Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2947

Datum uitspraak2008-07-22
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 08/1633
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het betreft het ongeldig verklaren rijbewijs. Het onderzoek naar de geschiktheid voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Beroep is gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 08/1633 Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2008 inzake [eiser], te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr E.J.M. de Wild, tegen de algemeen directeur van de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), te Rijswijk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft verweerder het rijbewijs van eiser vanaf 5 november 2007 ongeldig verklaard voor alle categorieën, omdat hij niet langer voldeed aan de eisen van geschiktheid waaraan hij gelet op het hem afgegeven rijbewijs moet voldoen. Bij brieven van 5 december 2007 heeft eiser tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 6 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat het besluit van 29 oktober 2007 is geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Bij brieven van 9 mei 2008 heeft eiser tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Bij uitspraak van 22 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter, onder schorsing van de besluiten van 29 oktober 2007 en 31 maart 2008, besloten de zaak te laten behandelen op de zitting van de meervoudige kamer van 27 juni 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door mr K.T.M. Huisman, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder is - zonder bericht van verhindering - niet verschenen. Overwegingen 1. Aan de orde is de vraag of het besluit van verweerder van 31 maart 2008 in rechte stand kan houden. 2. Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3. Op 10 februari 2007 heeft de korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord verweerder ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) schriftelijk mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor aan eiser een rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat bij eiser tijdens een verkeerscontrole op 3 februari 2007 een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd van 965µg/l (= 2,22 ‰). 4. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder eiser bij besluit van 9 mei 2007 op grond van artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 en artikel 6, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 14 juli 2007. 5. Volgens het verslag van bevindingen van dit onderzoek zijn er onvoldoende aanwijzingen aanwezig om te kunnen concluderen dat ten tijde van eisers aanhouding op 3 februari 2007 sprake was van alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR, maar kan wel op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin worden gesteld. 6. Het wettelijk kader is als volgt. 7. Ingevolge artikel 134, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 131, eerste en tweede lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, stelt het CBR na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid vast. 8. Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen, waarin daarvan sprake is. 9. Ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW 1994 deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. 10. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994 indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen. 11. Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij de regeling behorende bijlage. 12. Paragraaf 8.8, getiteld ”Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)”, van die bijlage - voor zover relevant - luidt: “Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring – op basis van een specialistisch rapport – geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.” 13. Het onderzoek naar de geschiktheid omvat een laboratorium-, een lichamelijk en een psychiatrisch onderzoek. Aan de hand daarvan wordt vastgesteld of sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. Daaronder wordt verstaan de psychiatrische diagnose alcoholafhankelijkheid of alcoholmisbruik, te stellen op basis van alle klinische gegevens en/of de DSM-IV-TR classificatie. 14. Volgens verweerder worden onderzoeken naar de geschiktheid zoals het onderhavige uitgevoerd volgens vaste protocollen. In deze protocollen is onder meer vastgelegd dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een arts, niet zijnde een psychiater, onder supervisie van een psychiater. Voorts wordt een onderzochte persoon meegedeeld dat indien gewenst de psychiater, welke op de onderzoekslokatie aanwezig is, beschikbaar is voor consultatie. 15. Eiser heeft betoogd dat de toezending van de brief van verweerder van 3 oktober 2007, waarbij aan eiser het resultaat van het onderzoek naar de geschiktheid is meegedeeld en eiser is gewezen op de mogelijkheid een tweede onderzoek aan te vragen, onzorgvuldig is geschied. Verweerder zou bij toezending van brieven met een dergelijke belangrijke inhoud - aldus eiser - extra zorgvuldigheid dienen te betrachten. 16. De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de verzending van de hiervoor bedoelde brief aangetekend heeft plaatsgevonden aan het juiste adres van eiser, zodat de rechtbank van deze feiten zal uitgaan. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan van verweerder in een geval als het onderhavige meer zorgvuldigheid wordt verlangd dan aangetekende verzending zoals hier heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de rechtbank er mede acht op geslagen dat toezending per gewone post krachtens meerdere artikelen van de Awb reeds als een voldoende zorgvuldige wijze van verzending wordt aangemerkt (zie onder andere de artikelen 3:41, eerste lid, en 8:37, tweede lid). De grief van eiser faalt derhalve. 17. Eiser heeft voorts gesteld dat het onderhavige onderzoek niet is uitgevoerd met inachtneming van de daaraan te stellen eisen. Eiser heeft daartoe (onder meer) aangevoerd dat de in de voorgaande alinea bedoelde mededeling niet aan hem is gedaan, alsmede dat onaannemelijk is dat op de onderzoekslokatie een psychiater aanwezig was. 18. Ter betwisting van de stellingen van eiser heeft verweerder verwezen naar de inhoud van de geldende protocollen en aangevoerd dat er geen reden is om aan te nemen dat van de protocollen is afgeweken. 19. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen nadere feitelijke informatie, afkomstig van de personen die het verslag van bevindingen hebben ondertekend, heeft verschaft over het verloop van het onderzoek en de totstandkoming van dit verslag. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande de ontkenning van eiser dat hem de in alinea 14 genoemde mededeling is gedaan, alsmede eisers stelling dat niet kan worden aangenomen dat op de onderzoekslokatie een psychiater aanwezig was, beide onvoldoende door verweerder zijn weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan zal uitgaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat - nog daargelaten of zulks in protocollen is voorgeschreven - indien het onderzoek, zoals in het onderhavige geval, niet door de psychiater zelf wordt verricht, minstgenomen een psychiater op lokatie aanwezig dient te zijn, alsmede dat eiser had dienen te worden medegedeeld dat indien gewenst een psychiater voor consultatie beschikbaar is. Nu in het onderhavige geval niet aannemelijk is dat aan deze voorwaarden is voldaan, is het onderzoek niet uitgevoerd met de daarbij vereiste zorgvuldigheid. Dit betekent dat verweerder zich niet op dit onderzoek heeft mogen baseren, zodat het bestreden besluit eveneens niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. 20. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikel 3:2 van de Awb geen stand houden. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de rechtbank zal verweerder gelasten om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De overige door eiser aangevoerde bezwaren behoeven derhalve geen bespreking. 21. Nu op grond van het vorenstaande het bestreden besluit op bezwaar geen stand kan houden, ziet de rechtbank voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het primaire besluit van verweerder 29 oktober 2007, dat immers ook strekt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser, te schorsen tot en met zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op bezwaar aan eiser is bekendgemaakt. 22. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het beroep gegrond zal worden verklaard, met als gevolg dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Niettemin heeft de rechtbank bepaalde gronden van het beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, moet tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep worden ingesteld. 23. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage telkens begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: - 1 punt voor het indienen van het beroepschrift; - 1 punt voor het verschijnen ter zitting; - waarde per punt € 322,00; - wegingsfactor 1. 24. De rechtbank zal de stichting CBR aanwijzen als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiser dient te vergoeden. 25. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de stichting CBR aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 31 maart 2008; - gelast verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen; - schorst het primaire besluit van 29 oktober 2007 tot en met zes weken na de datum van bekendmaking aan eiser van het nieuw te nemen besluit op bezwaar; - gelast de stichting CBR aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00; - veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00; - wijst de stichting CBR aan als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiser dient te vergoeden. Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzitter en mr. A.A.H. Schifferstein en mr. M.T. van Vliet als leden in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2008. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: