Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF2792

Datum uitspraak2008-08-18
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers07_925 BELEI
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aan eiser is subsidie verleend voor een vijftal projecten. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de door eiser voorgestane wijzigingen van deze projecten vallen binnen de beschrijving van de projecten in de oorspronkelijke subsidieaanvraag van eind 2004 en begin 2005. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het bij het wijzigingsverzoek gaat om het concretiseren van activiteiten die vallen onder de beschrijving van de projectactiviteiten waarvoor subsidie is verleend. Het toevoegen van re-integratietrajecten, het toevoegen van nieuwe opleidingen, het toevoegen van afschrijvingskosten en het toevoegen van trajecten buiten de aanbesteding zijn naar het oordeel van de rechtbank door verweerder terecht aangemerkt als nieuwe activiteiten die in de beschrijvingen van de projecten in de oorspronkelijke subsidieaanvraag niet waren opgenomen. Verweerder heeft derhalve de wijzigingsverzoeken terecht aangemerkt als nieuwe aanvragen. Nu vaststaat dat de wijzigingsverzoeken zijn ingediend na de vaststelling van het subsidieplafond op € 0,-, heeft verweerder de wijzigingsverzoeken gelet op artikel 6, aanhef en sub e, van de Subsidieregeling ESF-3 terecht afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK ASSEN Sector Bestuursrecht Kenmerk: 07/925 BELEI Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 18 augustus 2008 in het geding tussen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gevestigd te Emmen, eiser, en De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 24 september 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 februari 2006 ongegrond verklaard en laatstgenoemde besluiten gehandhaafd, inhoudende dat de door eiser ingediende verzoeken tot wijziging van de subsidieaanvraag, als zijnde nieuwe aanvragen, worden afgewezen. Namens eiser is bij brief van 30 oktober 2007 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 5 december 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan afschriften ontvangen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 juli 2008, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door de heren A. Teune, T. Oost, S. Stienstra en A. Kamphuis. Voor verweerder is verschenen mevrouw M. Vrouenraets. II. Motivering Feiten en omstandigheden Eiser heeft eind 2004, begin 2005, subsidie aangevraagd uit het Europees Sociaal Fonds ten behoeve van een vijftal projecten. Bij vijf separate beschikkingen heeft verweerder, op basis van de voorwaarden van de Subsidieregeling ESF-3 en het ESF-3-Beleidskader, besloten tot verlening van subsidie voor de vijf projecten. Op 27 oktober 2005 heeft verweerder besloten tot vaststelling van het subsidieplafond voor de Subsidieregeling ESF-3 (Staatscourant 2005, 212) op € 0,00 met ingang van 28 oktober 2005. Bij brief van 30 november 2005 heeft eiser verzocht om wijziging van een aantal projecten. Verzocht is om verlenging van de looptijd van projecten en toevoeging van re-integratietrajecten, welke wijzigingen volgens eiser niet leiden tot overschrijding van het aangevraagde budget. Bij besluiten van 14 februari 2006 heeft verweerder eiser bericht dat zijn verzoeken om wijziging niet kunnen worden gehonoreerd en worden afgewezen. Verweerder heeft aangegeven dat ten gevolge van het vaststellen van het subsidieplafond op € 0,- per 28 oktober 2005 alle aanvragen die op of na 28 oktober 2005, 9.00 uur, zijn ingediend, niet meer voor subsidie in aanmerking komen. Verzoeken tot wijzigingen worden als nieuwe aanvragen beschouwd door verweerder, zoals aangegeven tijdens het Algemeen overleg op 9 november 2005 en in zijn brief van 1 december 2005 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Indien het verzoek zou worden gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat wordt afgeweken van de oorspronkelijke aanvraag, c.q. het projectplan op basis waarvan destijds de subsidie is verleend. De door eiser verzochte wijziging heeft naar de mening van verweerder een hogere benutting tot gevolg, omdat het toevoegen van niet in de aanvraag benoemde activiteiten alsmede het verlengen van de looptijd een kostenverhogend effect zal hebben. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 21 maart 2006. Eiser heeft zijn bezwaren mondeling toegelicht op13 september 2007. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken. Eiser meent dat er fundamenteel geen wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van de projectuitgangspunten zoals verwoord in de subsidieaanvraag. Bovendien heeft verweerder in het verleden ook wijzigingen en herzieningen ten opzichte van subsidieaanvragen toegestaan of geaccepteerd. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Standpunten partijen Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van de projectuitgangspunten, zoals verwoord in de subsidieaanvragen. Ook wordt er niet om hogere subsidiebedragen gevraagd. Dergelijke aanpassingen en wijzigingen van aanvragen zijn in het verleden meerdere malen geaccepteerd door het Agentschap van SZW. Verweerder heeft gesteld dat wijzigingen nooit zonder meer worden geaccepteerd. Alle individuele wijzigingsverzoeken werden door het Agentschap getoetst. Hieruit valt naar de mening van eiser op te maken dat een verzoek tot wijziging van een aanvraag niet werd beschouwd als het indienen van een nieuwe aanvraag. Het is eiser niet duidelijk waarom dit nu gebeurt. Verder valt uit het bestreden besluit niet op te maken op welke wijze er een individuele toetsing heeft plaatsgevonden van het verzoek. Het verzoek is alleen afgewezen om reden van een mogelijke overschrijding van het subsidieplafond dat is vastgesteld nadat de aanvragen zijn ingediend. Consequente toepassing van deze redenering leidt ertoe dat mogelijkerwijs ook verleende subsidie niet wordt uitbetaald, indien er sprake is van een hogere benutting van de subsidie dan waar het Agentschap van uit is gegaan. Dit zou immers ook leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Het al dan niet benutten van het toegekende subsidiebedrag kan naar de mening van eiser geen reden zijn om de verzoeken af te wijzen. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gehandhaafd. Voorts heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 oktober 2007, AWB 07/23 en naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2007, AWB 06/9810. Toepasselijke regelgeving Artikel 4:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: “1. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 2. Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien ingediende aanvragen.” Artikel 6 van de Subsidieregeling ESF-3 luidt – voor zover van belang – als volgt: “Een projectsubsidie-aanvraag wordt afgewezen: (…) e. indien door subsidieverlening het in het toepasselijke ESF3-Beleidskader aangegeven subsidieplafond zou worden overschreden; (…) Artikel 7 van de Subsidieregeling ESF-3 luidt – voor zover van belang – als volgt: “1. De beschikking tot verlening van projectsubsidie betreft de projectactiviteiten, zoals vastgelegd in de bij de subsidie-aanvraag gevoegde projectbeschrijving.” Beoordeling De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op juiste gronden is gekomen tot het besluit van 24 september 2007. Ingevolge artikel 7 van de Subsidieregeling ESF-3 houdt projectsubsidie financiering in van activiteiten, welke activiteiten omschreven moeten zijn bij de subsidieaanvraag. Aan eiser is subsidie verleend voor een vijftal projecten. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de door eiser voorgestane wijzigingen van deze projecten vallen binnen de beschrijving van de projecten in de oorspronkelijke subsidieaanvraag van eind 2004 en begin 2005. Als de wijzigingen hier niet onder vallen, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op artikel 7 van de Subsidieregeling ESF-3 sprake van een nieuwe aanvraag; de subsidie is immers verleend ten behoeve van concreet omschreven projectactiviteiten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het bij het wijzigingsverzoek gaat om het concretiseren van activiteiten die vallen onder de beschrijving van de projectactiviteiten waarvoor subsidie is verleend. Het toevoegen van re-integratietrajecten, het toevoegen van nieuwe opleidingen, het toevoegen van afschrijvingskosten en het toevoegen van trajecten buiten de aanbesteding zijn naar het oordeel van de rechtbank door verweerder terecht aangemerkt als nieuwe activiteiten die in de beschrijvingen van de projecten in de oorspronkelijke subsidieaanvraag niet waren opgenomen. Verweerder heeft derhalve de wijzigingsverzoeken terecht aangemerkt als nieuwe aanvragen. Nu vaststaat dat de wijzigingsverzoeken zijn ingediend na de vaststelling van het subsidieplafond op € 0,-, heeft verweerder de wijzigingsverzoeken gelet op artikel 6, aanhef en sub e, van de Subsidieregeling ESF-3 terecht afgewezen. De omstandigheid dat verweerder vóór het vaststellen van het subsidieplafond wijzigingsverzoeken wel accepteerde kan aan het bovenstaande niet afdoen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de nieuwe activiteiten kunnen worden gefinancierd uit de subsidie die was verleend voor de activiteiten die waren omschreven in de oorspronkelijke aanvragen van eind 2004, begin 2005. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. III. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. L. Mulder, voorzitter, mr. K. Wentholt, en mr. J.L. Boxum als leden en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2008 door mr. L. Mulder, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Melissen, griffier. mr. H.E. Melissen mr. L. Mulder Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. Afschrift verzonden op: