
Jurisprudentie
BF2955
Datum uitspraak2008-09-26
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09.920153-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09.920153-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Mishandeling van een 74-jarige vrouw door de toen 13-jarige verdachte. Verdachte is bij het passeren van de vrouw, die zich met haar rollator op een smal pad bevond, met zijn fiets tegen de vrouw aangereden en heeft haar in het gezicht gespuugd. De vrouw is daarbij op de grond terechtgekomen en liep blauwe plekken en een blauwe gekneusde knie op. De kinderrechter is van oordeel dat de jongen de vrouw opzettelijk heeft geraakt en ten val gebracht, maar acht niet bewezen dat hij de vrouw van de rollator heeft getrokken en op de grond gegooid. Ook acht de kinderrechter niet bewezen dat hij de vrouw tegen haar rug heeft geschopt.
Uitspraak
RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT
KINDERRECHTER
VERKORT VONNIS
parketnummer 09.920153-08 's-Gravenhage, 26 september 2008
De kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende [adres]
De officier van justitie mr. J. Berton heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1. telastgelegde wordt vrijgesproken en het hem onder 2. telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren. Voorts vordert zij dat de verdachte wordt veroordeelt tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de jeugdreclassering.
De verdachte, bijgestaan door mr. I. A. van Straalen, advocaat te ‘s-Gravenhage, is gehoord.
De telastlegging
Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de hierna weergegeven fotokopie van de dagvaarding gemerkt A.
De bewijsmiddelen.
De politierechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en de omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht en als hier ingelast beschouwt -zulks met verbetering van eventuele in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in zijn verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1. telastgelegde
Uit de stukken van het geding en de behandeling van de zaak ter terechtzitting is het volgende naar het oordeel van de kinderrechter vast komen te staan.
Op zaterdag 15 maart 2008 bevond mevrouw [X] (74 jaar) zich op een smal pad in het Poelpolderpark in de gemeente Lisse. Mevrouw [X] is slecht ter been en liep daarom met behulp van een rollator. Op datzelfde moment fietsen [medeverdachte] (13 jaar) en [verdachte] (13 jaar) over het pad. [Medeverdachte] draagt een wit petje. Uit hun verklaringen blijkt dat beide jongens mevrouw [X] zien en tot de conclusie komen dat het pad te smal is om mevrouw [X] per fiets te passeren.
[Verdachte] heeft op 25 maart 2008 tegenover de politie verklaard dat hij bij het passeren met zijn fiets tegen mevrouw [X] is aangereden en haar in het gezicht heeft gespuugd (p. 67).
Mevrouw [X] is daarbij op de grond terechtgekomen. De verbalisant die op 15 maart 2008 de aangifte heeft opgenomen, constateert onder meer dat mevrouw [X] een blauwe plek op haar linker arm heeft en een blauwe plek heeft op haar linker borst. Zij merkt op dat de panty van mevrouw [X] is gescheurd en dat ze een blauwe gekneusde knie heeft.
Door de verdediging is opgemerkt dat de verklaringen van mevrouw [X] tegenstrijdigheden bevatten en dat door de politie is vastgesteld dat mevrouw [X] bij haar vervolg aangifte op 26 maart 2008 wat warrig was en dat zij niet meer precies wist wat er zaterdag 15 maart 2008 was gebeurd.
De kinderrechter ziet hierin aanleiding om de verklaringen van aangeefster van 26 maart 2008 en haar verklaring bij de rechter-commissaris van 3 juli 2008 niet voor het bewijs te gebruiken.
Dat is anders voor de verklaring die zij heeft afgelegd op 15 maart 2008, de dag waarop het voorval heeft plaatsgevonden. De kinderrechter zal van die verklaring wel gebruik maken voor het bewijs.
In die verklaring vertelt mevrouw [X] over twee jongens. Één van de jongens doet haar pijn, spuugt haar in het gezicht en geeft haar een trap in haar rug. De andere jongen, hoort zij tegen de eerste jongen zeggen dat hij moet ophouden, dat hij geen grote jongen is.
De kinderrechter begrijpt hieruit dat mevrouw [X] verklaart dat zij slechts door één van de twee aanwezige jongens is lastiggevallen.
Nu [verdachte] bij herhaling heeft verklaard dat hij degene is die mevrouw [X] met zijn fiets heeft geraakt en dat hij degene is geweest die naar mevrouw [X] heeft gespuugd, gaat de kinderrechter er van uit dat mevrouw [X] met de jongen die haar pijn doet en haar spuugt, [verdachte] bedoelt.
Daaraan doet niet af dat door de verdediging is opgemerkt dat dit laatste niet is komen vast te staan. Gesteld is dat aangeefster consistent belastende verklaringen heeft afgelegd over “de jongen met het witte petje” en niet [verdachte], maar [medeverdachte] een wit petje droeg.
Uit de eigen verklaringen van [verdachte] in samenhang met het door mevrouw [X] gegeven signalement van beide jongens (p. 44), leidt de kinderrechter af dat mevrouw [X] zich wat het petje betreft heeft vergist. In dat signalement staat bij dader 1 dat hij een breed/krachtig postuur heeft en een bol/rond/ breed gezicht en dat er sprake is van een wit petje.
Dader 2 ([medeverdachte]) wordt beschreven als smal/tenger van postuur.
De kinderrechter heeft op grond van eigen waarneming ter terechtzitting vastgesteld dat [verdachte] voor zijn leeftijd een breed/krachtig postuur heeft en een bol/rond/ breed gezicht.
In de aangifte staat dat het slachtoffer verklaart dat zij achter zich fietsen hoorde aankomen. Zij voelde dat zij werd vastgepakt en op de grond gegooid.
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn fiets tegen een oude vrouw met een rollator is aangereden. (p. 17). Hij heeft daar later aan toegevoegd dat hij de vrouw ‘per ongeluk’ heeft geraakt (p. 66).
Anders dan de verdediging is de kinderrechter van oordeel dat verdachte de vrouw opzettelijk heeft geraakt en ten val heeft gebracht. Hij heeft het slachtoffer met haar rollator op het pad gezien. Hij heeft overwogen dat het pad te smal was om de vrouw met zijn fiets te passeren. Hij wist dat de vrouw slecht ter been was. Ondanks dat is hij met zijn fiets langs de vrouw gereden. Hij heeft daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat de vrouw ten val zou komen, wat ook is gebeurd.
Door deze handelwijze heeft verdachte, zoals ten laste gelegd, het slachtoffer (met zijn fiets) van haar rollator (af)geduwd.
Bewijsoverweging ten aanzien van de onderdelen waarvan verdachte wordt vrijgesproken
De kinderrechter acht onvoldoende wettig bewijs aanwezig voor de bewezenverklaring van “het van de rollator trekken en/of het op de grond gooien” van het slachtoffer.
Buiten de verklaringen in de aangifte zijn daarvoor geen bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.
Ook het schoppen tegen de rug van het slachtoffer acht de kinderrechter niet bewezen.
In het dossier bevindt zich - naast de aangifte van het slachtoffer - een verklaring van [medeverdachte] dat hij [verdachte] een schoppende beweging heeft zien maken, een verklaring die hij bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft gehandhaafd.
Daar staat echter het volgende tegenover. Er is in de pers veel aandacht geweest voor deze zaak. Er is gemeld dat het slachtoffer zou zijn geschopt. Die aandacht in de pers is er geweest vóór het eerste verhoor van [medeverdachte] door de politie. In dat eerste verhoor heeft [medeverdachte] niet over ‘schoppende bewegingen’ verklaard. De mogelijkheid dat [medeverdachte] in zijn herinneringen is beïnvloed door de berichtgeving in de media doet de kinderrechter besluiten zijn belastende verklaringen niet voor het bewijs te bezigen. Dat betekent dat alleen de aangifte van het slachtoffer als bewijsmiddel overblijft en er dus onvoldoende wettig bewijs is voor dit onderdeel van het ten laste gelegde.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.
Verdachte is deswege strafbaar, nu te zijnen aanzien geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Wat zich op 15 maart 2008 in het Poelpolderpark in Lisse heeft afgespeeld is buitengewoon ernstig. Een mevrouw van 74 jaar oud, die slecht ter been is, wordt door een dertienjarige jongen zonder enige reden in het gezicht gespuugd en ten val gebracht. Dat is beschamend en voor veel mensen beangstigend. Niet alleen dit slachtoffer, maar ook andere oudere mensen die van het voorval hebben gehoord, slaat de schrik om het hart. Daarnaast maken ook jongere mensen zich bezorgd over wat hun ouders, grootouders en bejaarde kennissen zomaar op een willekeurige middag op een willekeurige plaats kan overkomen.
De kinderrechter rekent dit verdachte, ondanks zijn jonge leeftijd ernstig aan.
Voorts heeft de kinderrechter acht geslagen op:
1. het rapport d.d. 28 maart 2008 van C.C.M. van Schevikhoven van de Raad voor de
Kinderbescherming;
2. het rapport d.d. 15 mei 2008 van T. Houweling van de Raad voor de Kinderbescherming;
De getuige-deskundige de heer [Y], gezinsvoogd, heeft ter terechtzitting verklaard dat ten tijde van het maken van het onder 1. genoemde rapport, verdachte in een roerige tijd zat. Er waren toen veel zorgen die nog niet in zijn geheel zijn weg genomen. Maar hij luistert nu goed en hij heeft een goede start op school gemaakt.
Uit het onder 1. genoemde rapport blijkt dat verdachte al vanaf de geboorte te maken heeft gehad met belastende gebeurtenissen. Er kunnen hierdoor vragen worden gesteld over het verloop van zijn hechtingsproces. De intellectuele vermogens van verdachte zijn beperkt. Vanuit school wordt gesproken van een jongen die weinig binding vertoont met zaken of mensen. Zijn interesse in softdrugs is zorgelijk, zeker in het licht van de verslavingsproblematiek van zijn biologische ouders. Ten aanzien van het feit kan de vraag worden gesteld in hoeverre hij in staat is zich in te leven in de gevoelens van het slachtoffer.
Uit het onder 2. genoemde rapport blijkt dat uit onderzoek door het Curium is gebleken dat er sprake is van een laaggemiddelde intelligentie en van een hechtingsstoornis. Gezien de voorgeschiedenis, de problematiek en de strafbare feiten waarvan hij nu wordt verdacht, zou een vorm van therapie of behandeling op zijn plaats zijn. De pleegouders hebben hem, na geschorst te zijn door de rechter-commissaris, drie weken huisarrest gegeven. Op het ogenblik zijn er bij hen geen zorgen. De biologische moeder vindt dat [verdachte] moet leren consequenties te dragen voor zijn gedrag en dat er aandacht moet zijn voor de hulpvraag van [verdachte]. Ten aanzien van de straf wordt geadviseerd om de ingezette hulpverlening door de gezinsvoogd te ondersteunen. Een werkstraf wordt passend geacht.
Gelet op de ernst van het feit acht de kinderrechter een onvoorwaardelijke jeugd detentie een passende reactie. Daar staan echter de jeugdige leeftijd en de uit beide rapporten genoemde bijzonder moeilijke persoonlijke omstandigheden van verdachten tegenover.
Om herhaling van dit soort feiten te voorkomen lijkt intensieve behandeling van verdachte zowel in het belang van de maatschappij als geschikt voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van deze zeer jonge verdachte. De kinderrechter zal daarom voor deze keer van een onvoorwaardelijk jeugddetentie afzien en in plaats daarvan een werkstraf opleggen. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zal de bijzondere voorwaarde worden verbonden, dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van zijn gezinsvoogd ook als dit inhoudt dat hij zich moet onderwerpen aan een persoonlijkheidsonderzoek of een behandeling moet ondergaan of bijzondere training moet volgen.
Bij het opleggen van de straf heeft de kinderrechter er rekening meegehouden dat verdachte op initiatief van zijn pleegouders al geruime tijd huisarrest heeft ondergaan.
De toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De kinderrechter,
verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
eenvoudige belediging;
verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt verdachte te dier zake tot:
een werkstraf voor de duur van 30 UREN;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 24 UREN, subsidiair 12 DAGEN jeugddetentie resteren.
in verzekering gesteld op: 25 maart 2008,
in voorlopige hechtenis gesteld op: 28 maart 2008,
welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van: 28 maart 2008,
heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;
veroordeelt verdachte voorts tot:
jeugddetentie voor de duur van 1 MAAND;
bepaalt dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdbescherming, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt het deelnemen aan een onderzoek, behandeling of training;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard;
spreekt hem daarvan vrij.
Aldus gewezen door mr. B.M. Kortenhorst, kinderrechter
in tegenwoordigheid van mr. Y.D. David, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 september 2008.