kan houden. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen. 18. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te gelasten dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden. 19. Beslist wordt als volgt. Beslissing De voorzieningenrechter, wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. F.E. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2008. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschriften verzonden: